< Terug

Van de Beek sluit de Geest op in het ambt – door drs. Teun van der Leer

Ook deze keer heb ik het nieuwste boek van prof. dr. Bram van de Beek, Lichaam en Geest van Christus, met grote interesse gelezen. Van A tot Z, inclusief de voetnoten. Als altijd weet Van de Beek (van nu af: VDB) te boeien met zijn brede kennis van Bijbel en theologie, te prikkelen met zijn eigen verrassende invalshoeken en uit te dagen met zijn vaak scherpe en dwarse stellingnames. Zo zijn er mooie passages over de Schrift, de canon, de verhouding Oude en Nieuwe Testament en hermeneutiek. Maar ook over Maria, de Triniteit en de persoon van de Heilige Geest. VDB houdt van Christus, van de Schrift en van de kerk. Die liefde deel ik. Toch is er geen boek van zijn hand waarmee ik het zo fundamenteel oneens ben als met dit boek. Dat heeft er alles mee te maken dat hij even nadrukkelijk de hand reikt aan Rome als dat hij de vrijkerkelijke ecclesiologie afwijst. Beide betreur ik. Ik denk niet dat we deze kant uitmoeten. Daarom reageer ik vooral kritisch.
Mijn eerste vraag ligt al direct bij zijn keuze om éérst over de kerk te spreken en dan pas over de Geest. Nu deel ik zijn huiver om de pneumatologie zo breed uit te laten waaieren dat die wordt losgezongen van de christologie, maar dat is nog wat anders dan de Geest van de weeromstuit zo’n beetje op te sluiten in de kerk, of eigenlijk in het ambt. Dat is de consequente uitkomst van VDB’s keuze om het Nieuwe Testament (NT) te lezen door de bril van de kerkvaders in de eerste drie eeuwen, met als het om de ecclesiologie gaat een sterke oriëntatie op Ignatius (‘waar de bisschop is, daar is de kerk’) en Cyprianus (de kerk als moeder, buiten wie geen heil is). Waar ik me met Nieuwtestamentici als bijv. Schweitzer, Reiling en Dunn blijvend verbaas over de kloof die er is tussen de wereld van het NT en de vroege kerk, juist als het gaat om de ecclesiologie, ziet VDB hier een doorgaande lijn. Zaken als het bisschopsambt en de kinderdoop moeten naar zijn mening wel van de apostelen zijn overgeleverd, want anders was er wel meer protest tegen geweest. Een dergelijk argumentum ad silencio vind ik wel erg mager om zulke omstreden en in hun ecclesiologische consequenties verstrekkende noties te onderbouwen en uit te dragen. Terecht merkt VDB op dat de Schrift aanzetten (252) geeft voor een ambtelijke structuur. Maar dat is nog wat anders dan het ambt op hetzelfde niveau als de Schrift (en het Symbool) tot bewakingsinstrument van de kerk te maken.
Wat mijns inziens meer een randverschijnsel in het NT is dat per context onder leiding van de Geest zijn eigen gestalte mag krijgen, vormt voor VDB het hart. Hij gaat zelfs zover te zeggen dat aan het geordineerde ambt via de Woordverkondiging en de toelating tot de eucharistie ‘de sacramentele toegang tot God en zo de sleutels van het hemelrijk zijn toevertrouwd’ (206). De ambtsdrager is de instantie die de kerk bij Christus houdt in persoon, hij is ‘de priester van Christus’ (207). Ambtsdragers mogen beslist niet democratisch verkozen worden, want als iedereen verantwoordelijk wordt voor de koers van de kerk, kan dat alleen tot chaos leiden (198). Eén van de redenen waarom ik vermoed dat er kort na het NT zo snel gekozen is voor de verambtelijking ten koste van de charismatische gemeenschap, is die vermeende angst voor ‘de chaos’ als ‘iedereen maar meedoet’.
Toch is dat laatste precies wat het NT mijns inziens leert. Dat er géén hiërarchie is en géén tweedeling tussen clerus en volk, maar dat allen de Geest ontvangen, allen kunnen profeteren, allen priester zijn en allen delen in de verantwoordelijkheid om het lichaam op te bouwen in de liefde. