< Terug

Zwijgen tot de lofzang losbreekt

Bij Lucas 1,5-25 / Lucas 1:5-25

In de eerste hoofdstukken van zijn boek geeft Lucas een soort ‘prehistorie’ van Jezus. Die loopt uit op een geslachtsregister, dat al namen-noemend zegt van wie Jezus afstamt, namelijk dat Hij samen met al die joodse voorvaders ‘van God’ is (Luc. 3,38). Daarna begint het verhaal over Jezus’ missie met zijn onderdompeling in de Jordaan.

In wat ik de ‘prehistorie’ noem, Lucas 1-3, worden als het ware decorstukken geplaatst die het toneel vormen waarop Lucas het verhaal van Jezus gaat neerzetten. Alles in die hoofdstukken roept de grote verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel in herinnering. De personages spreken teksten uit die hoorbaar geweven zijn uit stukken Tenach, en met name de vier ‘oude mensen’ (Zacharias, Elisabet, Simeon en Anna of Hanna – NBV/NB) lijken de verpersoonlijking te zijn van de hoop van Mozes en de profeten. Het geheel vormt een monumentale proloog die Jezus bij voorbaat neerzet als de vervulling van de verwachting waarvan de Schriften spreken.

Lijnen naar het verleden

Voordat we nader bij Lucas 1,5-25 stilstaan, wil ik een paar observaties bij de proloog als geheel noteren.

– Er figureren in de proloog drie tweetallen van een man en een vrouw, en iemand uit elk tweetal heft een lofzang van oudtestamentische allure aan – tussen twee lofzingende oude mannen zingt een jonge vrouw het Magnificat. Er zijn ook drie engelenwoorden: aan Zacharias, aan Maria en aan de herders.

– De bijbelse verhalen waaraan de teksten van Lucas 1-3 doen denken, liggen ook in de dagen van Lucas al in een grijs verleden: de onvruchtbare aartsvaders en -moeders, de lofzang van Hanna, de aan David toegeschreven psalmen – het ligt voor de auteur verder terug dan de hoge middeleeuwen voor ons. Hij schrijft dus niet een vervolg, maar spant een geweldige boog naar de oerbronnen van zijn traditie.

– Er worden in Lucas geen exacte leeftijden genoemd, maar de ‘cast’ van Lucas 1-3 vertoont een samenstelling die doet denken aan menige protestantse gemeente heden ten dage: vier senioren rondom twee jongvolwassenen en twee kinderen, en een engel. Het ene kind komt van oude mensen die ‘over de datum’ zijn, het andere van jonge mensen die er nog niet klaar voor zijn, en pas als dat eerste kind het tweede gedoopt heeft, kan de proloog met de geslachtslijst worden afgesloten. Zo is zorgvuldig de aansluiting gemaakt tussen de mensen van het verleden en die van de toekomst: het bijbelse verleden en de joodse traditie zijn volledig ingeschakeld in het nu komende Christusgebeuren.

Volgehouden verwachting

Zacharias (‘JHWH gedenkt’) en Elisabet (‘mijn God heeft gezworen’) zijn met hun namen en hun levenslot de belichaming van volgehouden verwachting. Als priester draagt Zacharias eraan bij dat de liturgie wordt volgehouden. Ze houden de lijn uit het verleden gespannen tot op vandaag, ook als niets in hun leven erop wijst dat die aan een toekomst kan worden vastgeknoopt. Als dan de engel komt en de komst van een nakomeling aanzegt, reageert Zacharias ongeveer zoals Sara in Genesis 18 reageerde. Daar heeft Abraham de drie mannen op bezoek, en zoals Zacharias trouw zijn dienst doet, zo ontvangt Abraham die mannen trouw en gastvrij – maar wel met zo veel eten en plichtplegingen dat hij het hun bijkans onmogelijk maakt om over de toekomst te beginnen. Verwachting en verwachtingsmoeheid liggen soms dicht bij elkaar.

Onmacht om het nieuwe te zien

Dat Zacharias zal moeten zwijgen, wordt aangezegd als consequentie van zijn onmacht om het woord van de engel zonder meer te aanvaarden. Wij denken dan traditiegetrouw: voor straf, voor zijn ongeloof. Als Zacharias meer geloof had gehad, zou hij onmiddellijk in zijn Benedictus zijn uitgebarsten. Dat zou wel jammer zijn geweest voor de compositie van Lucas 1-3. Nu bezoekt aartsengel Gabriël eerst de oude man en dan het meisje, en als de zwangere vrouwen elkaar hebben begroet (te oud en te jong, over tijd en voortijdig) zingt eerst het meisje haar Magnificat en dan de oude man zijn Benedictus. De vertegenwoordiger van de oude verwachting stemt in met de draagster van het nieuwe begin.

Voor ons idee zou het zo mooi zijn als de oude tijd elegant de deur kon openhouden voor de nieuwe tijd, een mooi welkomstwoord kon spreken en dan de fakkel zou doorgeven. Maar bij het oude hoort ook de onmacht om het nieuwe te zien en te denken. Dat is misschien in alle tijden wel zo, ook nu in de kerk. Het beste wat de oude verwachting soms kan doen, is zwijgen totdat iets nieuws aan het woord is gekomen, en dan dankbaar instemmen.

Het zwijgen van Zacharias heeft zodoende ook iets van een adventsoefening: hij is trouw, hij heeft alle hoop waartoe hij in staat is, meegesleept tot aan vandaag. Maar het ontbreekt hem aan de categorieën om het nieuwe te denken – dat moet hem nu eerst overkomen. En gelukkig zal hij daarna zijn eerste sprekende adem niet besteden aan spijtbetuiging of boetedoening – hij zal juichen, met oeroude woorden in een nieuw verband.

Omkeren naar de toekomst

Zwijgen tot de lofzang losbreekt, mediteren tot het jubelt – dat zou ons een prachtige stille Advent kunnen bezorgen. Niet dat onophoudelijke evalueren van alles wat er gebeurt, niet al die vragen en klachten en voetnoten, want dat is allemaal verpakte onmacht.

Als ik het goed begrijp, is de zoon die het oude paar gaat krijgen, nog steeds op een bepaalde manier de representant van hun oude perspectief. Hij zal in de termen van Mozes en de Profeten ruimte scheppen voor de Komende. Hij zal ‘omkeren, de harten van de vaders naar de kinderen’. Dat is een mooi symbool voor de grote ommekeer: dat ouders eens naar kinderen gaan luisteren, dat het verleden op het komende gaat intunen.

< Terug