< Terug

Burn-out als maatschappijkritiek

De kerk kan getuigen van een God die ellende ziet, jammerklachten hoort, lijden kent en daarmee aangeeft dat degene die in ellende verkeert, jammer en klacht en lijdt betekenis heeft...

Erik Borgman

Erik Borgman

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Erik Borgman over de kerk in relatie tot de epidemie van burn-out. Lees ook de andere theologenblogs.

Behalve met de pandemie van COVID-19 hebben we te maken met een epidemie van burn-out. Om daar iets tegen te doen, wordt veelvuldig geroepen dat zingeving van belang is. Maar hoe kun je nu je leven zingeven, als je geen zin in je leven ervaart? Mensen met burn-out geloven het niet eens als anderen zeggen dat je leven zin heeft. Erik Borgman gaat enkele achterliggende oorzaken na en denkt na over de rol van kerk en godsdienst.

Revolutie sinds einde jaren 1980

Het is een cliché om te zeggen dat de wereld de laatste decennia ingrijpend veranderd is. Toch is het nog niet zo gemakkelijk om de gevolgen van deze veranderingen in beeld te krijgen. Niemand heeft de veranderingen gepland en niemand stuurt ze aan. Ze vinden bijna ongemerkt plaats, totdat ze ineens grote effecten blijken te hebben. En waarvan zijn het dan precies effecten?

De epidemie van overspannenheid en burn-out heeft maatschappelijke oorzaken. Zij wordt niet veroorzaakt door het plotseling verdwijnen van innerlijke stevigheid bij jongere generaties, het verdwijnen van een religieus of levensbeschouwelijk kader, of ook niet zomaar door een toename aan verwachtingen en verplichtingen. Dat zijn zelf gevolgen. De oorzaak is een revolutie die zich sinds het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw voltrokken heeft.

Goed samenleven als realiteit en perspectief

Tot die tijd was het uitgangspunt van het sociale leven dat wij samen de samenleving vormden. We mochten er deel van zijn en we mochten er vervolgens aan bijdragen. Zij werd ons gegeven en wij konden haar veranderen. Als we tegen een probleem aanliepen, konden we een alternatieve visie ontwikkelen, we konden anderen werven om zich bij die visie aan te sluiten en we konden proberen te zorgen dat deze visie ingang vond.

Dat gebeurde ook volop. Eerst waren het de zogenoemde zuilen waarin visie levend werden gehouden op goed leven, goed menszijn, een goede samenleving en van waaruit geprobeerd werd de samenleving in te richten. Vanaf te tweede helft van de jaren 1960 veranderde dat en ontstonden allerlei maatschappelijke organisaties op deelgebieden. Wat we tegenwoordig de civil society noemen, bloeide. Mensen vonden wat van de samenleving, hadden een voorstelling van een goed leven. Als ze zich ongelukkig en ontevreden voelde, konden ze die productief maken in inzet voor verandering.

Geen alternatief, geen samenleving

Zeker, ook in de jaren 1970 en 1980 waren er mensen die dat niet goed lukte. Pogingen te ontsnappen in de droomwereld van alleen maar love and peace and happiness, drugsverslaving, psychische ziekten: ze hebben tal van slachtoffers gemaakt. Maar het algemene gevoelen was dat er mogelijkheden waren en mensen werden aangemoedigd die mogelijkheden te benutten.

Maar toen kwam Margaret Thatcher met haar twee slogans: there is no alternative en there is no such thing as society. Niet dat Thatcher de revolutie afkondigde. Zij drukte een klimaatsverandering uit die al bezig was en versterkte die. Door een groeiende invloed van de neoliberale visie op de economie gingen bedrijven en de politiek steeds meer uitstralen dat een vrij kapitalisme de natuurlijke stand van zaken was en dat wie vooruit wilde komen, zich daaraan diende aan te passen. Er werd niet alleen minder in een alternatief geloofd, er was steeds minder ruimte voor een alternatief. En daarom werd er minder in geloofd en beperkte dat opnieuw de ruimte, enzovoort.

Marginaal

De instituties die erop gericht waren de maatschappelijke dynamiek en de maatschappelijke discussie vorm te geven, verschenen van hieruit als overbodig. De goede samenleving waarop zij zich richtten, was immers een illusie. Er waren uiteindelijk alleen individuen die produceerden en consumeerden, of het nu goederen, diensten of ideeën waren. Ook bijvoorbeeld de kunsten werden benaderd als een sfeer van behoeften en behoeftebevrediging en niet langer als een sfeer van individuele verheffing en maatschappelijke transformatie.

