< Terug

Jozef en Maria op de vlucht

Drieluik: christelijke wonderverhalen (deel 3)

Een engel had Jozef en Maria gewaarschuwd dat Herodes alle kleine jongetjes in Betlehem wilde doden. Daarom zadelde Jozef een ezel voor Maria en de kleine Jezus en vluchtte de heilige familie richting Egypte. De tocht voerde door de woestijn en Jozef vreesde de gevaren van dat onherbergzame gebied, maar Maria was niet bang. Terwijl ze uitrustten onder een vijgenboom, stak Jezus zijn kleine handjes omhoog, waarop de vijgenboom zijn takken naar beneden boog en zijn vruchten liet plukken. ’s Nachts, toen er een gure wind waaide in de woestijn, maakten de bomen met hun takken een tent die bescherming bood tegen de kou.

De soldaten van Herodes hadden de vlucht van Jozef, Maria en hun kind opgemerkt. Ze gingen de woestijn in en achtervolgden hen. Maar de vogels die daar leefden, wisten met hun vleugels de sporen uit. De zwaluwen vlogen voor de heilige familie uit om hun de weg te wijzen. Niettemin kwamen de soldaten steeds dichterbij. Op een gegeven moment waren ze zo nabij dat Jozef geen andere mogelijkheid zag dan een ravijn in te gaan om een schuilplek te zoeken. Het ravijn bleek dood te lopen en de vluchtelingen konden geen kant meer op. De soldaten waren nu zo dicht genaderd dat ze hen elk moment konden vinden.

De kleine Jezus stak zijn handje uit naar een glinsterende steen in de rots, waarop de rots openging en er een grot zichtbaar werd. Zo gauw Jozef en Maria met hun kind de grot hadden betreden, kwamen er honderden spinnen tevoorschijn, die de opening van de grot dicht weefden. Bij de grot gekomen meenden de soldaten dat de vluchtelingen daar niet verscholen konden zitten, omdat de spinnenwebben voor de ingang heel waren. De soldaten besloten op die plek de nacht door te brengen.

Jozef, Maria en de kleine Jezus hadden niets te eten of te drinken, maar door de gaatjes in het web kwamen bijen honing brengen. Ook kwamen er vogels die hun eieren schonken en hagedissen kropen met dauwdruppels op hun rug naar binnen. De winterkoninkjes bouwden met hun veren een wiegje voor het kind. Toen het warm werd in de grot, waaiden de vleermuizen met hun vleugels de drie vluchtelingen koelte toe. Toen Jezus ’s morgens vroeg begon te huilen, kwetterden de zwaluwen zo hard als ze konden en huilden de wolven en de hyena’s zo luid dat de soldaten het kind niet hoorden. Nadat de soldaten waren weggegaan, trok de heilige familie verder. De dieren in de woestijn zorgden voor hen.

Stephan de Jong is predikant van de Protestantse Gemeente Oudemirdum-Nijemirdum-Sondel, en verhalenverteller en beeldend kunstenaar. Dit wonderverhaal verscheen in zijn boek De lezende analfabeet.


< Terug