< Terug

Jan Welmers als vriend en collega

Deze blog is oorspronkelijk verschenen in De Orgelvriend 2022, nr. 4. Ben je benieuwd naar meer materiaal uit dit nummer? Lees en beluister de download en de muziek van de maand hier! Er is ook een voorproefje van het nummer.

Jan Welmers en ik hebben elkaar leren kennen in militaire dienst. In 1957 waren we allebei 20 jaar jong en allebei veroordeeld tot anderhalf jaar dienstplicht.  We lagen, zo heette dat, in Amersfoort (een dominee staat ergens, een soldaat ligt). We woonden daar in een schurftige oude kazerne, waar we om de zoveel tijd strozakken moesten vullen, waarin we behalve stro ook stenen stopten en dat voor een nieuwe lichting rekruten. Zo werden wij ook behandeld en daarom gaven we deze traditie graag door. ’s Winters moesten we de kachel om tien uur ’s avonds uit hebben en dat gebeurde dan ook wel eens door middel van een emmer water.

Jan en ik zaten niet in hetzelfde gebouw, maar de bewoning was vermoedelijk identiek. En nu ik weer doordenk, herinner ik me dat ik weleens met Jan mee geweest ben naar zijn ouderlijk huis en hij met mij naar het mijne. Dat was eigenlijk het enige contact met de gewone wereld, want wij zagen alleen maar uniformen. En dat was voor Jan en voor mij een volstrekt leeg en eenzaam leven.

Jan was een laatbloeier die in militaire dienst tot de overtuiging kwam “ik ga naar het conservatorium” en dat na z’n bevrijding ook deed. Of ik daar iets aan heb kunnen bijdragen (want ik had al zo’n papiertje), het is mogelijk maar echt weten doe ik dat niet meer. Het is tenslotte zo’n 65 jaar geleden. Maar in die 65 jaar hebben wij elkaar altijd in het oog gehouden. Jan had zijn ontwikkeling waar ik getuige van was, ging al snel muziek schrijven, hij was niet alleen een componist (samensteller) van muziek maar meer nog een vinder van nieuwe muziek. Echt nieuwe muziek. Hij kwam met Wybren Veeman naar Zutphen en improviseerde daar met echt nieuwe muziek, zo nieuw dat sommige mensen het gebouw verlieten.

‘Oom Sloabloadje’

In die tijd hadden wij al kleine kinderen, zij vonden het leuk Jan te ontmoeten en nog leuker als hij mee bleef eten. En als Jan dan in het Gronings, terwijl hij Drent was, nog sla wilde hebben, heette hij – en dat heet hij nog steeds – ‘oom Sloabloadje’.

Wij hadden een paar dingen gemeen: muziek, hetzelfde bouwjaar en een zoon met de naam Bastiaan. Ook hadden we ieder een kano. Die hebben we enige jaargangen goed gebruikt. Jan wist de mooiste plekjes te vinden per kano en we zijn werkelijk overal geweest.

Eind jaren ‘70 was ik met muziek van Jan in Toulouse – nee niet per kano – waar ik een concert te verzorgen had. Ik had Jan een maand tevoren al gebeld en gevraagd of hij een stuk voor me had om te spelen. Dus kwamen er de beginbladzijden van een nieuw stuk per post en na enige dagen kwamen er weer een paar. En zo ging dat door tot het einde van het stuk in zicht was. Dat was dus Laudate Dominum, dat Jan schreef voor het Instituut voor Kerkmuziek in Utrecht en aan mij heeft opgedragen. Na de uitvoering stond het publiek op de banken te applaudisseren. Toen dacht ik wel: wat jammer dat Jan er niet bij is. Wat had ik hem dat graag gegund. En wat zou hij dat leuk gevonden hebben, maar al te veel glorie was aan Jan echt verspild.

Ik herinner me dat we op de Utrechtse Rembrandtkade veel bij elkaar zijn geweest. Veel praten over de moeilijkheden des levens, over muziek en over de natuur. Zo zijn we beiden oud geworden. Vanwege de coronapandemie hebben we elkaar de laatste jaren nauwelijks nog gezien. Maar in ons beider hart brandde altijd nog het vuurtje van liefde, genegenheid en muziek. Jan is een groot, warm voorbeeld geweest voor mij en voor velen.

< Terug