< Terug

Over predestinatie en melancholie

Luthers kritiek op de theologie van de scholastiek en vooral ook zijn vermogen de diepe geestelijke crises van zijn tijd te benoemen, wordt in de Reformatie het uitgangspunt voor een fundamentele herijking van het denken over de relatie tussen mens, God en wereld. De Middeleeuwen waren nog gedomineerd door een voorstellingswereld waarin de werkelijkheid een goddelijke orde representeerde, en waarin, omgekeerd, de werkelijkheid ook verwees naar die orde. Er kon nog uitgegaan worden van de idee dat ook de mens van nature georiënteerd is op het Ware en Goede, daar kennis van kan hebben en die kennis kan omzetten in een passende deugdzame levensvoering.
Luther – en hij is niet de enige – komt tot het inzicht dat deze voorstellingswereld niet langer plausibel is en niet meer functioneert. Goede relaties tussen mens, God en wereld zijn verre van vanzelfsprekend, ja, sterker nog, ze zijn fundamenteel gecorrumpeerd. Dat betekent dat er op een nieuwe manier nagedacht gaat worden over de aard van geloven, over de relatie tussen mens en God en over de – vaak verborgen – beginselen en principes die het bestaan ordenen en in de wereld werkzaam zijn. In dat proces, dat samengaat met een sterk geïntensiveerd geloofsleven, gaat de ervaring van de afwezigheid van God een bijzondere plaats in het geloofsleven innemen. In protestantse theologische literatuur, maar ook in de biografieën van enkelingen, ontstaat daarom veel aandacht voor de thematiek van verlies, verwerping en verlatenheid.
Exemplarisch wordt dat zichtbaar in de wanhoop van Franciscus Spira, een Italiaanse protestant die, nadat hij door inquisitie gedwongen wordt zijn overtuigingen publiekelijk te herroepen, ervan overtuigd raakt door God verlaten en verworpen te zijn. In zijn geschiedenis wordt duidelijk dat de ervaring van verlatenheid en verwerping direct verbonden is met het theologisch denken over de predestinatie en de acute vraag hoe een mens verzekerd kan zijn van uitverkiezing. Is Spira’s wanhoop een teken van feitelijke verwerping of juist van een oprechte zorg om het eigen heil die eigenlijk moet worden geduid als een teken van geloof? Maar ook roept deze geschiedenis de vraag op naar de verhouding tussen enerzijds vertwijfeling als aspect van het geloofsleven en anderzijds ziekelijk vormen van wanhoop (melancholie), en naar de vraag naar de betekenis van een op de ervaring van verlies en verlatenheid gebaseerd verlangen naar Gods presentie.
Welke rol speelt de predestinatieleer in de herijking van een geloofsleven waarvan vertwijfeling en verlangen kernaspecten zijn? Wat betekent het te geloven in een leer van verkiezing en verwerping? Wat is de relatie tussen geloof, wanhoop en melancholie? En, hoe ontwikkelt zich juist vanuit deze protestantse context een nieuw melancholiebegrip dat tot ver in de psychiatrische en psychoanalytische literatuur zal doorwerken? Deze vragen worden aan de hand van Luther, Calvijn, Franciscus Spira, Willem Teellinck, Gisbertus Voetius en Jean de Labadie uitgewerkt en doorgelicht. Freuds en Lacans denken over melancholie, liefde en verlangen levert een belangrijke bijdrage aan de interpretatie van de vroegmoderne protestantse obsessie met vertwijfeling, verlatenheid en uitverkiezing.
Een uitgave van Uitgeverij Sjibbolet.
Naar aanleiding van: Herman Westerink: Verlangen en vertwijfeling. Melancholie en predestinatie in de vroege moderniteit. Paperback, 220 pagina’s, 22,50 Euro.

< Terug