< Terug

De toekomst van theologisch publiceren

De toekomst van theologisch publiceren ligt niet alleen meer bij de wetenschappelijke uitgeverijen.

Arnold Huijgen

Arnold Huijgen

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Arnold Huijgen over de overname van de wetenschappelijke theologie-uitgeverij Vandenhoeck & Ruprecht, door Brill. Wat betekent dit voor het vakgebied?

Lees ook de andere theologenblogs.

In mijn ‘bubbel’ was het afgelopen week groot nieuws: de Leidse uitgeverij Brill neemt Vandenhoeck & Ruprecht uit Göttingen over. Op het eerste gezicht mag dit matig interessant economisch nieuws lijken, maar op de achtergrond speelt meer. De overname van Vandenhoeck (sinds 1735) door Brill (sinds 1683) is het voorlopige einde van een consolidatieslag, die licht werpt op de toekomst van publiceren in de theologie. Dat zit als volgt.

Het vakgebied van de theologie krimpt al jarenlang, niet alleen in Nederland. Er zijn minder studenten, minder docenten, en dus minder publicaties en minder markt. Dat geldt trouwens breder in de geesteswetenschappen. Waar er minder klanten zijn, moet de prijs omhoog om kostendekkend te kunnen werken, zeker wanneer een uitgever er een indrukwekkend internationaal netwerk op nahoudt, zoals Brill. Vandenhoeck heeft iets dergelijks wel geprobeerd, maar het Amerikaanse avontuur kwam moeizaam van de grond. Saillant detail: Jörg Persch, die ooit de Amerikaanse tak van Vandenhoeck bestuurde, is inmiddels de Geschäftsführer van Brill Duitsland, die zijn oude werkgever overneemt. Maar goed, gaandeweg worden theologische boeken steeds duurder. Het is niet vreemd om een boek voor 150 euro exclusief btw aangeboden te zien op de site van Brill. Dat is voor mensen met gewone salarissen, zoals de meeste theologen, nauwelijks meer te betalen.

Voordelen

Waarom dan toch bij zo’n ‘dure’ uitgever publiceren? Vanwege het bereik, het prestige en de peer review. Het bereik: bibliotheken hebben doorgaans een doorlopende bestelling van bepaalde series boeken. Wie bij Brill publiceert, is overal ter wereld te vinden. Het prestige: bij een uitgever van naam wordt niet alles uitgegeven, dus een uitgever is ook een kwaliteitskeurmerk. Daar kan trouwens ook misbruik van gemaakt worden door de uitgever, waardoor er inflatie optreedt. Maar nog belangrijker is de peer review: enkele onafhankelijke wetenschappers geven een oordeel over de ingediende tekst. Dat leidt soms tot aanpassing, en vaak tot weigering van het complete manuscript. Als het echter lukt om een tekst peer reviewed gepubliceerd te krijgen, valt deze in de hoogste categorie van academische output, en dat is weer van belang voor visitaties van het onderzoek van de kant van de overheid. Veel onderzoek wordt immers met belastinggeld betaald, en er moet controle plaatsvinden. Wie peer reviewed bij een gerenommeerde uitgever publiceert, doet het goed.

De hoge prijs van boeken wordt door uitgevers vaak wel wat verzacht. Brill doet dit niet zo hard, maar Oxford University Press brengt bijvoorbeeld vaak eerst een gebonden editie van een boek uit (van bijvoorbeeld 150 euro). Na enkele jaren wordt die editie gevolgd door een paperback die maar enkele tientjes kost. Een extreem voorbeeld hiervan is de Wiley Blackwell Companion to Karl Barth in twee delen. Nu gebonden te koop voor de lieve som van 339 euro, volgend jaar in paperback leverbaar voor 32,50 euro.

Toch blijft het een vreemd systeem. De auteur verdient niets aan de publicatie van zijn boek (als hij al geen geld moet meebrengen). De reviewers die het boek beoordelen, worden ook nauwelijks betaald. Zo mocht ik na het beoordelen van een boekmanuscript een keer voor 300 euro aan boeken uitzoeken. Dat klinkt mooi, maar dat zijn dus drie boeken voor dagenlang werk.

Open access

Nu is er echter recent een fenomeen dat het hele systeem op zijn kop zet: open access. Het idee is sympathiek: alles wat door de belastingbetaler bekostigd wordt, moet uiteindelijk gratis door die belastingbetaler gelezen kunnen worden. Open toegang, ofwel open access dus, wordt door de Europese Unie gaandeweg verplicht. De vraag is: hoe dan? Als onderzoekers hun teksten ‘zomaar’ online publiceren, ontbreekt de kwaliteitstoets van de peer review en van de uitgever, nog afgezien van de vraag naar de vindbaarheid. Uitgevers hebben er wel iets op gevonden: allemaal investeren ze in de digitale wereld én vragen ze niet langer een prijs aan de lezer, maar aan de auteur. Honderden euro’s voor de publicatie van een artikel, duizenden euro’s voor de publicatie van een boek. Momenteel kunnen onderzoekers die kosten meestal vergoed krijgen door hun faculteit of universiteit, maar na de eerstvolgende bezuinigingsronde zal het er waarschijnlijk anders uitzien. En een bezuinigingsronde is nooit ver weg.

Dit is een bizar systeem. Iedereen mag de teksten lezen, die echter zo specialistisch zijn dat alleen vakgenoten ze kunnen lezen. Uitgeverijen halen hun inkomsten in de toekomst steeds meer bij de auteurs die bij hen publiceren. Onder het mom van de belastingbetaler geven wat hij betaald heeft, draait het uit op extra kosten voor de belastingbetaler: niet alleen de onderzoeker moet worden betaald, maar ook de uitgever.

Wetenschappelijke uitgeverijen hebben heel goed door dat ze alleen verder komen als ze een excellent netwerk hebben en een naadloze digitale infrastructuur. Vandaar de consolidatieslag.

Hoe verder

De vraag is hoe onderzoekers hiermee omgaan. Jongere onderzoekers hebben helaas geen keus: zij moeten mee in het systeem. Maar onderzoekers met vaste banen en leiders van onderzoeksgroepen mogen wel nadenken over hun publicatiestrategie. Voldoen universiteiten nog wel aan hun maatschappelijke doelstelling door mee te bewegen? Eerlijk gezegd zie ik kansen. Gelukkig wordt in het nieuwe protocol voor visitaties iets minder nadruk gelegd op internationale publicaties en wat meer op maatschappelijke impact van onderzoeksgroepen. Wat mij betreft, biedt dat ruimte om meer Nederlandstalig te publiceren, als spin-off van wetenschappelijk onderzoek. Of andersom: een Nederlandstalig boek waarin een grote lijn wordt geschetst, geflankeerd door enkele Engelstalige wetenschappelijke artikelen. Natuurlijk moet er kwaliteit geleverd blijven worden en daarbij blijven wetenschappelijke uitgeverijen van groot belang. Het lijkt me alleen niet verkeerd als er daarnaast ook breder gekeken wordt.

De toekomst van theologisch publiceren ligt niet alleen meer bij de wetenschappelijke uitgeverijen. Nederlandstalige theologie voor een breder publiek schrijven – dát is pas werken aan open access.


Wat doen wij hier?

In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich in haar boek Wat doen wij hier? af wat het betekent om mens te zijn.


Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.

wat doen wij hier marilynne robinson

< Terug