< Terug

Scheurde u maar de hemel open

Zes voorgangers delen op het blog van PreekWijzer hun bespiegelingen tijdens het voorbereiden van een preek en kerkdienst in de adventstijd. Erik Borgman opent de rij.

Het beslissende teken is bedrieglijk alledaags. Een pasgeboren kind.

Soms is een Bijbeltekst zo actueel, dat het bijna griezelig is. Het Jesajagedeelte waarmee de lezingen voor de advent dit jaar beginnen, lijkt wel speciaal voor ons geschreven. Tenminste, ik heb het idee dat mijn gevoel van de afgelopen tijd scherp wordt uitgedrukt in Jesaja’s verzuchting aan Gods adres: ‘Het is alsof u nooit over ons hebt geheerst, alsof uw naam nooit over ons is uitgeroepen’ (Jesaja 63:19).

Neen, dat komt niet door COVID-19 – tenminste niet rechtstreeks of alleen. Ziekte en dood zijn eerder over de wereld gegaan. Maar de vertwijfeling waartoe dit leidt, ook in kerkelijke kring, vind ik verbijsterend. Zullen de mensen wel terugkomen, als het straks weer mag? Kunnen we straks wel kerst vieren?

Kunnen we Kerst vieren?

Vooral deze laatste vraag is voor mij verbijsterend. Er is kerst gevierd in schuilkelders en concentratiekampen, onder totalitaire regimes waar mensen alleen bij elkaar konden komen met gevaar voor eigen leven. En dan zouden wij ons uit het veld laten slaan omdat we niet met meer dan dertig bijeen kunnen komen en met niet meer dan vier mogen zingen?! – dat zijn de regels in het aartsbisdom Utrecht terwijl ik dit schrijf.

Jacob zou ons niet herkennen (vgl. Jes. 63:16) en velen van onze andere voormoeders en -vaders, van onze zusters en broeders elders op de wereld evenmin. Zij hebben gevierd en vieren nog jaarlijks dat God God-met-ons is, Immanuel, terwijl alles wat hun vertrouwd was en veiligheid verschafte instort. Letterlijk tussen de ruïnes.

Er is zelfs een iconografische traditie die de geboorte van Jezus plaatst te midden van de resten van een stad in puin. Kunnen wij ons daar zo weinig bij voorstellen dat we denken dat dit voor ons onmogelijk is? ‘Waarom, Ene, liet U ons van uw wegen afdwalen, waarom liet U ons hart verstenen, zodat het U niet meer vreest?’ (Jes. 63:17 Willibrord 1995).

Verzuchting

Vandaar die profetische verzuchting: ‘Scheurde u maar de hemel open om af te dalen’ (63:19)! Er lijkt inderdaad iets met ons gebeurd te zijn dat wij zelf niet goed begrijpen en ook niet gemakkelijk zelf ongedaan kunnen maken. Er moet opnieuw iets aan ons gebeuren. Precies hierbij kunnen wij ons maar weinig voorstellen.

Immers, als er iets karakteristiek is voor de moderne cultuur, dan is het wel dat wij niet langer geloven in een open hemel. Als we al geloven dat God bestaat, dan ver weg en in een volstrekt andere laag van het bestaan dan die waarop ons alledaagse leven zich afspeelt. Mooi voor de vrije tijd en de momenten dat wij behoefte hebben aan wat we tegenwoordig ‘zingeving’ noemen. Religie als luxeproduct. Het zal inderdaad een hele toer zijn daarvoor onder de huidige omstandigheden momenten te organiseren.

Kortom: ‘Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen’ (Jesaja 64:6) – als we die hand al zouden zien.

Het kerstverhaal is natuurlijk dat de hemel opengegaan is en God is afgedaald. Maar hoe vreemd het ook klinkt: in het verborgene. Lucas vertelt ons dat de meest beslissende revolutie die de wereld gekend heeft, plaatsgevonden heeft terwijl vrijwel niemand het zag.

