Kijk op de ziel met Marilynne Robinsons ‘Jack’

De ziel is bij Robinson de onverwoestbare bodem die ons voor mensen en God waardevol maakt.

Elke week publiceert Theologie.nl een actuele theologische blog, geschreven door richtinggevende theologen. Deze week: Martine Oldhoff over de ziel in Marilynne Robinsons nieuwe roman 'Jack'.

De gevierde Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson is een fervent pleitbezorger van de ziel. In zowel haar essaybundels als haar romans is de menselijke ziel belangrijk. Haar fans konden afgelopen najaar hun hart weer ophalen. Er verscheen namelijk een nieuwe roman in de Gilead-serie: Jack. In deze recente pennenvrucht spreken de karakters zelfs nog meer dan in haar eerdere romans over de ziel.

Jack en de ziel

Robinsons magistrale pen voert de lezer kundig mee in het landschap van de menselijke ziel en een ontluikende relatie tussen twee individuen. In Jack staan John Ames (‘Jack’) Boughton en de liefde tussen hem en Della Miles, centraal. Robinson laat de lezer meelopen in Jacks schoenen. De eenzame ziel Jack zoekt naar verlossing, van zijn schuld, zijn schaamte, en eigenlijk ook van zijn bestaan.

Zijn oudste vraag is: hoe leven mensen? (M. Robinson, Jack, p. 140) Hij weet niet hoe hij moet leven. Hij streeft ernaar om ‘harmless’ te zijn, dat is voor hem alleen zijn. En zo vlucht hij steeds, trekt zich terug, tot op het kerkhof, waar hij zelfs nachten doorbrengt. Het vat zijn leven samen. Della, de onverwachte liefde van zijn leven en dochter van een zwarte predikant met aanzien, zegt: “Je leeft als iemand die dood is gegaan”. Della is de vrouw die hem in het leven wil trekken en dat ook doet. Je moet leven! Zij komt hem tegen op dat kerkhof en alleen al de gedachte aan haar, doet hem leven (p. 98).

Ze begint al vlot over de ziel. “Ik geloof dat we een ziel hebben. Ik denk dat dat waar is.’ Daar kon hij mee omgaan. ‘Interessant’, zei hij. ‘Ja, ik denk dat ik het ermee eens ben. Een mooie gedachte in ieder geval. Eigenlijk. Afhankelijk van wat het betekent dan. Verwerping. Toen dacht hij: jij bent mijn ziel. Maar hij zei het tenminste niet.” (p. 43)

Een heldere ziel

Later geeft Della een definitie van de ziel, met name aan de hand van negaties:

“We hebben allemaal een ziel, nietwaar? […] Dat hebben we. We weten het, maar vooral omdat het een gewoonte is dat te geloven, niet omdat het voortdurend werkelijk zichtbaar voor ons is. Maar eens in een leven, misschien, kijk je naar een vreemde en zie je een ziel, een glorieuze presentie die niet op haar plaats is in de wereld. En als je van God houdt, is iedere keuze voor je gemaakt. Je kunt je er niet van afkeren. Je hebt het mysterie gezien – je hebt gezien waar het leven om gaat. Waar het toe dient. En een ziel heeft geen aardse kwaliteiten, geen geschiedenis in de dingen van deze wereld, geen schuld of kwetsuur of mislukking. Niet meer dan een vlam zou hebben. Er is niets wat erover gezegd kan worden behalve dat het een heilige menselijke ziel is. En het is een wonder wanneer je het herkent.” (p. 208)

Daarop vraagt Jack of hij immuun is voor oordeel vanwege zijn hemelse natuur. Della antwoordt dat andere mensen dat ook zijn. Omdat ze zijn ziel heeft gezien weet ze dat ze niet over hem moet denken op de wijze dat mensen dat doen als ze hem oordelen. “De Heer zegt: ‘Oordeel niet’ want als hij naar mensen kijkt, ziet hij slechts zielen.” Ze voegt ook nog toe dat zijn ziel het meest helder is (p. 209).

