< Terug

Jezus als Eersteling

Jezus is de eersteling en ‘wij’ – zij die bij Christus horen – zullen volgen. Dat weerklinkt in Paulus’ brieven.

Martine Oldhoff (portret)

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Martine Oldhoff over het verband en het verschil tussen Jezus’ opstanding en de opstanding van gelovigen volgens de apostel Paulus.

De ‘Stille Week’ was vorige week, politiek gezien, bijzonder luidruchtig. Opinieschrijvers, satiremakers en twitteraars pasten gebeurtenissen uit de evangeliën toe op het politieke gerommel en de formatiecrisis.

Zo berichtte satirewebsite De Speld: “Pieter Omtzigt leeft en wordt beëdigd als Tweede Kamerlid. Zijn opstanding wordt dit weekend groots gevierd.” Na zijn onterechte symbolische afschrijving werd hij toch weer bevestigd als Kamerlid. Het getuigt van weinig begrip van de getuigenissen van Jezus in het Nieuwe Testament om iemand anders grappend als Messias te schetsen. Toch hebben de makers van de De Speld wel íets van de Paasboodschap begrepen: dat de opwekking uit de dood van Jezus Christus verbonden is met de opstanding van gelovigen. De vraag is natuurlijk: wat?

Eersteling

Deze weken staan in het bijzonder in het teken van de belijdenis van Jezus’ opwekking uit de dood. Hij leeft. Hij is geen mislukte Messias, maar opgewekt uit de dood door God de Vader en zo is zijn Zoonschap bevestigd. Afhankelijk van welke Bijbelteksten er gelezen worden in deze tijd, worden er verschillende accenten gelegd. Wie de evangeliën leest, hoort over het lege graf, de getuigenis van de vrouwen, de ontmoetingen met de Opgestane Heer en de zending van de discipelen. Wie dan nog wat verder leest in het Nieuwe Testament, en bij de brieven van de apostel Paulus terecht komt, stuit op nog meer ‘goed nieuws’: de opwekking van Jezus laat niet alleen zien dat God Jezus rechtvaardig acht. Het is ook het begin van de ‘algemene’ opstanding van de doden.

De verwachting die veel joden voor de toekomst koesterden, namelijk dat er een gezamenlijke opstanding plaats zou vinden, was nu werkelijkheid geworden in die ene mens: Jezus Christus. “Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen.” (1 Kor. 15,20)

Paulus schrijft uitgebreid over de verwachting van de opstanding van de doden in het slot van zijn eerste brief aan de Korintiërs. Het is voor hem zonneklaar: de opstanding van Jezus houdt verband met die van ons:

“Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat Hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan?” (1 Kor. 15,12)

Wat voor Jezus heden is, is voor ‘ons’ nog toekomst. Volgens Paulus is Christus de eersteling: de aparche (1 Kor. 15,23). Met Jezus is de toekomst, met de opstanding van de doden ontsloten. Jezus is de eersteling en ‘wij’ – zij die bij Christus horen – zullen volgen. Dat weerklinkt in Paulus’ brieven.

Door de Geest beheerst

Als Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs over de opstanding schrijft, legt hij uit dat mensen níet het komende lichaam zaaien als ze dat begraven (1 Kor. 15,37). Het hemelse lichaam is anders dan het aardse lichaam (1 Kor. 15,39-42). Dit lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid en er wordt een onvergankelijk lichaam opgewekt. Het huidige lichaam is een ‘door de ziel beheerst’ lichaam, het komende lichaam een ‘door de Geest beheerst’ lichaam (1 Kor. 15,44).

Het lijkt er daarom op dat Paulus hierin verschilde van veel van zijn joodse tijdgenoten. Hij stelde zich bij de opstanding een ander, nieuw lichaam voor: anders dan dit vergankelijke lichaam. Hij denkt aan geestelijke, hemelse, onvergankelijke en onsterfelijke lichamen (1 Kor. 15,44-54). Paulus’ idee van de opstanding is gebaseerd op Christus’ opstanding en gelijkvormig aan de verheven belichaming van de verrezen Christus zelf (Fil. 3,21).

Het is in dit opzicht eigenlijk bijzonder dat Paulus in de canon van de kerk is opgenomen. Juist gnostici, die het lichaam met de kwade schepping identificeerden, verwezen graag naar 1 Kor. 15 en 2 Kor. 5. Ook menig kerkvader beriep zich op Paulus om ervoor te pleiten dat het om een opstanding van het vleselijke lichaam en niet om een nieuw geestelijk (of liever: “door de Geest beheerst”) lichaam zou gaan. Als deze kerkvaders discussieerden met gnostici werd de continuïteit met het aardse lichaam benadrukt. Maar helaas, op het punt van het opstandingslichaam lijken ze de plank te hebben misgeslagen: ook in 2 Kor. 4,16-5,10 benadrukt Paulus dat dit aardse lichaam zal vergaan (5,1). Hij verlangt naar een eeuwig lichaam (5,2).

