< Terug

Herdersmuziek

Deze blog is oorspronkelijk verschenen in De Orgelvriend 2021, nr. 6. Ben je benieuwd naar meer materiaal uit dit nummer? Lees, beluister en bekijk de download, het geluid en de video van de maand hier! Er is ook een voorproefje van het nummer.

Op de heide rond Laren moet je niet verbaasd opkijken wanneer je weer eens oog in oog komt te staan met een kudde schapen. Onlangs keerde na 56 jaar de schaapskudde van het Goois Natuurreservaat terug naar Laren, waar een nieuw onderkomen werd geopend met plaats voor 400 ooien met lammeren.

We kennen het beeld: een schaapherder leidt samen met zijn hond, die achter en opzij van de kudde heen en weer rent, de dieren in de juiste richting. Het pastorale tafereel is vele malen geschilderd door Anton Mauve (1838-1888), die tot de Haagse school behoorde maar ook door het landschap rond Laren werd geïnspireerd en zich er in 1885 vestigde. Heidelandschappen met schaapskudden was een van zijn specialiteiten. Maar een schalmei, hét instrument van de herder, tref ik niet op zijn schilderijen aan. Slauerhoff dicht in De schalmei: “Laat mij spelen in de schaduw van mijn korte rustige vallei.”

De pastorale

Onder een pastorale (herdersmuziek) verstaan we een ontspannen makkelijk in het gehoor liggende compositie in landelijke sfeer met een aangename cadans van een 6/8 of 12/8 maat, vaak in F gr.t., terwijl het ontspannen karakter door lang aangehouden bastonen wordt onderstreept. De herders uit het kerstverhaal vormen een belangrijke inspiratiebron: in deel 1 van de Messiah van Händel en aan het begin van de tweede cantate van Bachs Weihnachtsoratorium.

Ook de pastorale uit het Concerto grosso opus VI nr. 8 ‘Fatto per la notte di Natale’ (= ‘Geschreven voor de Kerstnacht’) van Corelli (1653–1713) mag er zijn. De levendige muziek echter in ‘Intermedium 3’ uit de Weihnachtsgeschichte van Schütz voor twee fluiten, fagot en continuo drukt eerder de haast uit waarmee de herders zich naar Bethlehem willen spoeden nadat ze het bericht van Christus’ geboorte van een engel hebben gehoord dan een landelijke sfeer.

Geleidelijk verandert de pastorale van karakter. In plaats van herdersmuziek wordt de natuur in zijn algemeenheid uitgebeeld, en zelfs nog meer. Uit de beschrijvingen bij Beethovens Zesde Symfonie, de ‘Pastorale’, krijgen we de indruk dat er in de omgeving van een beek sprake is van een vrolijk samenzijn van landmensen dat door onweer en storm wordt verstoord, waarna in een herderslied vreugde en dankbaarheid doorklinkt. En heel landelijk, aan het eind van deel 2 laten drie vogels zich horen, Beethoven vermeldt ze in de partituur: een nachtegaal, een kwartel en een koekoek.

Het orgel en de pastorale

Laat ik mij beperken tot het orgel, ik noem mijn favorieten. De drie beroemdste pastorales zijn die van Zipoli, Bach en Franck. Domenico Zipoli (1688–1726) – Italiaan van geboorte maar later werkzaam in Paraguay en Argentinië – componeerde een Pastorale die je van blad kan spelen. In al z’n eenvoud is het een fijnzinnig uitgebalanceerde compositie met twee hoekdelen die aan elkaar verwant zijn en een levendig tussenstukje. In het derde deel voor de piva, een tongwerk, ontstaat door een geraffineerde chromatiek een milde melancholie.

Het eerste deel van Bachs 4-delige Pastorella BWV 590 heeft wel iets van de sfeer van Zipoli, de andere drie delen munten uit door lichtvoetigheid en cantabiliteit.

Francks Pastorale uit 1863 is een driedelige idyllische compositie met een sterk contrasterend middendeel voor de trompette van het Récit. Widor en Vierne schreven melodieuze pastorales, Guilmant componeerde onder meer een curieuze pastorale voor piano en harmonium, terwijl Gigout in zijn Dix Pièces niet achterbleef.

Heide bij Laren, Anton Mauve, 1887. Olieverf op doek, h 77cm × b 104cm (bron: RIJKSMUSEUM, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.9023)

Ook de technisch veeleisende maar helaas weinig gespeelde Pastorale van Jean Roger-Ducasse (1873–1954), student van Fauré, behoort tot mijn favorieten. Het werk begint verraderlijk eenvoudig in een rustig wiegende 12/8 maat zoals bij Zipoli en Bach, maar ontwikkelt zich tot een imposant symfonisch gedicht met grote climaxen waarin het hoofdthema van alle kanten wordt belicht.

De vriendelijke Pastorale in G gr.t. (1942) opus 229 van Milhaud speel ik graag. Om sfeervol te schrijven heeft Milhaud niet veel noten nodig. In het kolossale orgeloeuvre van Reger vinden we slechts twee pastorales, in opus 59 en opus 65, beide in 6/8 maat en als trio ingericht. Ook in de sonates van Rheinberger zijn er enkele.

De Nederlandse pastorale

Ik blijf wat dichter bij huis. Aan de Nederlandse orgelliteratuur van de vorige eeuw voegde Jan Nieland een vindingrijke Pastorale toe, deze keer nu eens niet in 12/8 of 6/8 maar in 4/4, de coda is heel origineel. In de Tien Orgelwerken (1944/45) van Albert de Klerk staat een Pastorale, eveneens ingericht als trio. Hendrik Andriessen schreef een zelden gespeelde Pastorale (1962?), waarin we zowaar een beetje Mahler kunnen bespeuren.

Hoe omvangrijk en pittoresk sommige pastorales ook zijn, herders die “in een rustige vallei” onbezorgd op hun schalmei blazen herkennen we er nog vaak genoeg in.

< Terug