< Terug

Grondige bezinning vraagt om verdere uitwerking

Gijsbert van den Brink is hoogleraar Theologie en wetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Eerder verscheen van zijn hand onder meer En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie. Hij reageert in dit artikel op het boek Gidsen. Een christelijke schoolpedagogiek.





“Ze brengen met dit    boek precies wat Driestar Educatief    nodig heeft als het gaat om fundamentele   bezinning op aard en doel van christelijk   leraarschap"

N.a.v. Bram de Muynck en Bram Kunz, Gidsen. Een christelijke schoolpedagogiek (Utrecht: KokBoekencentrum, 2022).

Wat is dit een prachtige, grondige en fundamentele studie. Bram de Muynck en Bram Kunz bieden hier een zeer gedegen positiebepaling op het terrein van de schoolpedagogiek en leveren zo een belangrijke update van een lange denktraditie over christelijk leraarschap. De titel “Gidsen” is in dit verband raak gekozen: het is zowel een werkwoord als een zelfstandig naamwoord, en de auteurs werken omstandig uit waarom ze voor deze term kiezen, hoe het gidsen (ww) in het onderwijs gestalte krijgt en wat goede gidsen (znw) zijn. Gidsen houdt precies het midden aan tussen enerzijds indoctrineren, een topdown-benadering die de eigen interpretatieruimte van de leerling miskent (vgl. par. 7.8), en anderzijds begeleiden, waarbij de leraar slechts de randvoorwaarden veiligstelt voor het zelfsturend en zelfontdekkend lerend vermogen van de leerling. Gidsen houdt in: een heldere richting wijzen, maar daarbij voldoende ruimte open laten voor de eigenheid van de leerling, die niet slaafs moet volgen maar vooral een ‘wise interpreter’ moet worden. Daarmee stellen de auteurs zich ook in de respectabele traditie die onderwijs opvat als gericht op vorming (‘formation’), en niet in neoliberale zin op zo efficiënt mogelijke overdracht van kennis en vaardigheden. Dat is een traditie die vandaag onder druk staat, maar mijns inziens inderdaad leidend moet zijn en blijven in onderwijsprocessen.

De Muynck en Kunz werken in allerlei richtingen dit ideaal dat hen voor ogen staat uit. Ze onderbouwen het bijbels-theologisch, maar ook pedagogisch vanuit de bekende driehoek leraar-leerling-leerstof, waarbij ze treffend de wat sleetse term ‘leerstof’ vervangen door het veel bredere ‘werkelijkheid’ (in de zin van de werkelijkheid buiten de leraar/leerling). Kunnen wij die werkelijkheid dan zomaar kennen, construeren we die niet veeleer allemaal vanuit onze uiteenlopende culturele en levensbeschouwelijke achtergronden? Nee, zeggen de auteurs, die werkelijkheid kunnen we wel degelijk kennen, zij het altijd maar beperkt, en nooit helemaal los van onze culturele en levensbeschouwelijke bepaaldheid. Hier halen ze de zaken diep op vanuit de wijsgerige kentheorie, door zich aan te sluiten bij het zogeheten kritisch realisme dat op een geïntegreerde manier recht probeert te doen aan de waarheidsmomenten van zowel het klassieke realisme als het sociaal constructivisme. De auteurs zijn daarbij voortdurend in gesprek met tal van relevante stemmen uit verleden en heden, en blijken onder meer uitstekend thuis in het hedendaagse schoolpedagogische discours. Voor zover ik het kan zien, brengen ze met dit boek precies wat Driestar Educatief nodig heeft als het gaat om fundamentele bezinning op aard en doel van christelijk leraarschap in de huidige maatschappelijke context, en het afronden van deze leerzame studie is wat mij betreft dan ook een groot compliment waard.

