< Terug

Spirituele biografie als hedendaagse dogmatiek

Interview met Martien Brinkman naar aanleiding van Hoe mijn God veranderde

Vertel eens iets over jezelf: wie ben je? Wat doe je in het leven naast schrijven van boeken? Wat inspireert jou in het leven?

Ik ben sinds 2015 emeritus professor theologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam. In de jaren tachtig was ik predikant in Zandvoort. Ik preek regelmatig en houd lezingen in het land.  Daarnaast ben ik nog steeds een hardloper, probeer met verve de rol van grootvader te spelen, hang een beetje de tuinman uit, lees veel en fiets en wandel met mijn echtgenote ook heel wat af in de regio Soest. Naarmate ik ouder wordt, ben ik steeds meer geneigd elk moment van de dag en elke ontmoeting kostbaar te vinden. Ik begin steeds meer van kleine dingen te genieten.

Je hebt een boek geschreven: Hoe mijn God veranderde. De ondertitel van je boek is: Een reisverslag. In welk opzicht kan je boek een reisverslag genoemd worden? Is het alleen een reisverslag, of is het ook nog iets anders?

De uitdrukking ‘reisverslag’ slaat meer op de geestelijke reis die ik in 50 jaar theologiebeoefening heb doorgemaakt, dan op een concrete reis. Ook al heb ik vooral in mijn werkzame leven aan de VU wel veel gereisd. Dat bracht mijn vakgebied (de oecumene en de niet-westerse theologie) met zich mee. Inhoudelijk verschoof mijn aandacht in de loop der jaren nogal: van de protestantse en rooms-katholieke West-Europese theologie van de zeventiger jaren naar de oecumenische ontwikkelingen in de jaren tachtig en negentig. Vanaf 2000 richtte ik me voornamelijk op de niet-westerse (m.n. Afrikaanse en Aziatische) theologie. Uiteindelijk kwam ik uit bij een sterke fascinatie voor de westerse kunst (film, literatuur en beeldende kunst). Die belangstelling focus ik de laatste tien jaar vooral op de relatie religie en poëzie. Dat zijn heel wat uiteenlopende aandachtsgebieden, maar het gaat dan ook om een periode van 50 jaar waarvan ik er heel wat aan onderzoek heb kunnen wijden. In dit boek laat ik zien hoe al die uiteenlopende aandachtsvelden ook hun sporen in mijn denken hebben nagelaten en hoe er dwarsverbanden zijn aan te leggen.  

Toen mijn zeventigste levensjaar naderde, ben ik me steeds meer af gaan vragen waar al dat gestudeer nu op neerkwam. Dat resulteerde in de boeken Grote woorden (2019), Met of zonder? (2021) en nu in Hoe mijn God veranderde. In die drie boeken zet ik mijn geloof in de grote woorden van de christelijke traditie op een rijtje en geef aan wat er in de loop der jaren voor mij veranderd is.  Ik maak met zoveel woorden de som op. In feite vormen die laatste drie boeken een kleine, eigentijdse dogmatiek in de vorm van een spirituele biografie. 

´Bij het schrijven van dit boek had ik zowel de vele protestantse en rooms-katholieke generatiegenoten op het oog die de kerk verlaten hebben, maar hun geloof niet, als ook al die generatiegenoten die wel lid van een kerk zijn gebleven, maar zich voortdurend afvragen wat ze nu eigenlijk geloven.´

Welke lezer had je voor ogen bij het schrijven van dit boek? En wat kan deze lezer van je boek verwachten?

Bij het schrijven van dit boek had ik zowel de vele protestantse en rooms-katholieke generatiegenoten op het oog die de kerk verlaten hebben, maar hun geloof niet, als ook al die generatiegenoten die wel lid van een kerk zijn gebleven, maar zich voortdurend afvragen wat ze nu eigenlijk geloven.

