Het Zonnelied van Franciscus

Maandag is de dag van de Theologenblog; een actuele blog uit de pen van een richtinggevend theoloog. Deze week is dat Herwi Rikhof, die schrijft over het Zonnelied van Franciscus als een oefening voor de geest.

Herwi Rikhof

Het luisteren naar deze muziek is een geestelijke oefening in 

vergevenverduren en verdragen.

De muziek van Sofia Gubaidulina ligt niet dagelijks in mijn cd-speler, maar zij hoort wel tot de componisten die ik niet graag zou willen missen, zoals ik ook de muziek van Olivier Messiaen, James MacMillan, of Gesualdo da Venosa niet graag zou missen. Niet muziek die makkelijk in het gehoor ligt en zeker niet muziek die ongemerkt tot achtergrondmuziek wordt. Haar setting van het Zonnelied is muziek die aan dat lied – al door zoveel componisten getoonzet – een aparte dimensie geeft, ook al schrijft ze in een toelichting dat de muziek niet ‘ultra-verfijnd, nadrukkelijk gecompliceerd of overdreven pakkend’ zou mogen zijn bij zo’n ‘heilige tekst’.

Dat haar setting die aparte dimensie krijgt, komt enerzijds doordat ze niet de tekst achter elkaar als een lied op muziek zet. Anderzijds komt het doordat ze de cello – en ook wel het slagwerk – tussen en in de stukken waar het koor de tekst van Franciscus zingt (of beter: reciteert) op een prachtige manier uitdrukking laat geven aan waar die teksten over gaan.

De cello

Van alle instrumenten is de cello misschien wel het instrument dat het dichts bij de menselijk stem komt. In een uitvoering door cellist Mstislav Rostropovich, voor wie Sofia Gubaidulina dit Zonnelied ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag gecomponeerd heeft, klinken dan ook alle schakeringen en kleuringen van emoties. Dat geldt trouwens ook voor de andere uitvoeringen die ik op CD heb met de cellisten Pieter Wispelwey en Nicolas Altstaedt. Alle drie weten zij die muziek van Sofia Gubaidulina op een ongelooflijk mooie en indringende manier tot leven te brengen.

De cello geeft op een prachtige manier uitdrukking aan de inhoud van de tekst

Van het zonnelied, dat oorspronkelijk ‘de lofprijzing van de schepselen’ heet, zijn verschillende versies in omloop. Ik volg de tekst die afgedrukt staat in het cd-boekje; de Nederlandse vertaling is te vinden op franciscanen.nl.

Vier episoden

Sofia Gubaidulina heeft het lied van Franciscus in vier episodes ingedeeld:

  1. de verheerlijking van de Schepper en de zon en de maan,
  2. de verheerlijking van de Schepper en de vier elementen (lucht, water, vier en aarde),
  3. de verheerlijking van het leven,
  4. en de verheerlijking van de dood.

Wanneer je het zonnelied achter elkaar leest ga je wel van het ene onderwerp naar het andere, maar door die structuur in vieren worden als het ware overgangen ingebouwd. De zon, de maan en de sterren horen bij elkaar, zoals ook de vier elementen bij elkaar horen. En dan gaat de aandacht uit naar de mens en wel in twee stappen: naar het leven en naar de dood. In deze vierdeling valt een beetje weg dat al de strofen, die beginnen met ‘laudatio si, mi Signore,’ ingeraamd worden door twee strofes die het bijzondere van die verheerlijking of lofprijzing aangeven: ‘nullo homo ene dingo mentovare’ – niemand is waard u te noemen – en ‘cun grande humilitate’ – met grote nederigheid; de slotwoorden.

Franciscus gebruikt drie werkwoorden om het leven te karakteriseren: vergeven, verduren en verdragen.

Door de vierdeling krijgt de mens als het ware meer prominente aandacht. Hoe mooi het ook is wat Franciscus over die andere schepselen zegt en hoe diepzinnig ook door ze broers en zussen te noemen: wat hij zegt over de mens, over leven en dood, is nog diepzinniger. Zeker als we ons realiseren in welke omstandigheden Franciscus dit lied schreef: hij was ziek en zwak en praktisch blind. Ik wil stil blijven staan bij wat hij zegt over ons leven.