Jezus’ opstanding

Het is begrijpelijk dat de continuïteit met het aardse lichaam benadrukt werd. Jezus’ opwekking is immers het uitgangspunt. De Opgestane wordt niet direct herkend (Joh. 20,14; 21,4; Lk. 24) en komt door gesloten deuren (Joh. 20,19): Hij lijkt een ander lichaam te hebben. Tegelijkertijd bewijzen juist zijn littekens de identiteit van Jezus voor Thomas (20,24-29). Ook Lucas schrijft dat ‘Hij hun zijn handen en zijn voeten toonde’ (Lk. 24,40). Als je nu zou vergeten dat Jezus’ opstanding niet leidt tot een voortzetting van dit aardse leven – immers sterft Hij niet meer – zou je kunnen denken dat het bij zijn opstanding louter om de reanimatie van een dood lichaam gaat. Soms wordt dat lege graf benadrukt om het christelijk geloof te ‘bewijzen’. In een tijd waarin empirisch bewijs belangrijk is en een empirische bril ons kijken kleurt, kan dat indruk maken.

Jezus is opgewekt met zijn oude lichaam in een nieuw, onvergankelijk lichaam. Veel menselijke lichamen verteren met de cyclus van de seizoenen. Volgens Paulus zullen zij die bij Christus horen een nieuw lichaam ontvangen. Het nieuwe, onvergankelijke lichaam ligt nog voor ‘ons’. Jezus is al daar waar wij nog niet zijn.

Nog niet?

Niet voor niets spreekt Paulus dat gelovigen zúllen delen in Jezus’ opstanding (Rom. 6:5,8). Dat ontslaat ze geenszins van de plicht een ‘nieuw leven’ te leiden, dankzij de Geest die ze ontvangen. Gelovigen ontvangen de Heilige Geest als aparche, als ‘voorschot’ op de voltooiing (Rom. 8,23). De Geest bewerkt nu al vernieuwing in mensen en Christus doet zichzelf kennen als de Levende.

Als het ‘nog niet’ te sterk benadrukt wordt, kan vergeten worden dat we de Verrezene kunnen ontmoeten – Jezus leeft! – en dat wij hier en nu leven en er verandering mogelijk is met het oog op Gods Koninkrijk: dat de Geest ook nu aan het werk is. Maar we leven in een cultuur waarin de transcendente toekomstverwachting behoorlijk verdampt is en veel mensen het erg moeilijk vinden de werkelijkheid te zien en te beleven in verbinding met God. We ervaren de aantrekkingskracht van het idee dat Jezus’ opstanding dít leven en déze aarde al geheel bepalen. Het ‘nog niet’ gaat dan overboord. Berucht is het voorbeeld van Bethel Church in California. Zes dagen lang werd er in december 2019 gebeden voor de opwekking van de 2-jarige Olive. Nadat dit gebed niet verhoord werd, is ze alsnog begraven.

De opstanding van Jezus bepaalde de eerste christenen bij de werkelijkheid waarin ze leefden. Jezus is opgewekt; Hij leeft! Hij doet zich kennen en schenkt de Heilige Geest. Omdat Hij mensen met God verzoent, zullen zij deel krijgen aan dat voluit verloste nieuwe leven dat Hij reeds betreden heeft. Zíjn aardse lichaam is al getransformeerd in een onvergankelijk en onsterfelijk lichaam. Maar wij zijn daar nog niet. We mogen leven met een hoopvolle verwachting. Paulus’ spreken over een door de Geest beheerst lichaam, onderstreept de radicale vernieuwing die óók nog voor ons licht: als Gods nieuwe wereld gevestigd wordt.

Zoals beschreven getuigen de evangeliën van het lege graf, de vrouwen en de ontmoeting met de Opgestane Heer. Het lezen van Paulus’ brieven helpt om een omvattender blik op de opstanding te krijgen dankzij zijn nadruk op de “eersteling”. Dichteres Ida Gerhardt zag, zoals Paulus, dat Jezus’ opstanding gaat over een nieuw begin op ongekende wijze:

Christus als hovenier

Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20:15

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.

En nóg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

Bron

Bovenstaande tekst is afkomstig uit: R.Th. van der Paardt, “Ida Gerhardt, De hovenier,” Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck (red.), (Groningen/ Antwerpen: Wolters-Noordhoff/ Garant-Uitgevers, 1989-2014): 3. Geraadpleegd via DBNL (KB).

Ben je nieuwsgierig naar het gedicht? Lees hier de literaire analyse van Gerhardt’s Christus als hovenier en haar bundel De hovenier van R.Th. van der Paardt.

Meer theologenblogs

Kijk op de ziel

Kijk op de ziel van theologe Martine Oldhoff is een gespreks- en bezinningsboek dat de betekenis van de ziel in het christelijke geloof verwoordt. De ziel duikt overal op. Van seizoenen lang in ‘Kijken in de ziel’ op de televisie tot in het spirituele tijdschrift Happinez. Tegenwoordig nemen veel gelovigen het woord minder gemakkelijk in de mond. Dat is jammer, want eeuwenlang was de ziel een bekend begrip in kerk en theologie.

kijk op de ziel martine oldhof

< Terug