< Terug

Is André Troost ook onder de theologen?

In oktober was het 40 jaar geleden dat André Floris Troost auteur werd bij KokBoekencentrum Uitgevers. Het werd gevierd, met onder meer de onderstaande lezing van Wim Dekker.

Het verhaal gaat dat de dichter Martinus Nijhoff en de theoloog en latere rector van het seminarie van de Hervormde Kerk dr. J.M. de Jong een wandeling maakten op een mooie zomermiddag – een strak blauwe hemel met hier en daar een dun geel-roze wolkje. De Jong, de man die zijn leven lang geloof en wetenschap probeerde te verbinden, sprak met Nijhoff over de opstanding van Jezus en dan met name over hoe je als modern mens de lichamelijke opstanding moest zien. ‘Dat kan toch niet’, zei de Jong, ‘zeker niet als je dan ook nog bedenkt dat Hij lichamelijk ten hemel gevaren zou zijn’. Martinus Nijhof keek naar boven en zei: “Ik zie daar achter die wolk nog net iets van zijn voeten. Zie jij dat dan niet?” Nee, de Jong zag het niet,. Maar hij moest er wel om glimlachen.

Denkers en dichters

André Troost is vooral bekend als dichter en schrijver. Maar hij is ook theoloog. Nu is dat laatste zeker ook wel een must wanneer je kerkliederen schrijft en allerlei boeken die de bijbel toegankelijk willen maken voor een breed publiek. Een theoloog is iemand die ordelijk heeft leren nadenken over wat in de loop van de tijd gezegd en geschreven is over God, iemand die de grondteksten van de bijbel kent en die met kennis van zaken staat op de schouders van het gelovige voorgeslacht.

Het woord theoloog kun je echter ook in engere zin gebruiken en dan bedoel je iemand die ook zèlf al denkend zich een weg zoekt in de grote vragen; die de theologie door de eeuwen heen hebben beziggehouden. Zo’n theoloog is in ieder geval een denker. Denkers en dichters, dat zijn meestal verschillende mensentypen. Nijhoff was een dichter. Hij was bepaald niet dom, hij was ook theologisch goed op de hoogte, maar hij stond niet als denker in het leven, hij stond als dichter in het leven en benaderde de vragen waar denkers zich het hoofd over stukbreken, ook als dichter. Dat komt heel mooi naar voren in de anekdote van zo even. De Jong was een denker, Nijhoff een dichter. Maar André Troost is beide.

De persoon van Jezus

Ik ben dat pas goed gaan zien, toen hij zich vast ging bijten in de moeilijke vragen over de persoon van Jezus. Vanaf het allereerste begin heeft de kerk geworsteld met de vraag naar Jezus’ dubbele identiteit. ‘Helemaal God en helemaal mens’ heeft de kerk toen uiteindelijk beleden tegenover allerlei ketterijen, waarin Hij vooral als mens of vooral als God werd gezien. Helemaal kloppend was dat antwoord nooit. ‘Dan maar gewoon zo laten staan, ook al zul je het nooit helemaal begrijpen’, leerde ik in mijn studie van prof. Hasselaar. ‘Tot nadere belering’, zei hij dan altijd, ‘volgen wij het dogma van de vroege kerk’.

Wie het beter meent te kunnen zeggen, mag het proberen, maar aan de toon waarop Hasselaar dat dan zei, merkte je wel dat hij zelf weinig fiducie had in die onderneming. André begon toch aan die onderneming. Eerst in zijn boek Dat Koninkrijk van U en toen vooral in zijn boek Engel naast God. Alleen de titel van dat boek al bracht hem volgens critici in de buurt van Arius. En die was toch ooit door de kerk duidelijk als ketter aan de kant gezet. Jezus is geen Engel naast God, maar Hij is zonder meer God zelf.

Twee zielen

Dit vraagstuk ga ik nu vanmiddag natuurlijk ook niet oplossen, maar ik heb me er indertijd wel over verbaasd dat André zich aan deze uiterst ingewikkelde vragen waagde. Past deze benadering bij een dichter? Doet hij zichzelf daarin geen geweld aan? Nijhoff snapte natuurlijk best het vraagstuk  van de lichamelijkheid van de opgestane Jezus waar De Jong mee zat, maar hij voelde op geen enkele manier de verleiding dit vraagstuk op een voor het verstand inzichtelijke wijze, op te lossen. Bij André lag en ligt dat blijkbaar anders. Eerlijk gezegd lijkt mij dat niet altijd gemakkelijk, om zo in elkaar te zitten. ‘Zwei Seelen in einem Brust’, om de dichter Goethe te citeren. Die ‘zwei Seelen’ kunnen ook met elkaar overhoop komen te liggen.

Toch moet ik het zo even gezegde wel enigszins gaan nuanceren. André Troost is behalve dichter ook denker, maar dan wel een denker die van binnenuit, vanuit existentiële ervaringen, tot dit denken wordt gedreven. Dat blijkt in al zijn theologische publicaties, wat mij betreft het meest aangrijpend in zijn boek Morgen zal het Pasen zijn. Een rondgang om het waarom van het lijden. Het is een boek dat getuigt van een grondige doordenking van de vragen, maar steeds komen de vragen uit op existentiële ontmoetingen, levensechte en schrijnende gevallen. Het goede van dit boek is dat het geen theoretische verhandeling wordt over de oorsprong, de zin en het doel van het kwaad. Het blijft heel dichtbij het leven. Het goede van dit boek is ook, dat er geen antwoord wordt gegeven. Het enige antwoord is geen antwoord, maar een handwoord, de verwachting, de hoop: Morgen zal het Pasen zijn.

