< Terug

Het Bijbelse spreken over huwelijk en seksualiteit

Door Rinse Reeling Brouwer, bij de boekpresentatie van Genot en gebod OBA 14 december 2019

Voor een theoloog is de kerkgeschiedenis een door de Bijbelse boodschap gevormd stuk wereldgeschiedenis, een geschiedenis van verloochening en betuiging, van vertekening en vernieuwing van Torah en Evangelie.

Ik neem voor het verslag van mijn leeservaringen van het bericht van twee eeuwen Nederlandse Kerkgeschiedenis op een specifiek veld, dat ons is voorgelegd, daarom mijn uitgangspunt in de herinnering aan enkele lijnen in het Bijbelse spreken over huwelijk en seksualiteit, zoals ik dat versta.

I-a

In de Torah staat de vraag centraal naar de voortgang van generatie naar generatie, de reproductie van dit volk van dit verhaal, dit verhaal met dit volk. Vandaar de regulering van de reproductie van de gemeenschap, en van de daarmee gegeven genderverhoudingen, vandaar de incestverboden (Lev. 18; 20). Maar eigen aan dit verhaal, de toledot, zijn tegelijk ook de afwijkingen: de manlijke stamhouder wil alsmaar niet geboren worden, telkens blijkt niet de eerste maar de laatste de eersteling te zijn, en in het hoofdstuk over de mens (de man?) op de akker staat het precies omgekeerd als het verderop onder de aartsvaders en de aartsmoeders zal gaan: ‘een man verlaat zijn vader en moeder en hangt zijn vrouw aan / en zij worden één vlees’ (Gen. 2:24). Het perspectief in de tuin is dus net anders dan het perspectief van de geschiedenis zoals die haar reproductieve loop heeft. En in die twee perspectieven verschijnt ook het motief van de naaktheid: in de tuin ‘waren zij naakt, zij beiden, de mens en zijn vrouw, en zij schaamden zich niet’ (Gen. 2:25). De mens is naakt, en heeft de hulp van een tegenover nodig, de trouw van wie hem tegemoet komt, de troost van een aanwezige ander. Anderzijds, in het perspectief van het wantrouwen tegen een goed woord dat gesproken is, heet het: ‘zij onderkenden dat zij naakt waren … en zij maakten zich gordels’ (Gen. 3:7): die ander verschijnt dan als de potentiële tegenstander, tegen wie het zaak is zich te wapenen. Mens-zijn, dat is niet eerst het een en dan het ander, maar én het een én het ander.

Bij de profeten staat voor het huwelijk (maar ook voor een band als die tussen David en Jonathan) een woord centraal dat in het tuinverhaal verondersteld is maar niet klinkt: berit, verbond. Ted Van Gennep, de rapporteur van het door de hervormde synode in 1972 verworpen minderheidsrapport, heeft het gezien maar maakt het wat rozig. Calvijn, die het ten grondslag legde aan de uitvoerige jurisprudentie in het Geneefse consistoire rond kwesties van seks en huwelijk in de avondmaalstucht, zag beter de kritische kracht ervan. De Here is de jaloerse minnaar die voortdurend de neiging van zijn beminde om andere goden na te lopen beklaagt, en er is wel de gelijkenis tussen het huwelijk van de Here en Israël met dat van man en vrouw, maar dan moet de man op de aarde niet voortdurend zijn vrouw wegzenden en zonder rechten laten (Mal. 2:13-16 is hier Calvijns sleuteltekst). Naarmate de uitlegger de verhouding tussen analogans en analogatum, de te vergelijken zaak en de gelijkenis nauwer aanhaalt, is er in het sociale verkeer minder ruimte aan een eenmaal aangegane verbintenis te ontsnappen.

Ook Jezus, in het evangelie, biedt die ruimte nauwelijks (Mat. 19; vgl. ook Ef. 5:22-33): zo onverbrekelijk als de band in den beginne was, dient ze te blijven. De analogans is hier alles beheersend: Jezus geeft zijn inzet voor de jonkvrouw Sion, hoe trouweloos ze ook is, niet op en houdt haar vast. Dat heeft tot gevolg, voor zover wij uit de evangeliën kunnen opmaken, dat hij voor het overige een ongetrouwde rabbi blijft.