Teken

Dat is vreemd, gegeven de beschrijving van wat er gebeurd zou zijn. Een engel, omgeven door licht dat zo stralend is dat het alleen van God kan komen (Lucas 2:9) en een heel leger engelen dat op het open veld God lof toezingt en de aarde vrede (2:14). Maar het beslissende teken is inderdaad bedrieglijk alledaags: een pasgeboren kind, in doeken gewikkeld, liggend in een voederbak (2:12). Een kind waar niemand op zit te wachten en waar met tederheid, maar met weinig middelen voor wordt gezorgd.

Dat we dergelijke kinderen over het hoofd kunnen zien, bewijzen wij elke dag. Want ze zijn er in groten getale in onze wereld, we weten het. Maar dat daarin onze toekomst verschijnt… We behandelen ze als overlast en gevaar.

In de laatste weken voor het einde van het kerkelijk jaar reikte het rooms-katholieke lectionarium voor de doordeweekse liturgievieringen fragmenten aan uit de Openbaring van Johannes. ‘Ga weg uit die stad, mijn volk, zodat je geen deel hebt aan haar zonden en ontkomt aan de plagen die haar zullen treffen’ (Op. 18:4). Ik begin het steeds meer een logisch advies te vinden.

Om ons open te maken

Maar God doet het gelukkig anders. Het kerstverhaal getuigt ervan dat God de stad die hem niet wil ontvangen niet uit-, maar ongezien toch intrekt. Of wij het willen of niet, of wij het zien of niet: ‘Vandaag is in de stad van David jullie redder geboren: de Gezalfde, de Heer’ (Lucas 2:10).

De advent is erop gericht ons daarvoor open te maken. Niet omdat het anders niet waar zou zijn, maar omdat wij er anders geen deel aan hebben. De wereld wordt gered, God zal zijn aarde en zijn mensen niet aan zichzelf overlaten. De vraag is of wij deel zijn het geredde of van dat waarvan het gered wordt. ‘Pas op, wees waakzaam, want jullie weten niet wanneer die tijd zal komen’, zegt Jezus in het evangelie van de eerste adventszondag (Marcus 13,33). Hij bedoelt het moment waarop de Mensenzoon de engelen eropuit stuurt ‘om zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeen te brengen, van het uiteinde van de aarde tot het uiteinde van de hemel’ (vers 27).

Maar het gaat er niet alleen om de tekenen te zien die vertellen dat dit moment nadert. Het gaat erom ze te herkennen. Jezus gebruikt het beeld van de vijgenboom die uitloopt en zo een teken is van de komende zomer (Marcus 13,28). Maar wat is de vijgenboom? In het Lucasevangelie wijt Jezus het onvermogen de tekenen van de tijden te ontcijferen aan het feit dat we er niet echt op gespitst zijn. Hupokritès noemt hij zijn toehoorders, letterlijk: komedianten, toneelspelers, mensen die maar doen alsof (Lucas 12:56).

Als we echt zouden hopen op de vernieuwing van onze wereld, dan zouden we er niet naast kunnen kijken, zelfs al zouden we het willen:

Dan worden blinden de ogen geopend,
de oren van doven worden ontsloten.
Verlamden zullen springen als herten,
de mond van stommen zal jubelen:
waterstromen zullen de woestijn splijten,
beken de dorre vlakten doorsnijden.
Het verzengende land wordt een waterplas,
dorstige grond wordt waterrijk gebied;
waar eenmaal jakhalzen huisden,
maakt dor gras plaats voor riet en biezen (Jesaja 35,5-7).

Het gaat erom dat wij ons opnieuw laten kneden tot de ontvangers van deze tekenen. Zodat wij weer de klei worden die door hem wordt gevormd (vgl. Jesaja 64,7) en ons laten herscheppen.  

Erik Borgman is hoogleraar Publieke Theologie aan Tilburg University en lekendominicaan. Hij is o.a. betrokken bij het ‘Huis van Dominicus‘ in de Dominicus in Utrecht. Zijn meest recente boek Alle dingen nieuw: Een theologische visie voor het 21ste eeuw. Deel I: Inleiding en Invocatio werd verkozen tot Beste Theologische Boek van het jaar 2019/2020.
Bezoekers van het nieuwe platform theologie.nl kunnen dit boek nu met korting bestellen.

< Terug