Persoonlijk geraakt worden

Aan de boeken die ik al noemde en die handelen over de vraag ‘Wie was en is Jezus?’, liggen ook existentiële vragen ten grondslag. In de eerste plaats de existentiële vraag van de schrijver zelf of het christelijk geloof zijn basis niet verliest wanneer Jezus zich vergist heeft. Wanneer het zo is dat Jezus de komst van het Koninkrijk met spoed verwachtte en het is tot op de dag van vandaag niet gekomen, heeft Hij zich dan vergist? En als Hij zich vergist heeft, is Hij dan wel God? Bij die vraag voegen zich dan ook nog de vragen die naar boven komen in het gesprek met joden en moslims.  Maar aan de manier waarop André daarover schrijft, is evenzeer te merken dat deze vragen hemzelf raken.     

In dit existentieel geraakt zijn, reiken de denker en de dichter elkaar de hand. Dichters zijn mensen die geraakt zijn door het mysterie van de dingen en de diepe existentiële vragen. Existentiële denkers zijn ook geraakt door die vragen, maar zijn meer dan de dichter op zoek naar antwoorden, waar het verstand enigszins mee kan leven. André is een dichter en een existentieel denker. In sommige publicaties reiken die twee elkaar de hand en lopen ze samen op. In andere, zoals Engel naast God, maakt de denker zich los van de dichter; de vragen worden rationeler, de dichter heeft er geen vat meer op en buitenstaanders uiten zich steeds kritischer. Dat laatste raakt de dichter diep, terwijl hij nu vooral als denker wordt beoordeeld. Maar dan blijken die twee toch vooral twee zielen in één persoon te zijn.

Antropocentrische tendens

André Troost heeft vandaag mijn verdediging tegenover de kritiek niet nodig. Dat ga ik dan ook aan het slot van mijn bijdrage niet doen.

Ik ga nog wel iets anders zeggen. Wij leerden elkaar in 1968 kennen op de Gereformeerde Theologen Studenten Vereniging ‘Voetius’. Vele malen zongen we samen het lijflied van Voetius in het Latijn. Daarin staat o.a. deze regel: Semper sit in vita nostra, Dei verecundia. Voor degenen die wat minder goed Latijn kennen: altijd moge in ons leven de vreze Gods te vinden zijn. ‘De vreze Gods’. Die uitdrukking staat voor een bepaalde spiritualiteit. Eerbied voor de heilige Naam van God. God biedt ons wel zijn vriendschap, maar wordt nooit ons vriendje. God is ook meer dan Jezus.

Gereformeerde theologie is theocentrische theologie. Dat theocentrische uit het Voetius-lied is kenmerkend gebleven voor de theologie van André Troost. Vergeleken met 1968 is de hoofdstroom van de theologie thans veel meer antropocentrisch, mensmiddelpuntig. Dat werkt door in grote delen van de Protestantse Kerk in Nederland, maar net zo goed in de evangelische bewegingen. De verkondiging is heel sterk praktisch en psychologisch ingesteld en de liederen die gezongen worden, zeggen vaak veel over de beleving van de gelovige en weinig over de heilige Naam.

Theocentrisch commitment

In deze beweging is André niet meegegaan. Zijn Bijbelse dagboeken zijn zeer sterk op de praktijk van het leven gericht en schuwen de psychologie niet. Maar ze zijn bovenal uitleg van de Schrift, gewoon uitleg van wat er staat. Eén van de stellingen bij het proefschrift van André – gewijd aan zijn grote leermeester Willem Barnard – luidt als volgt: “Op de roep ‘wij moeten de Schrift in actuele gedachten vertalen’, dient met Willem Barnard te worden geantwoord: ”Nee, wij moeten om echt actueel te zijn, onze gedachten zien te vertalen in het denken van de Schrift.”  Aan deze grondregel van Willem Barnard is André trouw gebleven in zijn dagboeken, zijn vele meditaties en zijn kerkliederen.

God in ons midden,
met al uw kinderen wereldwijd,
uw trouw aan mensen,
uw onbegrensde,
uw ongekende majesteit.

Theocentrischer kan het niet. En toch komen wij mensen op deze wijze niets tekort. Want deze God is de God in ons midden, Immanuel.

Licht van de overkant,
fakkel die eeuwig brandt,
o vlam die ons naar Gods land geleidt,
wie lopen in uw licht,
zie, over hun gezicht,
valt al de glans der eeuwigheid.

Wie durft nog zeggen, dat met zo’n theocentrische theologie de menselijke beleving tekortkomt? Wat zou een mens nog liever wensen dan dat nu al over zijn betraande gezicht het licht der eeuwigheid valt?

Koning der volken,
kom op de wolken,
keer al het kwade ten goede om,
kom, lam dat voor ons bloedt,
kom, licht in overvloed,
kom spoedig Here Jezus, kom.                     

Uit: Zingende Gezegend, 113.   

Waar de denker en theoloog het soms niet meer zo goed weten, neemt de dichter het over en belijdt met de kerk van alle eeuwen de unieke betekenis van Jezus. “Koning der volken, kom op de wolken.” Nijhoff zag zijn voeten al.

Wim Dekker studeerde theologie en werkte als predikant in Sebaldeburen, Loenen aan de Vecht, Rotterdam-Delfshaven en Wezep. Sinds 1998 is hij werkzaam bij de IZB, vereniging voor zending in Nederland. Hij is cursusleider van Areopagus, centrum voor contextuele en missionaire verkondiging.

< Terug