Della als verlosser

Hier proeven we Robinsons eerbied voor de ziel. Haar fictionele karakter Della spreekt in lijn met haar eigen denken in haar essays. Dit herinnert ook aan een traditionele functie van de ziel in de theologie: het bevatten van het beeld van God. Het ‘beeld van God’ dragen is dan ook een belangrijke notie voor Robinson. Ze verwijst graag naar Calvijn. Toch gaat ze nog wel een stap verder dan bijvoorbeeld Augustinus en Calvijn als ze de ziel zo op een voetstuk plaatst. De ziel lijkt bij haar soms een licht zonder enig gebrek.

Dat het Della is die een ziel ziet in Jack, net zoals God zielen ziet, onderstreept dat Della als een verlossersfiguur wordt geschilderd. Jezus en Della worden ook expliciet vergeleken: de gedachte aan haar maakt de duisternis draaglijk (p. 254). En dit Christustype Jezus ziet geen zonde, zij ziet alleen een soort schoonheid of helderheid, die ziel. Jack noemt zichzelf de ‘prins van de duisternis’. Della zegt: “Nee, je bent gewoon een praatgrage man met gaten in zijn sokken” (p. 40).

Della ziet zijn ziel en erkent zo zijn bestaan en trekt hem het leven in. Jack spreekt meermaals profetische woorden: “Kunnen deze botten leven? O Heer U weet het. Maar voor jou, juffrouw Miles…” (p. 83) Hij bidt nog: houd haar veilig van mij. Maar ze komt toch. Die genade valt hem toe: het bestaan, het leven.

Robinsons universum en Christus

Het is Robinsons universum ten voeten uit: vol van genade. Zij ziet zijn ziel, zij ziet hem zoals God hem ziet. In haar essays schrijft Robinson dat schepselmatig bestaan bepaald is door Gods liefde voor mensen. De werkelijkheid van de wereld is dat God haar zo heeft liefgehad. Christus’ dood openbaart volgens Robinson dan ook een basiswaarheid van het geschapen bestaan: mensen zijn geliefde schepselen van God. Want: mensen zijn er niet makkelijk van overtuigd dat God ze werkelijk liefheeft.

De natuur van Christus is in de schepping en vanaf het begin een aspect van de relatie van God met de wereld (Robinson, The Givenness of Things, p. 196-198). God schiep de wereld met het menselijke leven van de eeuwige Zoon in zijn gedachten. Zijn leven staat in het centrum van Gods relatie met mensen en definieert het zijn van de schepping en van essentiële menselijkheid (The Givenness of Things, p. 209.). God bevestigt de heiligheid van mensen in de incarnatie, dood en opstanding van Jezus Christus. Dat zijn hoog geladen uitingen van de aard van het ‘Zijn’ en het menselijke zijn. In The Givenness of Things schrijft ze:

“Ik beschouw de christelijke mythos als een speciale openbaring van een algemene waarheid, waarbij die waarheid is dat de mensheid ontologisch de centrale plaats in de geschapen orde heeft en met haar theologische uitvloeisel dat mensen als zodanig een diepe en unieke heiligheid hebben.” (The Givenness of Things, 222)

Volgens Robinson heeft de genade van God als middel ons aanbieden van genade aan elkaar. Wij mensen delen zijn genade uit, zijn liefde voor allen. Christus’ persoon en werk zijn een uitdrukking van een algemene waarheid, die eigenlijk altijd beschikbaar is, al in de schepping. Bij Robinson is genade natuur geworden. Onze relatie met God wordt een constant beschikbaar kenmerk van het geschapen bestaan. De ziel moet niet zozeer worden gered, maar opgedolven en geheeld. 

De ziel als grond?

Della heeft Jack lief. Haar trouw aan hem en zijn voorzichtige ontvangen daarvan zijn als kleurrijke zijdedraden in een mand vol grove, grauwe weefsels. Zo krijgen deze twee mensen een tere schoonheid. Wat ziet Della in Jack? Zijn schittering, want zij ziet zijn ziel. Zo valt juist degene die zich afvraagt of hij uitverkoren is voor de verdoemenis, juist deze ‘atheïstische ziel’ (Jack, p. 230) genade ten deel.

