< Terug

Een ironische samenloop?

Maandag is de dag van de Theologenblog; een actuele blog uit de pen van een richtinggevend theoloog. Deze week is dat Herwi Rikhof, die reflecteert op de samenloop van Hervormingsdag en Allerheiligen/Allerzielen.

Herwi Rikhof

Zolang Luther en Calvijn niet worden heilig verklaard door Rome, is het schisma niet geheeld.

Meestal zit er wel een dag of meer tussen: Hervormingsdag en Allerheiligen/Allerzielen. Maar dit jaar vierden we in onze parochie Allerheiligen/Allerzielen in het weekend van 30-31 oktober, dus op Hervormingsdag. Ik weet niet hoeveel mensen de ironie van dat samenvallen opgemerkt hebben. Hervormingsdag is immers de dag waarop herinnerd wordt dat Maarten Luther zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel in Wittenberg bevestigde. Of het historisch precies zo gegaan is, wordt betwijfeld. Maar wat wel historisch zeker is dat het hem om een discussie over de aflaten ging en dát is een thema dat het feest van Allerheiligen/Allerzielen ten nauwste raakt.

Persoonlijke herinneringen

Toen ik in 1967 theologie ging studeren was dat niet lang nadat het Tweede Vaticaans Concilie was afgesloten en langzaam de impact van dat Concilie duidelijk werd. Natuurlijk was de invloed van de liturgie-hervormingen van dat Concilie direct duidelijk geworden: de volkstaal in plaats van het Latijn, het zingen van nieuwe liederen, soms op melodieën uit de reformatorische gezangboeken en soms ook teksten uit die traditie, de andere positie van altaar en priester: het altaar niet meer tegen de achterwand van het priesterkoor (of absis), maar meer naar voren en de priester niet meer met de rug naar het volk maar met het gezicht naar de mensen.

Wanneer het Dei Verbum er niet zou zijn gekomen, was het Tweede Vaticaans Concilie een gemankeerd concilie geworden, enkel gericht op de (eigen) kerk

Maar de impact op de theologie werd veel langzamer duidelijk. Ik herinner me levendig dat in het eerste jaar mijn hoogleraar systematische theologie, Ferdinand de Grijs, zijn colleges over de Godsleer afkapte. Hij nam de constitutie Dei Filius van het Eerste Vaticaans Concilie als uitgangspunt en zei dat het zo niet meer kon. Hij vroeg om twee weken respijt en begon toen helemaal opnieuw met het lezen van het verhaal van het brandend braambos (Exodus 3).

Jaren later realiseerde ik me dat hij met zijn keuze afscheid nam van de neo-scholastieke theologie waar hij mee was opgegroeid en een van de grote inzichten van het Concilie in praktijk bracht: dat de Schrift de ziel is van de theologie.

Die uitspraak staat in een van de vier grote constituties: Dei Verbum. Geen van die constituties is zonder slag of stoot aangenomen, maar de discussies rond de constitutie over de Openbaring, over de verhouding Schrift en Traditie zijn wel heel fel geweest. Het was lange tijd niet zeker dat die constitutie er wel zou komen. Ratzinger merkt in zijn mooie commentaar op dat wanneer deze constitutie er niet gekomen zou zijn, het Tweede Vaticaans Concilie een gemankeerd concilie zou zijn geworden, enkel gericht op de (eigen) kerk.

Reactie op de Reformatie

Het Concilie van Trente is een antwoord op de Reformatie, maar het Tweede Vaticaans Concilie is een beter antwoord: het is minder defensief en het is beter geïnformeerd, zowel wat betreft de Reformatie als wat betreft de eigen, Rooms Katholieke, traditie. De roep tot herbronning die vanaf het begin van de 20ste eeuw klinkt en die op vele gebieden van geloofsbeleving en geloofsreflectie – vaak niet zonder moeite en grote tegenstand – tot verrassende inzichten leidt, vaak vergeten in de loop der eeuwen, werkt door in het Tweede Vaticaans Concilie. Een aantal van de verguisde voorstanders van die herbronning zijn als experts aanwezig bij het Concilie en geven de aanwezige bisschoppen buiten de zittingen om een bijscholing.

