< Terug

Zingend onderweg

‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen…’ Zo begint Psalm 121. Het is een pelgrimslied. Het werd gezongen tijdens de reis naar de belangrijkste bedevaartsplaats in het Joodse land: de tempel van Jeruzalem. Wie uit de kustvlakte erheen trok, zag in de verte de bergen waar Jeruzalem ligt.

Pelgrimeren was in Bijbelse tijden een uiting van volksdevotie. In de periodes van de grote religieuze feesten vertrokken uit alle streken groepjes mensen. Ze stroomden samen in een grote karavaan op weg naar de tempel. Het zal een gezellige boel zijn geweest: ontmoetingen met oude bekenden of zomaar met onbekenden.

Er klonken liederen onderweg. De Psalmen 120-134 vormen een bundel bedevaartliederen die daarvan getuigen. In deze psalmen is er niet alleen aandacht voor God en tempel. Ook thema’s uit de alledaagse leefwereld komen aan de orde: angst, vreugde, berouw, verlangen. Het zingen van de pelgrimspsalmen hief de banaliteit van het reizen op en gaf de pelgrimage de betekenis die haar toekwam. Het samen zingen zal ook de verbondenheid hebben versterkt, onderling en met het geloof van Israël. ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen…’ Het ‘ik’ van de zanger werd opgenomen in de zang van vele eeuwen en de lange geloofsgeschiedenis van het volk.

Gevaren onderweg

Psalm 121 is een van de geliefdste pelgrimsliederen. Daarin gaat het vooral over dreiging en vertrouwen. De gevaren onderweg worden bezongen en zijn beeldspraak voor de hele levensreis. Het gaat over de voet die wankelt, de zon die steekt, net als de maan – die mogelijk destijds gezien werd als een demonische macht. Wie op weg gaat, merkt vroeg of laat dat de wereld jou niet moet; het vervelende is dat er geen andere wereld is om naar toe te vluchten.

Maar je toevlucht zoeken bij God kan wel. Want God slaapt niet, zingen de pelgrims. Zou Hij kunnen slapen? Soms lijkt het er wel op. Ergens in de Psalmen klinkt de uitroep: ‘Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.’ Teresa van Calcutta, de bekende non die zo veel goeds deed, spreekt in haar dagboeken over de lange jaren waarin het voor haar leek of God sliep. Dit gemis bracht haar tot de belofte: ‘Als ik ooit een heilige word, dan wil ik er zeker één worden van de duisternis – ik zal voortdurend afwezig zijn in de hemel om het licht te ontsteken.’

Geborgen in de schaduw

Maar God is er wel, benadrukt Psalm 121. Het lied brengt Hem subtiel ter sprake: ‘De Heer is de schaduw aan je rechterhand.’ Een mooi beeld. In verschillende psalmen valt te lezen dat God een mens bergt in de schaduw van zijn vleugels. Tegelijk ligt in het woord ‘schaduw’ besloten dat God niet massief aanwezig is, maar op een stille manier. Hij is niet de goede reus die de pelgrim op miraculeuze wijze uit de nesten haalt. De hobbelige weg die ik ga, effent Hij niet. Het lot dat mij wil slaan, weert Hij niet af. Nee, God doet niets, maar doet er wel toe. Gods aanwezigheid is vederlicht en woont als vertrouwen in een mensenhart. Anne van der Meiden, predikant en oud-hoogleraar communicatiewetenschap, noemde dit vertrouwen een medicijn: ‘Ik heb veel mensen gezien die de fatale gang naar het ziekenhuis moesten maken en een onzichtbaar medicijn met zich mee droegen: wat er ook zou gebeuren, ze waren er klaar voor. Is het niet verschrikkelijk nuttig over die rust te beschikken in een uur dat alles nutteloos schijnt?’

‘Vertrouwen wijst de weg’, schreef Hildegard van Bingen. Dit zinnetje zou als samenvatting van Psalm 121 kunnen gelden.

Stephan de Jong is predikant van de Protestantse Gemeente Oudemirdum-Nijemirdum-Sondel en redactielid van Open Deur.

< Terug