< Terug

Over organist-componist Jan Mul

“… eerlijke belofte van een niet alledaagsch talent …”

Deze blog is oorspronkelijk verschenen in De Orgelvriend 2021, nr. 10. Ben je benieuwd naar meer materiaal uit dit nummer? Lees, beluister en bekijk de download, het geluid en de video van de maand hier! Er is ook een voorproefje van het nummer.

De in Giethoorn opgenomen film Fanfare (1958) van cineast Bert Haanstra is een van de meest succesvolle films in Nederland ooit, en ligt opgeslagen in het collectieve geheugen van talloze oudere landgenoten.

Het verhaal speelt zich af in het fictieve dorpje Lagerwiede, dat een uitstekende fanfare heeft, ‘Kunst en Vriendschap’ geheten. Deze fanfare heeft zich aangemeld voor een concours om de eer van het dorp te verdedigen. Tijdens de voorbereidingen breekt echter ruzie uit tussen twee muzikanten. Als gevolg daarvan wordt de muziekvereniging in twee kampen verdeeld die beide op eigen titel aan de wedstrijd willen deelnemen. Een componist schrijft voor beide orkesten een afzonderlijke compositie; op het eerste gehoor gaat het om het twee totaal verschillende stukken. Wanneer na allerlei verwikkelingen de twee orkesten gelijktijdig het podium betreden en tegelijk hun eigen stuk beginnen te spelen, blijken tot ieders verrassing beide composities samen uitstekend te klinken. Daarmee wordt het concours gewonnen. De dubbel-mars is later uitgebracht onder de titel Fanfare in Es.

De bedenker van deze heerlijke muziek is Jan Mul, dit jaar vijftig jaar geleden overleden, componist van een oeuvre dat bestaat uit kerkmuziek, kamermuziek, piano- en orgelmuziek, orkestwerken, concerten en muziek voor documentaires en films. Hij was docent aan het conservatorium van Maastricht, bestuurlijk actief in allerlei muziekorganisaties, en schreef voor de Volkskrant gedurende 25 jaar een paar duizend recensies en artikelen.

Jan Mul (collectie Gerco Schaap)

Voorkeur voor Franse muziek

De Haarlemmer Jan Mul was als musicus geworteld in de katholieke kerk. Al jong ontving hij orgellessen van Hendrik Andriessen, die veel zag in zijn talent. In 1930 zorgde hij voor het debuut van de 18-jarige componist door op het Müller-orgel in Haarlem diens springlevende Toccata te spelen, een werk dat pas in 2011 naar aanleiding van de viering van Muls 100e geboortedag door Annie Bank werd uitgegeven. De recensent van het Haarlems Dagblad uitte zich enthousiast over het werk ‘omdat er de eerlijke belofte in schuilt van een niet alledaagsch talent’. In deze tijd gaf Mul al blijk van een duidelijke voorkeur voor muziek van Ravel, Roussel en de Groupe des Six, met name voor Francis Poulenc. 

Aan het Amsterdamsch Conservatorium studeerde Mul orgel bij Cornelis de Wolf en compositie bij Sem Dresden. Ruim voor de oorlog leerde hij Herman Strategier en Albert de Klerk kennen die samen onder de benaming ‘Tres Pueri’, drie leerlingen van Hendrik Andriessen, veel koormuziek zouden uitgeven.

Kerkorganist en componist

Als organist trad Jan Mul niet op de voorgrond, al was hij van de partij toen op 17 oktober 1938 in de Dom te Utrecht, samen met Cornelis Bute, Hendrik Andriessen en Anthon van der Horst, een van eerste improvisatieconcerten in Nederland werd gegeven. Tussen 1931 en 1960 was hij actief als kerkorganist in Overveen, een dorp bij Haarlem, waar hij een bescheiden orgel bespeelde en de leiding had over het jongens- en mannenkoor. Gedurende de kerkdiensten improviseerde hij op hoog niveau.

De liturgie inspireerde hem tot talloze missen en motetten, en tot zijn magnum opus, de integrale Propriumgezangen voor het kerkelijk jaar waar hij ongeveer dertig jaar aan gewerkt heeft. Het omvat zo’n kleine 200 gezangen voor eenstemmig koor en orgel, stuk voor stuk fijnzinnige miniaturen die een rijk scala aan gevoelsexpressies vertonen. Ze zijn enkele jaren geleden integraal uitgebracht bij de Jan Mul Stichting in Haarlem.

Orgelwerken

Jarenlang waren slechts twee orgelwerken van Mul bekend. In 1943 verscheen de Sonate, opgedragen aan Albert de Klerk, bestaande uit drie delen in een luchtig karakteristiek idioom, waarin Mul zijn bijnaam ‘de Hollandse Poulenc’ meer dan waar maakt. Het Choral joyeux uit 1956 echter, opgedragen aan Nederlands bekendste publicist in die dagen, Wouter Paap, is van een ander kaliber. De titel had het karakter niet beter kunnen uitdrukken: een joyeuze compositie die alleen met veel bravour en flair gespeeld het gewenste effect kan hebben. Het gaat om een reeks variaties over de paasmelodie ‘O filii et filiae’. Na een grootse inleiding en een aantal variaties wordt een gedragen melodieus tegenthema toegevoegd. De daarop volgende fuga over het hoofdthema sluit in een majestueuze apotheose af met het neventhema. Een glasheldere en overzichtelijke compositie.

In 2011 verscheen bovengenoemde Toccata waarin duidelijk wordt dat de jonge componist zich nog niet van de Andriessen-invloeden heeft kunnen bevrijden.

Ten slotte publiceerde de Jan Mul Stichting in 2019 de Kleine Toccata (Thema met variaties) uit 1939. Mul vat hier het begrip ‘toccata’ niet op als een virtuoze fantasievolle compositie, maar gaat uit van de oorspronkelijk betekenis: aanraken, de toetsen beroeren, improviseren. De ondertitel geeft aan waar het werkelijk om gaat: een thema van acht maten, gevolgd door zes variaties.

< Terug