Lijden en ongeluk

De Afghaanse asielzoekster op Lesbos wordt door de lokale autoriteiten gezien als brandstichtster en door de Europese Gemeenschap als een niemand.

Erik Borgman

Erik Borgman

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Erik Borgman over de 26-jarige Afghaanse vrouw die zich op Lesbos in brand stak. Horen wij haar boodschap?

Lees ook de andere theologenblogs.

Vorige week stak een Afghaanse vrouw zichzelf in brand op het Griekse eiland Lesbos. Zij verbleef in het kamp voor asielzoekers op dit eiland dat is aangelegd nadat het roemruchte kamp Moria afbrandde. De Griekse autoriteiten klagen de vrouw aan voor brandstichting. Er moet een boodschap worden afgegeven, zei een woordvoerder. ‘Dit had een grotere brand kunnen veroorzaken.’ Maar de vrouw gaf een boodschap af. De boodschap van haar uitzichtloze ongeluk en het feit dat zij daarmee niet kan leven. Horen wij die boodschap?

Ongeluk

De term ‘ongeluk’ kies ik niet zomaar. De Franse-Joodse mystica Simone Weil (1909-1943) plaatst ‘ongeluk’ (le malheur) tegenover ‘lijden’ (la souffrance). Lijden is pijnlijk, maar kan volgens Weil ook een bron zijn van inzicht of zelfs van betekenis. Ongeluk daarentegen staat voor haar gelijk aan ontreddering, betekenisloosheid, verbanning uit de samenhang van samenleving, cultuur en geschiedenis. Ook lijden kan diepe desoriëntatie en traumatische isolatie tot gevolg hebben en in dat geval is lijden een variant geworden van wat Weil ongeluk noemt.

In een autobiografische notitie die na haar dood beroemd zou worden, beschrijft Weil hoe zij voor het eerst echt in aanraking kwam met de verlorenheid van het ongeluk toen zij, na de afronding van haar filosofiestudie, in 1935 en 1936 onder arbeiders was gaan wonen en fabriekswerk was gaan doen. Daar is le malheur haar, naar eigen overtuiging, blijvend in het vlees en het bloed gedrongen: ‘Ik heb daar voorgoed het slaventeken ontvangen’, zo formuleert zij, ‘zoals de Romeinen dat als brandmerk op het voorhoofd van hun geringste slaven aanbrachten. Sindsdien heb ik mij altijd als een slavin beschouwt’. Zij zag zich dus als uitgesloten van de in de samenleving verankerde betekenis en de daarmee verbonden waardigheid.  

Godsdienst van de slaven

Het zou de aanleiding worden voor Weils belangstelling voor het christendom. Als zij met haar ouders in Portugal op vakantie was om van de geestelijke en lichamelijke uitputting te herstellen, zag zij in augustus 1936 op het strand bij het dorpje Póvoa de Verzim vissersvrouwen zingend en met kaarsen in processie langs hun boten lopen. Zij had, zo getuigt zij, plotseling de zekerheid dat ‘het christendom bij uitstek de godsdienst van de slaven was, dat slaven niet anders konden dan zich ertoe bekennen, en dat ik tot hen behoor’.

Weil werd geen christen. Naar haar overtuiging ontdekte zij niet anders dan als christen te kunnen leven. Het christendom kent in Jezus’ identificatie ermee de waarde van het waardeloze, het verlorene, het betekenisloze.

De liefde ziet het onzichtbare

God kan volgens Weil hier op aarde niet anders aanwezig zijn dan in de verborgenheid, het geheim: Dieu ne peut être présent ici-bas que dans le secret. Wat dit betekent wordt wat haar betreft duidelijk in Jezus’ kruisdood. Het gaat er Weil daarbij om dat Jezus stierf als een slaaf, dat wil zeggen als iemand die sociaal gesproken niet als mens geldt en wordt behandeld. Een slaaf wordt beschouwt als niet meer dan een werktuig van een ander (98/102)­, zonder substantie, eigenheid of intrinsieke betekenis. Maar, zo stelt Weil daartegenover, ‘[d]e liefde ziet het onzichtbare’—[l]’amour voit l’invisible. De liefde ziet de waardigheid van wat bij uitstek als onwaardig wordt beschouwd.