Ons leven

Drie werkwoorden gebruikt Franciscus om het leven van de mens te karakteriseren: perdonano, sostengo en sosterrano. In de Nederlandse vertaling zijn de twee laatste woorden vertaald met dezelfde term: ‘dragen’, maar het is ook mogelijk sostengo te vertalen met ‘verduren’ en sosterrano met ‘verdragen’.

Laudato si, mi Signore, per quelli ke perdonano per lo tue amore, et sostengo infirmitate et tribulatione. Beati quelli ke ‘l sotterrano in pace da te, Altissimo, sitano incoronati.

Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde vergiffenis schenken en ziekte en verdrukking dragen. Gelukkig wie dat dragen in vrede, want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Waarom deze karakteristieken?

Zijn ‘vergeven’, ‘verduren’ en ‘verdragen’ karakteristieken die wij aan het menselijk leven – aan ons leven – zouden geven? Misschien niet. Zelfs waarschijnlijk niet. Maar precies daarom is wat Franciscus dicht zo aangrijpend en precies daarom nodigen die drie werkwoorden uit tot nadenken. Waarom kiest hij deze karakteristieken? Misschien vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. Maar dat lijkt me te kort doen aan wat hij zegt. Waarschijnlijker kiest hij ze vanwege gelovige redenen, die boven het puur persoonlijke uitstijgen.

Het luisteren naar deze muziek kan dan ook een geestelijk oefening zijn in vergeven, verduren en verdagen

‘Vergeven’ is een echo van een van de moeilijkste beden van het Onze Vader en ‘verdragen in vrede’ roept de Bergrede op, zeker in combinatie met ‘Gelukkig’ (Matteüs 5:9). ‘Verduren’ en ‘verdragen’ hangen ten nauwste samen met een van de vruchten van de Heilige Geest die Paulus noemt in zijn brief aan de Galaten: geduld (Galaten 5:23). Zowel het Onze Vader, als de Bergrede als de vruchten van de Geest zijn teksten die oorspronkelijk – én nog steeds – een contrast vormen met wat maatschappelijk als belangrijk beschouwd wordt. In het licht van de huidige (haast post-)corona-situatie krijgen met name die laatste twee werkwoorden nog een extra accent.

Geduld

Paul van Tongeren, de huidige denker des vaderlands, merkt in een recente bijdrage op (Trouw, 24 september), dat voor een goede evaluatie van de coronacrisis geduld nodig is. Het beantwoorden van de vraag wat wij van die crisis geleerd hebben ‘heeft tijd nodig’ en: “… kan ook niet overhaast en niet eens voor altijd beantwoord worden. Ze zal, zowel op individueel als op samenlevingsniveau, de komende jaren steeds opnieuw gesteld moeten worden.” Van Tongeren spreekt hier als filosoof. Als theoloog kan ik zijn aandacht voor geduld alleen maar onderstrepen.

Pieter Wispelwey schrijft in een toelichting op zijn ervaring met de muziek van Sofia Gubaidulina dat hij zich om te beginnen afvroeg of het een cello concert was of een religieus werk en dat het volgende hem vooral bijbleef: “… de momenten van extase en het bereiken daarvan. Soms vergde dat laatste geduld.” Het luisteren naar deze muziek kan dan ook een geestelijk oefening zijn, mede dankzij die mooie en diepzinnige overeenkomst tussen muziek en tekst.


Bron uitgelichte afbeelding: Rijksmuseum/ Lorenzo Monaco, c. 1420.

De huidige generatie kerkenraadsleden staat voor keuzes die vorige generaties niet hoefden te maken. De secularisatie dringt dilemma’s op. De middelen van menskracht en geld nemen af. Kerkenraden moeten prioriteiten stellen. Pregnant wordt de keus als ze moeten besluiten over de inzet van het kerkgebouw.

Nooit heb ik niets met U

In Nooit heb ik niets met U voert Henk Veltkamp persoonlijke gesprekken met 25 verschillende mensen over wie God voor hen is. Die vraag levert heel diverse antwoorden op. De een krijgt een warm gevoel en raakt niet meer uitgepraat. De ander haalt de schouders op. Gesprekken met Stevo Akkerman, Nora Asrami, Tamarah Benima, Stef Bos, Tijs van den Brink, Heino Falcke, Jacobine Geel, e.a.

nooit heb ik niets met u

Tags:

Meer Geloofsverdieping