En dat is voor de apostel Paulus niet anders. Voor zichzelf verkiest hij de volstrekte beschikbaarheid voor zijn Meester, die komende is, want de tijd die rest is samengedrongen, ingekort (1 Kor. 7:29). En wie niet anders vermag te kiezen dan een leven binnen deze bestaande wereldtijd die verdwijnt, laat die huwen en binnen de echtvereniging de noodzakelijke wederzijdse trouw beoefenen, maar laat die ondertussen wel beseffen onder welk een voorteken dit huwelijksleven staat.

I-b

Met dat al heb ik over het Bijbelse spreken over het huwelijk het een en ander, over dat over seksualiteit nog nauwelijks iets gezegd. Dat klopt ook wel, als we bedenken dat we van Michel Foucault hebben geleerd dat seksualiteit een concept is dat in de moderniteit is uitgevonden, en dat we niet dan met moeite op eerdere tijden kunnen terug projecteren. In het vierde deel van zijn Geschiedenis van de seksualiteit, dat vorig jaar eindelijk postuum is verschenen, onderzoekt hij de rol van het christendom in de voorgeschiedenis van het concept. Het nieuwe daarvan ziet hij vooral als gelegen in de bekentenis: wie zegt gedoopt te zijn tot een nieuw leven in omkeer, moet bij zichzelf toegeven dat hij of zij toch nog met vele draden vastzit aan de oude wereld die voorbijgaat. Dat moet zo iemand voor Gods aangezicht eerlijk onder ogen zien. Een onderzoek naar de ziel is nodig, zelfkennis, maar vooral ook confidentie. En hier komt, bij de ascetische gemeenschappen, de figuur van de abt te hulp. Deze is een pastor, want (dat is voor Foucault belangrijk) geen politieke machthebber, maar een geboortehelper van de bekentenis. Hij helpt de boeteling bij een nietsontziende eerlijkheid, niet louter tegenover de pastor die alleen in afgeleide zin om gehoorzaamheid vraagt, maar tegenover het Woord van God zelf. Hier ligt het begin van een type zelfonderzoek dat later de basis zal leggen voor de benoeming van de eigen (ook seksuele) identiteit en dat zich inmiddels, na eeuwen, vanuit de bescherming van de kloostercel verplaatst heeft naar de publieke ruimte van de sociale media.

Tot zover de ruwe schets van het spreken van Bijbel en vroege kerk over huwelijk en seksualiteit, waarvan ik nu contouren ga proberen te herkennen in de uitleggeschiedenis in het protestantse Nederland vanaf de Bataafse en de Franse tijd, waarvan het Jaarboek ons verhaalt.

II

Eerst nog een enkel woord over de reformatie, die toch een onmisbare schakel vormt tussen de oorsprong en de modernen. Zij zag zich geconfronteerd met een priester- en monnikenwezen, dat niet meer onder de spanning leefde van de weinige resterende tijd die een klem zet op de dringend nodige omkeer, maar dat zich zelf als machtsinstituut in de oude wereldtijd had genesteld. Weg daarmee, en hervind de boete midden in het wereldlijke leven! Dáár is er voor de vroegere celibatair een ruimte, waarin de ander op hem en haar toe kan komen in de behoeftigheid, de naaktheid (Gebod en genot 7). En daar bestaat ook de noodzaak tot een herordenen van de eigen functie van de kerk in verhouding tot die van de magistraat in de regelingen van de reproductie van generatie tot generatie, in het bijzonder in regelingen en handelingen rond het huwelijk. De duiding hiervan staat onder het voorteken van de leer van de apostel, dat het huwelijk behoort tot die wereld die spoedig voorbijgaat, en waar mensen in hun naaktheid een toevlucht behoeven en zich moeten wapenen tegen de boosheid. Denk aan het nietsontziende realisme van het oude formulier: ‘overmits aan de gehuwden gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis van wege de zonde toekomt…’ (8 onder).