Tegelijk heb ik, zoals verwacht mag worden, ook wel een paar vragen bij het boek. De auteurs schrijven dat ze in hun studie scherp in beeld willen houden wat de uitdagingen van het huidige onderwijs zijn. Ze geven ook aan waar ze dan concreet aan denken (ik citeer): “Een maatschappelijke context waarin inclusiviteit, seksuele diversiteit, tolerantie en burgerschapsvorming hoog op de agenda staan, stelt vragen aan de visie op christelijk leraarschap” (p. 19). Inderdaad, dat zijn precies de vier thema’s uit de huidige onderwijspraktijk waar het vandaag maatschappelijk en theologisch spannend is. Vanuit deze vragen “waar de westerse cultuur ons voor stelt” zoeken ze de auteurs “opnieuw naar de aansluiting bij de normatieve bronnen van onze [christelijke, meer bepaald: reformatorische – al is het opvallend dat dat woord ontbreekt] traditie” (20). Dat is spannend, en als lezer ga je onwillekeurig vast op het puntje van je stoel zitten – want hoe gaan ze dit doen?

Maar dat lijkt toch niet helemaal nodig, want de auteurs komen in het vervolg van hun boek eigenlijk nauwelijks op deze concrete vragen en thema’s terug. Mogelijk zullen ze repliceren dat het hen om een onderliggend discours begonnen is (wat zeer verdedigbaar is – je wilt zo’n fundamenteel boek ook niet actualistisch maken), en dat ze het aan het zelfsturend vermogen van de lezer overlaten om lijnen door te trekken naar allerlei concrete situaties. Maar zo eenvoudig is dat laatste nog niet. Want hoe doe je dat bijv. precies als christelijke leraar: leerlingen gidsen in hun eigen (voor een deel theocratisch-georiënteerde) traditie en anderzijds met een positieve insteek lesgeven over religieuze diversiteit, zoals de overheid vraagt? Ik verwijs nu even naar de problematiek waar Hanna Markus afgelopen maandag op gepromoveerd is. Nog gevoeliger ligt het punt van de diversiteit qua gender en seksuele oriëntatie/levensstijl. Het woord ‘gender’ komt een keer of vier voor, maar eigenlijk steeds in rijtjes met allerlei andere variabelen (qua klasse, ras, inkomen etc.) en wordt dus niet apart gethematiseerd. Voerde dat te ver? Of laten zich inderdaad lijnen doortrekken vanuit wat de auteurs wel schrijven? Erg mooi is wat ze schrijven over het centrale belang van sociale veiligheid: “Op een christelijke school dient ieder zich veilig te voelen. (…) Dat vraagt om een open houding, waarbij er niet geoordeeld wordt over leerlingen, bijvoorbeeld op basis van wat bekend is over hun achtergrondkenmerken” (p.244). Maar daarbij lijken de auteurs blijkens het vervolg primair aan sociaal-maatschappelijke klassen en kansen te denken, niet zozeer aan gender. In elk geval: laten ze christelijke leerkrachten toch niet een beetje in de kou staan, door hier niet door te pakken, en ook in te gaan op deze voor reformatorische scholen ingewikkelde problematiek hoe je recht doet aan seksuele en gender-differentiatie onder leerlingen en in de samenleving?

Opvallend is in dit verband dat de auteurs in een ook alweer gedegen hoofdstuk hun antropologie opzetten van het fundamentele christelijke inzicht dat mensen geschapen zijn naar het beeld van God. Dat is ook in mijn ogen inderdaad nog altijd een cruciaal richtinggevend concept. Heel goed dus, en de auteurs werken het ook fraai uit in een zorgvuldige weging van de diverse interpretaties die van het imago Dei in verleden en heden gegeven zijn. Maar is het goed beschouwd toch ook weer niet te weinig, omdat juist dit concept alle verschillen tussen mensen en leerlingen relativeert? Je kunt aan de ene kant zeggen: dat is precies de bedoeling, want juist zo kan de gelijkwaardigheid en uniciteit van alle leerlingen benadrukt worden. Inderdaad. Maar daarna en daarnaast zal er in een christelijk mensbeeld toch ook aandacht moeten zijn voor de verschillen tussen mensen en groepen mensen, want die zijn immers wel medebepalend voor hun identiteit. Dat geven de auteurs ook wel toe. Maar ben je er dan met ze te plaatsen “in het grote kader dat de leerling naar Gods beeld is geschapen” (99)? Gelukkig wijzen De Muynck en Kunz verderop wel op de diversiteit die er is in het gemeenschapsideaal van de chr. gemeente, waarbij de bekende passage uit 1 Kor. 12 als motto dient (p.236). Het gaat hier natuurlijk om een ecclesiologische categorie, maar terecht passen de auteurs dit kerkelijk ideaal ook toe op de onderwijspraktijk.

