< Terug

Spiritualiteit in coronatijd: indalen in het leven zoals het werkelijk is

Ik voelde mij als een schaap zonder herder die werd benaderd als potentiële herder door mensen die het deden voorkomen alsof zij zijn schapen wilden zijn. 

Erik Borgman

Erik Borgman

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Erik Borgman over spiritualiteit.

Lees ook de andere theologenblogs.

Ook al voor de coronacrisis vond Erik Borgman dat de vraag naar goed leven weer op tafel moet komen. In de samenleving, maar ook in zijn eigen bestaan. Dat heeft een intellectuele, maar ook een spirituele kant. De vraag naar goed leven moet immers indalen in het leven zoals het werkelijk is en geleefd wordt. Een verslag van het herontdekken van een oude vorm: het dagelijks bidden van de getijden.  

Hoewel ik er, anders dan veel anderen in onze samenleving, nog niet ziek van werd, ervoer ik veel verbanden waarin ik functioneerde al langere tijd eerder als een last dan als een steun. Ik voelde mij behandeld als een radertje in de grote, anonieme machine die de samenleving klaarblijkelijk was geworden en ik behandelde mijzelf zo. Ik voelde mij geprest tot manieren van denken en doen die haaks stonden op alles waarin ik geloofde. Ik waardeerde ontwikkelingen anders aan dan dat naar mijn gevoel in mijn omgeving als vanzelfsprekend gold.

Doen wat ik meen te moeten doen

Dus deed ik wat ik meende te moeten doen en wat ik meende dat ik kon, als theoloog en academicus. Ik bestudeerde, doordacht en schreef op hoe de samenleving is en hoe zij anders kan zijn en anders gezien kan worden. Ik werkte uit hoe volgens mij de kerk zich van een instituut in afbraak zou kunnen omvormen tot een beweging in opbouw. Ik onderzocht hoe ik de lezing van de christelijke traditie en de lezing van de wereld en de geschiedenis kan verantwoorden die hieraan ten grondslag liggen. Het bleef niet zonder respons. 

Toch klopte er ook iets niet. Ik hoopte dat de wereld weer een vruchtbare akker zou worden en zich als zodanig zou laten kennen doordat het zaad dat erop gezaaid werd dertig-, zestig- en honderdvoudig vrucht zou brengen (Matteüs 13,8 en 23; Marcus 4,8 en 20). In plaats daarvan voelde ik mij ‘een riet dat beweegt in de wind’ (vgl. Matteüs 11,7) en daardoor de aandacht trok van mensen die begonnen te vragen wat hij dacht te doen om hun situatie te veranderen. Ik verlangde nu juist naar een gemeenschap die met mij naar de mogelijkheden tot verandering zocht. Ik voelde mij als een schaap zonder herder (Matteüs 9,36; Marcus 6,34) die werd benaderd als potentiële herder door mensen die het deden voorkomen alsof zij zijn schapen wilden zijn. 

Aanwijzing in plaats van afwijzing

Ik heb blijkbaar de neiging te doen wat ik bij anderen bekritiseer: te proberen anderen te laten gaan waarheen ik meende dat ze moesten gaan. Als ze dat niet deden, voelde dit als een afwijzing in plaats van als een aanwijzing. Wie een aanwijzing ervaart als afwijzing, kan de aanwijzing niet aannemen. Een aanwijzing veronderstelt verbondenheid, het verlangen te begrijpen wat je wordt aangezegd. Een afwijzing kun je proberen ongedaan te maken zodat de verbinding wordt hersteld, of je kunt de afwijzing accepteren en de verbinding verbreken. Maar je krijgt pas iets te zeggen als je wat anderen te zeggen hebben kunt horen als aanwijzing voor wat er gezegd moet worden. 

Het staat blijkbaar niet voor niets in elk evangelie, en in de evangelies van Matteüs en Lucas zelfs twee keer: ‘wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie het verliest, zal het vinden’ (Matteüs 10,39 en 16,25; Marcus 8,35; Lucas 9,24 en 17,33; Johannes 12,25). Het inzicht is voor het christelijk geloof zo essentieel dat alles ermee staat of valt. Tegelijkertijd gaat in tegen alles waartoe we spontaan geneigd zijn, zelfs als we ons inzetten voor een wereld die op deze paradox is gebouwd – tenminste, dat is mijn ervaring. Je kunt deze paradox blijkbaar ook op zo’n manier deel van je leven maken, dat het zelf een motief wordt om je leven te willen behouden en het niet te willen verliezen. 

Terugvinden waar het om te doen was

Het is een oud inzicht dat het onmogelijk dergelijke paradoxen te begrijpen zonder ze te leven. De vormen die hiervoor gevonden zijn, vormen samen de traditie van wat in de rooms-katholieke traditie ‘het Godgewijde leven’ heet. De meest bekende gestalte hiervan is het in toewijding aan God en de naasten gezamenlijk een gemeenschap vormen, zoals in een klooster. Nu ben ik zelf geen kloosterling, maar ik ben wel al zo’n vijfendertig jaar betrokken bij de Orde van de Dominicanen en daar ook lid van op een manier die past bij het feit dat ik ook echtgenoot, vader en opa ben. Het hoort bij de dominicaanse spiritualiteit – overigens een woord waar dominicanen niet zo van houden, maar dat laat ik nu maar even zitten – om de stemmen om je heen en in je te horen als aanwijzingen van wat je moet doen en zeggen: dominicanen zijn bij uitstek gericht op de prediking. 

Maar je moet jezelf steeds weer opnieuw in dit spoor zetten. Want hoe gaat dat? Je begint er vol goede moed aan, maar het leven verandert, de aandacht verslapt, de motivatie verschrompelt en wat begint met ‘als het niet kan zoals het moet, moet het maar zoals het kan’, eindigt als nieuwe norm. Tot er een grens bereikt wordt en je probeert terug te vinden waar het ook weer om te doen was. En hoe je dat terug kunt vinden. 

Weer iets te zeggen krijgen

Het religieuze en spirituele leven in christelijke zin is uiteindelijk een bewuste poging in te dalen in het leven zoals het werkelijk is. Het is erop gericht voorbij te komen aan alle idealen en illusies en zo te ontdekken wat er werkelijk gevraagd wordt. En in respons daarop te lezen. De coronacrisis heeft ertoe geleid dat ik heb herontdekt hoe belangrijk het gebed daarbij is. Niet het vrije ‘praten tegen Onze-Lieve-Heer’, maar het geregelde kloosterlijke gebed. Het getijdengebed: dagelijks psalmen en andere Bijbelse lofzangen zingen, spreken en overwegen, Bijbelsteksten lezen en in stilte overwegen en zo de wereld voor God brengen en jezelf in die wereld, die voor God staat. Ik ben dat met mijn vrouw en een aantal anderen gaan doen in de kerk waar wij naast wonen. Juist in coronatijd. 

Kort voor het einde bidden we het Onzevader. Dat wordt steeds ongeveer als volgt ingeleid: ‘Vatten wij alle gebeden van de wereld en onze eigen gebeden samen in het gebed dat Jezus ons heeft geleerd.’ Het getijdengebed is als een antenne die de gebeden van de wereld opvangt en weer uitzendt. Zo krijg je wat te zeggen als er niet zoveel te zeggen valt. In coronatijd bijvoorbeeld.

Lees meer van Erik Borgman:

< Terug