< Terug

Het virus van de trottelziekte door Jan Schinkelshoek

Dit artikel verscheen ook in het Ouderlingenblad, oktober 2020.

De meeste mensen deugen, maar zijn ook geneigd tot alle kwaad. Daarom sluiten we de gevangenissen niet. Met vallen en opstaan moet de politiek met die ‘verdorvenheid’ leren omgaan. Hoe? Jan Schinkelshoek grijpt terug op het christelijk realisme van de bijna vergeten theoloog Reinhold Niebuhr. Maar het blijft aanmodderen…

Wel eens van het monster Trotteldrom gehoord? Het is een geheimzinnige plaag die al weer een tijdje geleden in hoogst eigen persoon gesignaleerd is door Ollie B. Bommel op het eiland Trottel. Het lijkt naar het vasteland over te waaien. Ook in Nederland is het al gesignaleerd.
Het welvarende, vredelievende, gelukkige en vooral democratische eiland Trottel – een eiland dat niet is áchter gebleven, maar vóór-geraakt – wordt van tijd tot tijd getroffen door orkaanachtige vernielingen.

Dat neemt zulke epidemische vormen aan dat Heer Ollie en Tom Poes te hulp worden geroepen. Persoonlijke ongelukken doen zich bij die ramp gelukkig niet voor. Gewaarschuwd door een geheimzinnig voorgevoel, duiken de bewoners diep weg in holen en gaten, zodra het onbestemde, slangachtige monster zich aankondigt. Als de orkaan is uitgewoed, komen de Trotten weer te voorschijn – om verdwaasd rond te kijken naar de verwoestingen die zijn aangericht.

Wat blijkt? Je moet Tom Poes zijn om het te ontdekken: de Trotteldrom is niks anders dan een onberedeneerde uitbarsting van ergernis, frustratie en onbehagen van de Trotten zelf. Er deugt iets niet bij die lieden. Aangestoken door eigen angst en onzekerheid, vormt dat volk zich onder de oppervlakte om tot een allesvernietigende massa die in grote drommen nietsontziend de eigen beschaving onder de voet loopt. Het is een kennelijke vlaag van regelmatig terugkerende verstandsverbijstering. De Trotten weten niet wat ze doen. Als de rust is weergekeerd, kijken de eilandbewoners bij daglicht verwonderd rond naar wat ze zelf hebben kapot gemaakt.

In de ban van negativisme

Zou Rutger Bregman het verhaal over de Trotteldrom kennen? Of heeft hij het al jaren geleden binnenste buiten gekeerd, gefileerd en kapot geanalyseerd als al die andere verhalen over mensen die niet deugen? Voor mij is het, binnen en buiten de Tweede Kamer, heel herkenbaar. Het virus van de trottelziekte waart al sinds mensenheugenis mysterieus rond. Ook Nederland – een van de welvarendste, democratische landen ter wereld – is soms zo in de ban van schouderophalen, negativisme, cynisme en zelfs zelfbeschadiging dat het lijkt alsof niets meer deugt.

Er bestaat zoiets als een bijna collectieve drang tot zelfvernietiging, misschien wel de aantrekkingskracht van de afgrond. Het gruwelijkste voorbeeld is hoe Europa vanuit het Belle Epoque van de late negentiende eeuw zich als een slaapwandelaar in de verwoestende Eerste Wereldoorlog heeft gestort, een oorlog die alles kapot heeft gemaakt.

Dat alleen al lijkt me voldoende om je niet over te geven aan een al te optimistisch, opgewekt, laat staan rooskleurig mensbeeld. Je hoeft er de barbarij van de nazi’s, de gruwelen in de Goelag-archipel, de bloedige Culturele Revolutie niet bij te slepen – wil ik maar zeggen. Evenmin Srebrenica. En ook niet over klimaat, bewapening en criminaliteit te beginnen. Of slavernij en racisme. Er klopt iets niet…

‘Verdorvenheid des menselijken geslachts’

Het zit diep bij me. Ook ik ben opgevoed met de Heidelbergse Catechismus. Ook ik heb uit het hoofd moeten leren dat de mens ‘ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad is’. En ik kan nog steeds citeren uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘Wij geloven dat onze goede God, uit oorzaak van de verdorvenheid des menselijken geslachts, overheden verordend heeft, opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega.’

Dat zal ongetwijfeld z’n sporen hebben nagelaten – ook al ben ik niet zo’n zwartkijker. Je kunt aan mensen veel overlaten. Zelfs als je gelooft dat het kwaad het goede aangevreten heeft, zoals roest ijzer aantast. De in zonde gevallen, door het kwaad aangetaste mens – zo ongeveer heeft de calvinistische theologie het meer of minder trefzeker willen zeggen – kan (dankzij genade) fantastische dingen voor elkaar krijgen. De geschiedenis is niet alleen maar een lange lijdensweg van diepe treurnis en grote rampen. Er is, door menselijk toedoen, heel wat indrukwekkends tot stand gekomen. Over heldenmoed, Zivilcourage en doorzettingsvermogen zijn boeken volgeschreven – om over alledaagse burgerlijke deugdzaamheid maar te zwijgen.

Maar toch.
Er klopt iets niet.

‘De mens heeft de vrijheid om een deugdzame zondaar te zijn’, schreef de Zwitserse gereformeerde theoloog Emiel Brunner in het midden van de vorige eeuw, ‘maar niet de vrijheid om geen zondaar te zijn.’

Overmaat aan optimisme

Daarom is het verstandig je in de politiek niet over te geven aan een overmaat aan optimisme. Dat straft zichzelf steeds weer af, zo leert de ervaring. In de jaren ’70 geloofde niet de eerste de beste dat straffen geen zin hadden, dat je geen gevangenissen behoefde te bouwen. Om de criminaliteit terug te dringen, was het veel effectiever om maatschappelijke misstanden aan te pakken, te investeren in de aangeboren of veronderstelde goedheid. Liever dat geld aan het onderwijs besteed.