Weil beschouwt de slavernij als de grootste misdaad jegens de menselijkheid onder de Romeinen. Het feit dat Jezus de slavendood onderging, constitueert volgens haar daarom op mysterieuze wijze de verlossing. Zijn kruisdood betekent dat Hij in zijn liefde niet alleen het onzichtbare ziet, maar dat Hij in zijn liefde het onzichtbare wordt.

Hij werd een niet-mens, een niemand. Daarom onderstreept Weil dat Jezus niet stierf als martelaar voor een goede zaak of ideaal. Dat zou zijn lijden zin en betekenis geven. Hij stierf als gewone misdadiger tussen de moordenaars—‘Hij is tot de misdadigers gerekend’, citeren de evangelies de profeet Jesaja (Mk. 15,28; Lk. 22,37; vgl. Jes. 53,12)—‘alleen een beetje belachelijker’, schrijft zij. Hij deelt tot het einde toe in de potsierlijke vergeefsheid van het ongeluk (le maleur).

Een God die liefde is

De natuurlijke menselijke neiging is van het ongeluk weg te lopen, zich ervan te distantiëren, meent Weil. In plaats daarvan verbindt Jezus zich ermee, uit liefde. Zo verlost Hij het ongeluk van wat dit ongeluk zo ondragelijk maakt, namelijk de verlorenheid en verlatenheid.

Op deze manier is Jezus niet alleen beeld van Gods liefde, maar openbaart Hij dat God de hele geschiedenis door op verborgen wijze met het ongeluk verbonden was, is en zal zijn. Immers, aldus Weil, ‘hoe zouden wij zonder God te beschuldigen de gedachte kunnen verdragen dat er tweeëntwintig eeuwen geleden ook maar één slaaf zou zijn gekruisigd, als we zouden moeten veronderstellen dat Christus er toen niet was en elk soort sacrament er volkomen onbekend zou zijn geweest?’ Volledige Godverlatenheid van het ongeluk en de ongelukkige valt wat Weil betreft niet te verenigen met een God die liefde is. Daarom verwees de behandeling van slaven als niet-mensen altijd al naar Gods verborgen betrokkenheid bij hen, in ieder geval naar de noodzaak ervan.

Dat zag zij terug bij de vissersvrouwen van Póvoa de Verzim. Zij zou het denk ik ook teruggezien hebben bij de voor mij naamloze Afghaanse vluchtelinge, die in haar ongeluk niets anders meer kon doen dan zichzelf in brand steken. Zij zou er van overtuigd zijn dat God de waardigheid van haar wanhoop zag.

Waar wonen wij dan

Hoe zouden wij zonder God te beschuldigen de gedachte kunnen verdragen dat er 2948 kilometer verder ook maar één vluchteling zichzelf uit wanhoop in brand steekt, als we zouden moeten veronderstellen dat Christus er toen niet was en elk soort sacrament er volkomen onbekend zou zijn geweest? En als Christus er wel was, bij haar sterven en bij haar leven in ongeluk, hoe komt het dan dat wij haar waardigheid niet zien?

Toen Jezus aan het kruis stierf, zij de centurio die dat zag: ‘Waarlijk, die man was de Zoon van God’ (Mt. 27,54; Mk. 15,39; vgl. Lk. 23.47). De Afghaanse asielzoekster op Lesbos wordt door de lokale autoriteiten gezien als brandstichtster en door de Europese Gemeenschap als een niemand. Wie ziet dat ze beeld is van de God die in de nood van zijn volk zelf in nood is, en hen in zijn liefde en mededogen verlost (vgl. Jes. 63,9).

Dat zij beeld van God is, is onzichtbaar. Ook voor haarzelf, want anders zou zij zichzelf niet willen vernietigen. Maar l’amour voit l’invisible—de liefde ziet het onzichtbare. ‘God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God’, heet het in de eerste Johannesbrief (4,15). Als wij het onzichtbare niet zien en de onhoorbare kreet niet horen en deze vrouw en haar gelijken niet liefhebben met waarachtige daden (vgl. 1 Joh. 3,18), waar wonen wij dan? Willen wij daar echt blijven wonen?

Insert Image

Alle dingen nieuw

In Alle dingen nieuw presenteert Erik Borgman een katholieke theologie die in het hart van de hedendaagse cultuur al denkend het christelijk geloof presenteert dat God liefde is. Daarvoor gaat Erik Borgman in Alle dingen nieuw in gesprek met een brede waaier aan denkers en wetenschappers, kunstenaars en mystici uit heden en verleden.

Tags:

Meer Ethiek & Kerk en wereld