< Terug

Preken: werken met woorden en hun stilte

Ergens op de middelbare school is het begonnen dat ik plezier kreeg in het lezen van poëzie. Een soort ‘ontwaken’, zeg maar. Lyrische teksten van Hans Andreus: Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato / de warmte ligt weer tegen mijn gezicht … Raadselachtige regels van Gerrit Achterberg: Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer. / Maar hiermee houdt het groeten aan, / zozeer, dat ik wel moet geloven, dat gij luistert; / zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor.

Als je eenmaal gevoelig bent geworden voor de gelaagdheid van de taal, dan kom je daar niet meer van los. Je leest meer en hoort meer. Dat heeft mij op het spoor gezet om van een dichter te leren hoe je als predikant te werk kunt gaan. Stel je voor dat een preek de concentratie en de zeggingskracht van een gedicht zou kunnen krijgen! Met zinnen die blijven haken in de gedachten van de hoorders en met stiltes die een besef van Aanwezigheid oproepen.
De dichter Martinus Nijhoff heeft mij ervan bewust gemaakt dat taal altijd meer is dan een middel om gedachten over te brengen. Een gedicht bestaat niet uit gedachten maar uit woorden, zegt hij. En: Een gedicht bestaat uit woorden en hun stilte. De stilte is de ruimte om de woorden heen waardoor de taal zijn eigen werk kan doen. Juist voor de preek vind ik dat een mooie gedachte: het gaat niet alleen om wat je zegt, maar ook om wanneer je zwijgt. Een sterk voorbeeld daarvan vond ik in Nijhoffs bekende gedicht ‘De moeder de vrouw’ uit 1934.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ‘t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ‘t roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

Gewoon een beetje liggen in het gras, thee drinken, genieten van het uitzicht over de rivier, de nieuwe verkeersbrug in de verte; en dan ineens een stem horen die wel uit de hemel lijkt te komen. Juist daar, op de wending van het sonnet, is er een regel wit. Er valt een stilte, ingehouden adem. En dan: ‘Het was een vrouw.’ De stem uit de oneindigheid blijkt zo aards te zijn als de herinnering aan een psalmen zingende moeder.
Van Nijhoff heb ik geleerd dat de taal van een preek concreet moet zijn. Een goed gedicht, zegt hij, heeft een gestalte van vlees en bloed. Dat geeft mij een essentiële focus in het schrijven en houden van preken: komt in deze woorden de Heer zelf ons tegemoet? Die vraag kan ik niet in het isolement van mijn studeerkamer beantwoorden. Daarom begint na de preek meteen het gesprek in de gemeente.

 

Kees Bregman, protestants predikant van de Oecumenische wijkgemeente ‘De Oude Kerk’ te Soest.

 

‘Poëzie en Kerk’ houdt op 23 mei 2016 een studiedag over ‘Martinus Nijhoff en de kunst van geloven in taal’, in de Bergkerk in Amersfoort.
Meer informatie.

< Terug