Maatschappelijke organisaties verdwenen niet, maar pasten zich aan. Ook zij gingen hun potentiële achterban behandelen als klanten met behoeften die zij via hen moesten kunnen bevredigen. Soms heel plat: vakbonden die leden gingen werven door kortingen aan te bieden op goederen en diensten. Soms subtieler: scholen etaleerden hun meetbare successen en suggereerden zo aan ouders dat kun kinderen bij hen een diploma zouden halen en in de samenleving vooruit zouden komen. Ze gingen de goede sfeer op school benadrukken om ze te verzekeren dat ze er ook nog een goede tijd zouden hebben. Maar ze zwegen vrijwel geheel over de visie op mens en samenleving waarvoor zij stonden. Politieke partijen zagen de visie op maatschappij en maatschappijverandering, waarvoor ze ooit waren opgericht, nu als ‘ideologische veren’ die moesten worden afgeschud. Ze waren nuttig als zij een achterban wisten te binden.

Verzoening met het bestaande

Kerken en levensbeschouwelijke organisaties ten slotte gingen zichzelf profileren als aanbieders van zingeving. Niet als vertolkers van een ongedacht perspectief—‘het koninkrijk van God is als het gans andere nabij en wie bereid is zich radicaal te laten veranderen, kan hiervan nu al deel uitmaken’—maar als een plaats waar je werd geholpen om jezelf te voorzien van het gevoel dat het betekenis had. Ook als die het klaarblijkelijk die betekenis niet intrinsiek had. Verlossing en bevrijding verdwenen als centrale thema’s. De nadruk ligt op verzoening met het bestaande.

Nu is er niets tegen troost en verzoening. Een God die ons een leven geeft dat altijd alleen maar morgen goed wordt en nooit vandaag goed is, dat is niet de God-met-ons waar de Bijbel over spreekt. God was naar Bijbelse overtuiging ook in de slavernij met zijn volk in Egypte—maar niet door ze voor te houden dat hun leven toch zin had! God is met zijn mensen door hun ellende te zien, hun jammerklachten om hun onderdrukkers te horen, hun lijden te kennen (Exodus 3,7). En daarmee betekent Gods blik een radicaal ander perspectief dan de heersende.

Roep om bevrijding

Burn-out ontstaat vanuit de ervaring gevangen te zitten, de wetenschap dat het zo echt niet langer gaat en de overtuiging dat er geen alternatief is. De ervaring gevangen te zitten moet gehoord worden als een roep om bevrijding en de wetenschap dat het zo echt niet langer gaat, versterkt die roep. Het is een protest tegen een samenleving waarin mensen alleen in beeld komen als producenten en consumenten en niet als plaatsen van zin en betekenis. Mensen dan vragen hun leven zin te geven, is uiteindelijk cynisch. Niemand kan zijn eigen leven zin geven en al helemaal niet in een situatie waarin die zin steeds maar weer wordt ontkent.

De kerk kan getuigen van een God die ellende ziet, jammerklachten hoort, lijden kent en daarmee aangeeft dat degene die in ellende verkeert, jammer en klacht en lijdt betekenis heeft, wat zij of hij zelf ook gelooft of denkt. Dat getuigen is alleen geloofwaardig als de kerk ook investeert in het onder ogen zien van en scherp luisteren naar wat er echt aan de hand is, om het langs die weg te leren kennen. Dan kunnen zich nieuwe, bevrijdende mogelijkheden openen. There is an alternative en die dient zich aan in jouw ervaring dat je zo niet langer kan doorgaan. ‘Nu al zijn we kinderen van God, en wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard’ (1 Johannes 3,2).

Van hieruit moet de kerk zich vervolgens inzetten voor een maatschappelijke structuur waarin dat alternatief de kans krijgt uit te groeien tot een nieuwe toekomst, waarin we onszelf weer kunnen ervaren als bouwers van een goede samenleving.

Verder lezen?

De beschrijving van de kerk die Rik Torfs in ‘De kerk is fantastisch’ geeft, is niet altijd mooi. Vaak wel. Maar de kerk is ook een plaats van verrotting, een angstige hoedster van de absolute waarheid en een zedenmeesteres die het zelf met de moraal niet altijd even nauw neemt. Dat weerhoudt Rik Torfs er niet van haar zeer te waarderen. Hij kiest acht invalshoeken om naar de kerk te kijken. De kerk als gebouw. Als pleisterplaats voor ongelovigen. Als oase. Als hospitaal. Als bron van humor. Als plek van schoonheid en als waakvlam voor de verrijzenis. Acht perspectieven die proberen iets van haar te tonen zonder haar helemaal te willen vatten. De kerk blijft ongrijpbaar. Niemand kent haar. Ook de paus niet.

Select Columns Layout

< Terug