Maar de Verlichting zegt: zo erg is het nu ook weer niet met ons gesteld! En de romantiek voegt toe dat er in het huwelijk toch heel wat aan mooie gevoelens te beleven valt! Het jaarboek laat die ‘emotionalisering’ en ‘verhuiselijking’ zien aan de hand van de introductie van de Trouwbijbel voor het huisgezin (9). Dat is de andere kant van het gegeven, dat de kerk steeds minder bij machte is ‘vanuit de Bijbelse boodschap vorm te geven aan een stuk wereldgeschiedenis’, maar de culturele ontwikkelingen volgt en op eigen wijze invult – zij het met mate, want de radicale romantiek, die in naam van de liefde iedere band van verdrag en contract ook tussen echtelieden voor niet-authentiek verklaart, vindt in het burgerlijk-kerkelijke Nederland geen navolging. Het Jaarboek toont die volgzaamheid jegens de gangbare trends aan de hand van de kerkordelijke ontwikkelingen, waarbij alleen het hervormde synoderapport Het huwelijk uit 1952 voor een moment nog iets anders pretendeerde te bieden, namelijk een poging tot interventie in die trends (25, 29).

Als kerkelijke vergaderingen er niet uitkomen, is er gelukkig meestal het initiatief van voortrekkers. De bijdrage over de Middernachtzending, bedreigd door de politie die liever de bordeelhouders en de zogenaamd deftige bordeelbezoekers beschermt (47v.) dan de vrouwen die in hun naaktheid en kwetsbaarheid zijn aangewezen op wie hen tegemoetkomt en opricht, is ontroerend om te lezen – al beseffen we inmiddels dat vrijwel geen enkele beleidsmaatregel, voor hier op de wallen en elders, meer dan tijdelijk opluchting biedt.

Hoe dan ook: zo werd tenminste een poging gedaan, in het licht van het evangelie voor hoeren en tollenaars tot nieuw handelen en tot nieuw verstaan te komen in de eigen tijd. In contrast daarmee, ook als de betrokkenen zelf dat contrast misschien niet zo hebben gezien, staat voor mij de vermelding dat Abraham Kuyper een lezing van de privaatdocent criminele antropologie Arnold Aletrino op een internationaal congres aan de Gemeente-Universiteit over ‘La situation sociale de l’uraniste’ uit 1901 gebruikte om de leden der Staten-Generaal ervan te overtuigen dat de rechten van zijn Vrije Universiteit nu zeker moesten worden uitgebreid, want een ieder zou toch begrijpen dat de zijnen aan zulk een wetenschapsbedrijf niet mee konden doen (79-81)! Ik had er jaren geleden al van vernomen, maar het schokte me opnieuw. Goed, Aletrino oriënteert zich op het naturalisme van zijn tijd, maar zijn inzichten – gegeven het inmiddels dominante medisch-biologische discours – klinken van ons uit gezien weldadig: seksualiteit is niet per se gekoppeld aan voortplanting, er is zoiets als aanleg tot homoseksualiteit, en een degeneratie (zeker in de sociaal-darwinistische zin van Lombroso) is het niet. Zulke nuchtere inzichten zijn in de Bijbel niet te vinden, maar wie vanuit de Bijbel attent is voor kwetsbaren aan wie een waardig bestaan onthouden wordt, had er verheugd over kunnen zijn. Waarom liep de christelijke wetenschap à la Kuyper, als die er al moet zijn, niet voorop in zulke inzichten, maar bleef ze in het oude, in heel andere contexten te verstane, vertoog bevangen van ‘de zonde waarom door God eens steden in een zoutdal veranderd zijn’ (76)? De kerkgeschiedenis, zei ik, toont ‘vertekening en vernieuwing van Torah en Evangelie’. Het is onze erfenis, dat de vertekening het in die ure won van de vernieuwing. Ja, ik weet: we moeten niet oordelen over de geschiedenis en we bidden om ontferming voor de fouten van het voorgeslacht. Maar toch: was het in de Nederlandse christenheid anders gelopen, dan was ons de ellende van artikel 248bis en van de op grond van dat artikel veroordeelden, zoals Piet Meertens (111), bespaard gebleven.