Dat brengt hen ertoe om op één heikel punt uit de huidige maatschappelijke discussie als ik het goed zie wel een belangrijke, en wat mij betreft ook wel opmerkelijke, stap te zetten. Dat betreft de kwestie van het zogeheten toelatingsbeleid van christelijke scholen. Ook daarover gaat het niet expliciet. Maar de auteurs werken in hoofdstuk 9 wel het concept van de herbergzame school uit, en geven daar een diaconale spits aan. Ik citeer: “(…) de christelijke school (…) is gericht op dienstbaarheid aan leerlingen. Daarbij zijn ook zij die niet gedoopt zijn, uitgenodigd om deel uit te maken van de gemeenschap. (…) In een herberg is men welkom, zonder dat iemand eerst getoetst wordt op kwalificaties, is men veilig en er is een sfeer van geborgenheid” (p. 239). Kenners voelen hier laat ik maar zeggen het oud-hervormde hart van de auteurs kloppen, het kersteningsideaal dat nooit helemaal uit de voeten kan met het groepsdenken van de reformatorische gezindte. Het blijft allemaal impliciet, maar hier lijkt toch wel een interne confrontatie plaats te vinden waarbij de auteurs duidelijk maken waar ze staan. Misschien mag ik hen uitnodigen om dit dan ook maar wat meer expliciet te maken. Zijn ze er inderdaad een voorstander van om ook in het reformatorisch onderwijs van leerlingen en hun ouders alleen nog een respecteren van de grondslag van de school te vragen en niet langer een instemmen ermee? Dat is wel wat je van een herbergzame school mag verwachten. Anders ligt het natuurlijk met het personeel. Aan het personeel van de herberg mag je hoge eisen stellen qua identiteit en kwaliteit. Juist voor dat herbergpersoneel is dit boek bedoeld, en misschien zou je kunnen zeggen dat als dat zich inderdaad door een boek als dit laat gidsen, we er ook wel enig vertrouwen in mogen hebben dat de identiteit van de school niet snel zal verwateren wanneer overgegaan wordt op een open toelatingsbeleid in de richting van leerlingen. Hoe dan ook, ik ben dus benieuwd of de auteurs inderdaad bereid zijn de herbergzaamheidmetafoor waarin ze hun uitgangspunt nemen op deze wijze te concretiseren. Dat is niet onbelangrijk, want wie in staat is om een zo grondige en instructieve studie als Gidsen op tafel te leggen, diens stem doet er voortaan toe in onderwijsland.

Gijsbert van den Brink                                                                                            Apeldoorn, 29 juni 2022

Nikolaas Sintobin

Pierre Favre (1506 – 1546) groeide op in Villaret, een gehucht in de Franse Alpen, als eenvoudige herdersjongen. Hij was danig briljant dat hij uiteindelijk terechtkwam aan de Parijse Sorbonne om er theologie te studeren. Favre woonde er in een studentenkamertje samen met Ignatius van Loyola. Pierre werd de mentor van de wat oudere Ignatius die moeizaam studeerde. Op zijn beurt werd Ignatius de geestelijk begeleider van Pierre. Later zouden ze met enkele andere gezellen de Sociëteit van Jezus stichten, beter bekend als de jezuïeten.

Gidsen

Gidsen’ van Bram de Muynck en Bram Kunz is een handleiding voor christelijke schoolpedagogiek, bedoeld voor masterstudenten pedagogiek, lerarenopleiders en beleidsmakers. Leraren worden in dit boek gezien als gidsen die leerlingen richting wijzen. Vanuit een christelijk perspectief leiden zij de leerlingen in de wereld en nodigen ze uit zich daartoe te verhouden. In dit boek wordt verkend hoe christelijke idealen over mens en wereld zich verbinden met pedagogische uitdagingen van de maatschappelijke context. 

< Terug