Tot mijn verbazing merk ik nu ruim een maand na verschijnen van het boek dat ook orthodoxe jongeren naar het boek grijpen. Het woordje ‘mijn’ in de titel Hoe mijn God veranderde, boezemt hen blijkbaar voldoende vertrouwen in. De lectuur van het boek zal hen, hoop ik, inderdaad in de indruk bevestigen dat het in mijn boek niet om het zoveelste boek gaat van een wat oudere theoloog die zijn geloof heeft verloren, maar om een theoloog die juist in gesprek met andere wetenschappen en met de kunsten zijn geloof heeft behouden, hoezeer hij ook bepaalde zaken in de loop der jaren anders is gaan zien.  Vooral het hoofdstuk over plaatsbekleding waarin ik elke traditionele, dogmatische terminologie vermijd en een pleidooi voor plaatsbekleding houd vanuit moderne films, blijkt hen aangenaam te verrassen.

Je schrijft in je inleiding: “Ik denk dat het belangrijkste motief om mij met theologie bezig te houden de overtuiging was dat het in elk dogma, hoe inmiddels ook gestold en schijnbaar ontdaan van elke levensnabijheid, uiteindelijk gaat om de verwerking van centrale levensvragen.”

Hoe ziet dit er precies voor jou in de praktijk uit? Kun je hier een voorbeeld van geven? En sta je hier nu ook nog op deze manier in?

Ik denk dat aan mijn instelling ten opzichte van de theologie in de afgelopen vijftig jaar weinig veranderd is. Ik heb gelukkig bijna altijd wel echte levensvragen achter de grote theologische twistpunten kunnen ontdekken. Lang heb ik het echter gelaten bij het bepalen van mijn eigen positie en heb ik niet de allerlaatste stap gezet, namelijk kort en bondig ingaan op de vraag waar het nu eigenlijk op neerkomt. Tijdens colleges deed ik dat ‒ al of niet daartoe uitgedaagd door de studenten – wel, maar schriftelijk te weinig, vind ik nu achteraf. Dat doe ik nu dan maar in de laatste drie boeken. Om een voorbeeld te geven:  

Ik heb veel over de sacramenten van doop en avondmaal geschreven, maar in dit laatste boek laat ik pas heel expliciet zien hoe belangrijk onze sacramentsopvatting is voor ons mensbeeld. Als het in doop en avondmaal inderdaad gaat om het geschenk steeds opnieuw te mogen beginnen, dan is die opvatting ongelooflijk belangrijk voor ons mensbeeld. Dan betekent dat dat we geen mens op zijn verleden vast kunnen/mogen pinnen. Daar straalt een prachtig mensbeeld uit: barmhartiger kan haast niet. 

Je hebt eraan gedacht, schrijf je in je inleiding, om je boek de ondertitel te geven: “theologie na Kuitert”. Wie was Kuitert en wat betekent zijn leer voor jouw ideeën over theologie?

Kuitert (1924-2017) was hoogleraar ethiek en inleiding dogmatiek aan de VU.  Hij is de meest gelezen Nederlandse theoloog van de tweede helft van de twintigste eeuw. Vanwege zijn toegankelijkheid en uitdagende speek- en schrijfstijl was hij bij ons als studenten vooral in de jaren zeventig heel populair. Hij voerde een vurig pleidooi voor de menselijke (al te menselijke) rol in de geloofsoverdracht zoals die in bijbel en traditie tot ons komt. Daarin sloeg hij echter rond de eeuwwisseling door en ging vanaf 2000 geloof steeds meer zien als ‘slechts’ een product van menselijke verbeelding (projectie).  Ik ben bij hem in de dogmatiek gepromoveerd. Ik heb altijd het contact met mijn Doktorvater  onderhouden en veel met hem over de godsvraag gediscussieerd. Op dat punt gingen onze wegen steeds meer uiteen. Tegen hem ben ik altijd vol blijven houden dat er geen dwingende redenen zijn onze godsbeelden uitsluitend tot onze eigen projecties te reduceren. Ze kunnen ook heel goed ‘van elders’ worden opgeroepen.