Tot de ‘vertekeningen’ behoort van ons nu uit gezien, ook de incorporatie van een aantal wanen van de dag in de weergave van de Bijbelse boodschap, die het Jaarboek ons schetst. Ik noem er  twee. De eerste is het dóórdringen ook in allerlei christelijke voorlichtingsboekjes voor jongens en meisjes in de puberleeftijd (58vv.) van het in de Verlichting opgekomen offensief tegen masturbatie, opgeblazen met een reeks aan monsters van ziekten die de zelfbevlekking tot gevolg zou hebben. Ik herinner mij daar uit mijn eigen jeugd nog de laatste uitlopers van. De christelijke variant wil, dat uit de Genesis-uitspraak ‘het is niet goed dat de mens alleen is’ (Gen. 2:18a) de conclusie volgt dat wat de mens in zijn eentje uitspookt zonder de hulp van de ander hoe dan ook niet deugen kan. Het is verhelderend om te lezen, hoe pedagogen als Kohnstamm sinds de jaren twintig een uitweg probeerden te bieden uit de ontstane paniek over het vers ontdekte puberbestaan, ook al kon hij aanvankelijk moeilijk anders inzetten dan bij een morele oproep tot tucht en zelfbeheersing. Kohnstamm betoogde dat het een fout was van het christendom om in seksualiteit iets minderwaardigs te zien, alsof de zonde in het lichaam zou ontstaan, en dat ‘seksualiteit er al was in het paradijs voor de zondeval’ (97) – wat voor mij wel niet geheel de juiste terminologie is, maar toch iets anders zegt dan de Griekse kerkvaders die de Adam van vóór de val voor een engel hielden en dan Augustinus die meende dat Adams wil toen zijn mannelijk lid geheel in bedwang had.

Homoseksuele oriëntatie

Het tweede, in het jaarboek besproken, fenomeen dat ik als vertekening van het Evangelie zie, is de opvatting dat de bevrijding waarvan het Evangelie spreekt ook kan inhouden dat een mens zich van zijn homoseksuele oriëntatie geneest. Uiteraard is dit geen vertekening op voorhand. Aangezien de benoeming van de homoseksueel een historisch gegeven is, moesten ook de mogelijkheden en onmogelijkheden van dat gegeven experimenteel nog blijken – tot het met komst van de Heer nog weer anders blijkt te liggen en de dag aanbreekt dat er gelijk bij de engelen in de hemel geen sprake meer is van de hele problematiek rond verwantschap en reproductie van de genderverhoudingen (Mat. 22:30parr.). Maar goed, experimenteel is gebleken dat die evangelische voorlieden, die met veel aplomb een methode tot genezing aanboden, zelf daardoor uiteindelijk niet bleken te zijn geholpen (141, 147, 148). Voorbij zal het verschijnsel niet zijn, het is zelfs te verwachten dat het wereldwijd nog meerdere pieken zal meemaken, waarbij verbieden niet zal helpen (149), maar wie de geesten onderscheidt weet dat deze Verleider van de heteronormaliteit als de bliksem uit de hemel is gevallen.

Tegenover de vertekening van het Evangelie staat als gezegd de vernieuwing. Voor mij zijn de predikanten Klamer, Brussaard en pater Gottschalk (131) pastores geweest naar de karakteristieken die Foucault daaraan verbindt: de herder die degenen, hem toevertrouwd, helpt de hoogst individuele waarheid voor zichzelf te ontdekken en uit te spreken voor Gods aangezicht, én die de zijnen naar buiten toe verdedigt tot het uiterste. Zonder zulke behoeders hadden wij homo’s en lesbo’s niet vervolgens ook zelf publiekelijk het woord kunnen nemen. De Schrift rekent ermee dat er telkens weer zulke herders opstaan (Ez. 34:23) – en ze zúllen opstaan.