Na de val van de Berlijnse Muur (1989), het einde van de Koude Oorlog, waren landen als Nederland er als de kippen bij om het ‘vredesdividend’ te incasseren – tot de Russen en later ook de Chinezen zich meldden. En een anti-autoritaire opvoeding gold vanaf ‘1968’ als een kruidenelixer voor meer ‘ontspanning’ in de onderlinge omgangsvormen, om te beginnen op school. Pesten werd pas later ontdekt.‘Wees scherpzinnig als een slang, maar behoud de onschuld van een duif.’ Bij dat advies van Jezus aan zijn discipelen (Mat. 10:16) heb ik me als christendemocratisch lid van de Tweede Kamer altijd meer op m’n gemak gevoeld dan de zoetgevooisde verhalen over mensen die deugen.

Iets dubbels

Het heeft, ik beken het, iets dubbels. Aan de ene kant is er die oud-gereformeerde zwartkijkerij over zonde, schuld en onmacht: ‘Er is niemand die goed doet, ook niet tot één toe.’ Aan de andere kant staat een even dringend christen-radicaal appel om de Bergrede in praktijk te brengen: ‘Weest mijn navolgers.’ Hoe optimisme en pessimisme te combineren? In de politiek, ook in de politiek die zich christelijk noemt, zie je dat dilemma steeds weer opduiken, soms zelfs als splijtzwam.

Iemand die die spanning beheersbaar maakt, is Reinhold Niebuhr, een in Nederland praktisch vergeten Amerikaans protestants theoloog van Duitse origine (1892-1971). Hij preekte het ‘christelijk realisme’, een theologie die in balans brengt wat moet en wat kan. Van Niebuhr is de treffende uitspraak: ‘Ons gevoel voor recht maakt de democratie mogelijk, maar onze neiging tot onrecht maakt de democratie noodzakelijk.’

Zijn denken combineert idealen, hoge idealen zelfs, zonder hemelbestormend te worden. Het kent vergezichten. Maar geeft zich niet over aan dagdromerijen. Het weet het evenwicht tussen politiek cynisme en hoogdravend idealisme te bewaren. Het zet kleine stappen, het waardeert het compromis, het bewaakt het evenwicht, het roept op tot matiging, het overschat zich niet, het weet zich dienstbaar, het werkt aan consensus. Het staat met beide voeten in de klei. Vandaar dat het eerder vuile handen oplevert dan de witte klederen uit Openbaring.

Maakbaarheidsgedachte

Wat voor mij een dubbele bevrijding was, paste slecht bij het Nederland van na 1970. Het liet zich niet rijmen met de maakbaarheidsgedachte die het land in de greep had, al helemaal niet omdat het zo weinig opgewekt over de ‘condition humaine’ dacht. Daarom heeft Niehuhr vermoedelijk geen school gemaakt. Het is, zeker na zijn overlijden in 1971, lange tijd bij enkele, spaarzamelijke verwijzingen gebleven. Vermoedelijk is hij te veel in de herinnering blijven hangen als een Koude Oorlog-theoloog, adviseur van Amerikaanse presidenten in de jaren ’50 en ’60. Daar kon het Nederland van Nieuw Links, christenradicalen en Ter Schegget niks mee.

En als ook in Nederland de stemming omslaat – zeg vanaf de eeuwwisseling, vanaf Fortuyn – is het het neoliberale geloof in eigen kunnen dat de toon zet. Bregman’s geloofsbelijdenis over de deugdzaamheid van de mens is er een late uitloper van. Misschien ook wel als vaccin. Geleidelijk hebben we zo veel vanzelfsprekendheden zien verschrompelen – het blijkt niet allemaal botertje tot de boom – dat we bijna wanhopig toe zijn aan een pepmiddel. Vertel ons dat het zo beroerd niet is. Zo’n nuchtere theologie als die van Reinhold Niebuhr, een oefening in bescheidenheid, is een probaat middel om, laverend tussen optimisme en pessimisme, politiek te bedrijven, om zo – in zijn eigen woorden – ‘onvolmaakte oplossingen voor onoplosbare problemen’ te vinden. Verplichte kost voor schrijvers van politieke programma’s die weer volop aan de slag zijn.

Niebuhrs denken bevat een ideale combinatie van wat niet kan en toch moet. Het combineert een lage dunk van de mens met de hoge roeping voor diezelfde mens. Het slaat elke vrijbrief om het er mismoedig bij te laten zitten uit handen, zonder te vervallen in al te optimistisch, laat staan naïef idealisme over wat te realiseren valt.
Het blijft op z’n best hoopvol aanmodderen – met mensen die niet altijd bekwaam zijn tot enig goed en evenmin steeds geneigd tot alle kwaad. Het levert minder op dan je hoopt, maar meer dan je denkt. Dat idealistische realisme/realistische idealisme lijkt me een goed motto voor politiek, ook christelijke politiek.

***

Het eiland Trottel is langs de rand van de afgrond gegaan. Sinds enige tijd gaat het er, na het ingrijpen van Heer Ollie en Tom Poes, naar verluidt weer vreedzaam en welvarend aan toe. Er worden weer volop trottelnoten verkocht. Dat het monster Trotteldrom niet is teruggekeerd, is vooral te danken aan een realistische, ik zou bijna zeggen christelijk- realistische politiek.

 

De heer J. Schinkelshoek was journalist en lid van de Tweede Kamer voor het CDA en is politiek adviseur en publicist.

< Terug