Het is Robinsons creatieve omgang met uitverkiezing. Maar het is bovenal haar visie op de mens en zijn ziel en haar denken over hoe Gods genade werkt. Getuige haar essays, is de reden dat deze ziel bemind kan worden de universele en onvervreemdbare heiligheid van de ziel. Robinson meent dat ieder mens, iedere ziel, intrinsiek het liefhebben waard is voor God en zo ook voor andere mensen. Mensen kunnen dat: iets moois in een ander zien. De ziel is bij Robinson de onverwoestbare bodem die ons voor mensen en God waardevol maakt.

Genade gegrond in God

Toch haper ik hier. Als het om genade gaat in de context van het christelijk geloof, hoeven we de grond daarvan niet te zoeken in de mens en zijn ziel. De Schrift openbaart ons humanisten iets wat we misschien niet willen horen: dat Gods liefde gegrond is in God zelf. Het wordt niet (mede) opgewekt door iets aantrekkelijks in ons mensen. God kan, in tegenstelling tot mensen, liefhebben wat onaantrekkelijk is. Ik denk aan Romeinen 5:8: “Maar God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren” (NBV).

Juist Jack toont het onaantrekkelijke gestuntel van de mens, het ontbreken van een ‘mooie ziel’ die “geen aardse kwaliteiten” (zie boven) zou hebben. Mogen we in de liefde tussen Della en Jack naast de ongewone en ontroerende liefde tussen twee mensen die Robinson schetst dan misschien ook een verbeelding zien van Gods liefde voor zijn vijanden in wie niets aantrekkelijks is (Rom 5:8)? Dan verbeeldt de zwarte Della als Christustype dat God kan liefhebben wat níet aantrekkelijk is. Hij die geen onschuldige spotvogel is, kan misschien ook de onrechtvaardige zijn die rechtvaardig wordt gerekend. Niet verworpen, maar uitverkoren.

Zo’n interpretatie van Jack behelst wel een andere theologische en antropologische weg dan die van Robinson zelf. De ziel is dan niet die ‘glorieuze presentie’ die een mens als Jack een hemelse natuur toeschrijft. Deze ontheiligde menselijke ziel dient zich aan, zoals de ziel zich niet laat wegreduceren in de filosofie en onze ervaring van de werkelijkheid. Deze onbeminnelijke ziel kan Gods rechtvaardiging en liefde ten deel vallen – in geloof. Robinsons romans helpen lezers de werkelijkheid te zien als een plaats waar die genade begint te geschieden. 

In de volgende uitgave van tijdschrift Wapenveld (juni – 3/2021) vindt je een uitgebreider artikel over Marilynne Robinson’s werk en de ziel.

Andere Theologenblogs

Het is al weer even geleden dat het autobiografische boek van Lale Gül verscheen. In Ik ga leven beschrijft ze het streng Turks-islamitische milieu waaraan ze zich ontworstelt. Dat gaat verbaal gezien met grof geweld, zeker als ze het over haar moeder heeft. Het boek getuigt van een vrijheidsstrijd waarin heel veel kapot gaat.

Waarom bestaan er eigenlijk theologen en waarom zou theologie belangrijk zijn? Die vraag hoor je nogal eens. Natuurlijk vanuit de maatschappij en de academie: Is theologie eigenlijk wel een wetenschap, of draait het alleen om meningen? Maar ook in de kerk: je moet gewoon geloven en het niet te ingewikkeld maken. En voor theologen zelf is het wel gezond en goed om nog eens na te gaan waartoe zij op aarde zijn. Ik noem vier redenen.

Kijk op de ziel van theologe Martine Oldhoff is een gespreks- en bezinningsboek dat de betekenis van de ziel in het christelijke geloof verwoordt. De ziel duikt overal op. Van seizoenen lang in ‘Kijken in de ziel’ op de televisie tot in het spirituele tijdschrift Happinez. Tegenwoordig nemen veel gelovigen het woord minder gemakkelijk in de mond. Dat is jammer, want eeuwenlang was de ziel een bekend begrip in kerk en theologie. Oldhoff werpt een nieuw licht op dit oude woord. 

kijk op de ziel martine oldhof

Tags:

Meer Systematische theologie