Het Tweede Vaticaans Concilie is een beter antwoord op de Reformatie geweest dan het Concilie van Trente: minder defensief en beter geïnformeerd

Vervaging van scherpe grenzen

Als ik nu terug kijk naar mijn theologiestudie dan zie ik dat in allerlei vakken de strikte scheiding tussen katholiek en protestant niet meer werkte. In de exegese lazen we Von Rad en Bultmann, in de filosofie Kierkegaard en Ricoeur, in de kerkgeschiedenis kregen de hervormingsbewegingen in de 15 en 16de eeuw een actualiteit door wat er op dat moment in de kerk in Nederland gebeurde (Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout), we lazen teksten van Luther en Erasmus, het proefschrift van Kuitert over de mensvormigheid Gods was verplichte literatuur bij systematische theologie en via Die Sache mit Gott (Zahrnt) leerden we Barth, Brunner, Tillich en Bonhoeffer kennen.

We lazen natuurlijk ook  katholieke auteurs: de exegeet Cerfaux, de filosoof Pascal, en theologen als Danielou en de Lubac, Chenu en Congar, Kasper en Kung, Ratzinger en Rahner, Schillebeeckx en Schoonenberg.

Herkenning van het gemeenschappelijke

Later ben ik als docent actief geweest in de samenwerking met collega’s uit de reformatorische traditie(s) in ‘De Christelijke Geloofsartikelen’ (afkort XART). In de herfst kwamen we bij elkaar rond een thema uit de geloofsbelijdenis en lazen dan klassieke teksten uit elkaars tradities. Een van de eerste keren las ik met een groep een tekst van Thomas van Aquino over de onveranderlijkheid van God – een tekst waarin zijn voorzichtige en eerbiedige negatieve theologie goed zichtbaar wordt. Jan Bakker (Kampen) zei toen verbaasd dat dit Karl Barth was.

Het schisma is ook niet geheeld zolang protestanten de bisschop van Rome niet erkennen als de bisschop die leiding geeft aan alle bisschoppen van de wereldkerk

Uit die samenwerking is ook het commentaar van Bram van de Beek en mij op de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel ontstaan. In het hoofdstuk over de heilige Geest staan opmerkingen die het samenvallen van Hervormingsdag en Allerheiligen/Allerzielen dit jaar boven toeval en vooral boven ironie uittillen:

“De katholieke kerk van na Trente zou geen reden geweest zijn voor het schisma van de reformatie. Alleen was dat schisma er intussen en de vervolgstappen die bij het schisma van de tweede eeuw gezet werden zijn na het schisma van de zestiende eeuw nooit gezet. De mensen van de noodoplossing zijn nooit teruggekeerd en Luther en Calvijn zijn door Rome nooit heilig verklaard om aan te geven dat zij de kerk een bijzondere dienst hebben verleend, alles op het spel hebben gezet om de kerk te redden. Zolang Luther en Calvijn niet worden heilig verklaard als symbool van de erkenning van de schuld van het leiderschap van de kerk die de ene kerk zo hebben ontheiligd dat men niet meer in haar geloven kon (dat betekent zowel dat het in haar niet meer mogelijk was te geloven in Christus als dat men niet meer geloven kon dat ons heil van de kerk afhangt als woonplaats van de Geest), is het schisma niet geheeld. En het is ook niet geheeld zolang de protestanten de bisschop van Rome niet erkennen als de bisschop die leiding geeft aan alle bisschoppen van de wereldkerk.”[1]

Noot

[1] Wij geloven, Rooms-katholiek en protestant: één geloof, (Utrecht: KokBoekencentrum, 2020 [2de druk]), 132-133.

Het is 38 jaar geleden vandaag. Paus Johannes Paulus II wijdde op 25 maart van dat jaar de wereld toe aan het Onbevlekt Hart van Maria – zoals overigens vier voorgangers én zijn tweede opvolger ook hebben gedaan; pausen zijn immers gek op continuïteit. Op 15 april vond ook de eerste Wereldjongerendag plaats, dat zou uitgroeien tot de grootste tweejaarlijkse jongerenbijeenkomst ter wereld. Maar 1984 was vooral het jaar dat het wereldberoemde LEGO-reclamelied “Van LEGO kun je alles maken.”

Nooit heb ik niets met U

In Nooit heb ik niets met U voert Henk Veltkamp persoonlijke gesprekken met 25 verschillende mensen over wie God voor hen is. Die vraag levert heel diverse antwoorden op. De een krijgt een warm gevoel en raakt niet meer uitgepraat. De ander haalt de schouders op. Gesprekken met Stevo Akkerman, Nora Asrami, Tamarah Benima, Stef Bos, Tijs van den Brink, Heino Falcke, Jacobine Geel, e.a.

nooit heb ik niets met u

< Terug