Dat brengt me tot een laatste waarneming. In de zelforganisatie van homo’s Hart voor Homo’s, zo vertelt de slotbijdrage van het jaarboek, leeft de drijvende kracht van die beweging celibatair maar noemt zichzelf nadrukkelijk homoseksueel (167). Dat is dus aan de vertekening van bevrijding als genezing voorbij, en dat is winst. Tegelijk ligt er hier vanuit de schets die mijn beginpunt vormde toch een vraag. Voor Paulus immers was zijn, als je dat zo noemen wilt: celibataire, beschikbaarheid geen concessie maar hoogste roeping, terwijl juist het aangaan van huwelijkse banden in de wereld die voorbijgaat een concessie kan worden genoemd, zij het de onder omstandigheden beste concessie – en dat geldt dan dus ook voor het homohuwelijk. Nu is de beslissing om de Nashville-verklaring ook in Nederland te verspreiden, zo lees ik, mede tegen dat ‘wel celibatair, maar homo’ gericht. Het mag niet, want homoseksualiteit als genderidentiteit mag niet. Maar de spanning van de ingekorte tijd, die het apostolaat van Paulus kenmerkt, is daarmee helemáál achter de horizon verdwenen. De slotbijdrage stelt vast, dat op een schaal van elf (niet noodzakelijk elkaar volgende) door David Bos onderscheiden acceptatiestadia, de reformatorische beweging momenteel precies halt houdt op de drempel van stadium 8, dat is: de ‘herbezinning op de heilige schriften’ (159vv.). Tsja. Waaruit anders is de reformatie ooit opgebloeid dan vanuit een ‘herbezinning op de heilige schriften’? Geachte reformatorische zusters en broeders, wat doet ge, als ge uitgerekend hier halt houdt? Durft eraan te beginnen! Bezint u op de schriften, daalt af in uw ziel en keert om, en komende kerkhistorici zullen van een wonder kunnen berichten.

Gebruikte literatuur (in volgorde van optreden)

Karl Barth, Einführung in die evangelische Theologie, Zürich: EVZ 1962, 194f.

Dick Boer, Verlossing uit de slavernij. Bijbelse theologie in dienst van bevrijding, Vught: Skandalon 2009, 182-195.

F.O. van Gennep, Mensen hebben mensen nodig. Een studie over seksualiteit en nieuwe moraal, Baarn: Bosch en Keuning 1972.

John Witte Jr. en Robert M. Kingdon, Sex, Marriage and Family in John Calvin’s Geneva, I. Courtship, Engagement and Marriage, Grand Rapids: Eerdmans 2005.

Michel Foucault, Les aveux de la chair. Histoire de la sexualité 4, édition établie pas Frédéric Gros, Paris: Gallimard 2018, 121-127; 249ff. ; 366-395.

Maurice van Lieshout, ‘Stiefkind der natuur. Het homobeeld bij Aletrino en Von Römer’, in: Homojaarboek 1, Amsterdam: Van Gennep 1981, 75-105.


Genot en gebod

genot en gebod

De seksuele revoluties van de late negentiende en de twintigste eeuw zijn niet voorbijgegaan aan Nederlandse protestanten. Veel wat eerder uit den boze heette, werd ook voor hen oorbaar of althans bespreekbaar. Vandaag de dag geldt seksualiteit – met name homoseksualiteit – als een identiteitsbepalend onderwerp, waarover ze hartstochtelijk van mening verschillen. Historisch onderzoek op dit terrein is echter betrekkelijk schaars.

Deze bundel beschrijft en analyseert hoe ‘het geslachtsleven’ van betekenis is geweest voor pogingen van Nederlandse protestanten om gestalte te geven aan hun geloof. Daarbij gaat het onder meer over prostitutiebestrijding en preventie van masturbatie, over seksuele opvoeding en karaktervorming, over kerkelijke regels inzake het huwelijk en de herkomst van ‘de trouwbijbel’, over homoseksualiteit als schrikbeeld in vroeg twintigste-eeuwse politieke debatten en als terugkerend – maar veranderlijk – thema in het Reformatorisch Dagblad, over de opkomst van ‘de ex-homo’ en over de manier waarop P.J. Meertens – vereeuwigd door J.J. Voskuil in Het Bureau – mystiek aan erotiek paarde, en feit aan fictie, maar de daad bij het woord voegde.

Met bijdragen van Matthijs Appelman & Ruard Ganzevoort, David Bos, Jacques Dane, John Exalto, Dieke Heijboer-Paul, Klaas-Willem de Jong, Jolanda van der Lee en Theo van der Meer.

< Terug