´Vanaf het boek Jezus incognito (2012) verdedig ik in elk boek de stelling dat kunst ook een bron van theologie is.´

Kunst speelt een grote rol in je boek. Zo citeer je in je inleiding gedichten en het eerste hoofdstuk begint met een schilderij van Rembrandt. Wat heeft kunst precies te maken met theologie en onze ideeën over God? Wat maakt dat kunst voor jou en je geloofsleven zo belangrijk is? Zou kunst ook belangrijk moeten zijn voor ons en ons geloofsleven?

Vanaf het boek Jezus incognito (2012) verdedig ik in elk boek de stelling dat kunst ook een bron van theologie is. Daarin werd ik in 2011 met name bevestigd door het werk van Larry Kreitzer, een nieuwtestamenticus uit Oxford. Hij publiceerde verschillende boeken met steeds dezelfde ondertitel: Reversing the Hermeneutical Flow, de omkering van de uitlegrichting. Daar bedoelde hij mee dat je nog zo knap kunt zijn als exegeet, maar dat je als theologische vakman toch nooit in de uitleg van het Evangelie die snaren kunt raken die Bach in zijn Matteüs Passion, Rembrandt in het schilderij ‘De terugkeer van de verloren zoon’ en Grünewald in zijn altaarschilderingen raken. Ook zij zijn exegeten, bijbeluitleggers! Dat geldt tegenwoordig ook voor veel films. Kunst kan blijkbaar een vorm van levensnabijheid oproepen die het gesproken of geschreven betoog niet kan benaderen. Ik zie het als mijn taak als theoloog toch die verbinding tussen dat betoog en die kunstuitingen te leggen. 

Je schrijft in je epiloog over hoe je beeld van God door de tijd heen veranderd is. Hoe kijk je terug op deze veranderingen?

De ontdekking ‒ met behulp van bijbelwetenschappers ‒ dat de bijbelschrijvers ook in hun spreken over God kinderen van hun tijd zijn, heb ik als bevrijdend ervaren. Daardoor kon ik gemakkelijker het hardvochtig spreken over God als over een wraakzuchtige aardse heerser ‒ een beeld dat zich onmiskenbaar uit een flink aantal psalmen opdringt ‒ terzijde schuiven.  Ook het beeld van God als een almachtige meester Albedil die naar believen de menselijke verantwoordelijkheid kan uitschakelen, met name tot uitdrukking komend in een bepaalde voorzienigheidsleer, heb ik achter me gelaten. Terugprojecterend vanuit het beeld dat Jezus ons van zijn Vader schetst, kom ik nu in het Oude Testament eerder uit bij een God van recht en gerechtigheid, trouw en barmhartigheid. Over die God ben ik ook intiemer en nabijer gaan denken dan ik vroeger deed. Vooral het spreken over God als een steeds opnieuw weer leven schenkende kracht helpt me daar bij. Die God ken ik de uiteindelijke macht in ons leven toe.

Wat hoop je dat lezers van je boek zullen opsteken?

Ik hoop dat de lezers zullen ontdekken dat we altijd in beelden over God denken. Beelden die een gooi doen naar Zijn werkelijkheid. Natuurlijk zijn we in die beelden door de eeuwen heen voortdurend op zoek naar constanten (God de eewige, getrouwe, barmhartige, vergevingsgezinde, etc.), maar die constanten zijn ook weer tijdgebonden. Dat noopt tot conceptuele bescheidenheid en relativiteit, steeds opnieuw echter gevoed door een ons in Jezus onthulde god-menselijkheid (nabijheid Gods in al het menselijke).

Kortom, te midden van alle bescheidenheid en relativiteit, moge duidelijk zijn dat de mens en de wereld zichzelf niet genoeg zijn en steeds opnieuw geconfronteerd zullen worden met een ‘beyond in our midst’ waarin ik het niet kan laten de contouren van de Jezusfiguur te ontdekken.


Martien Brinkman. Hoe mijn God veranderde. Een reisverslag. Utrecht: KokBoekencentrum, 2022. 288 pp. €22,99. ISBN 9789043537971.

< Terug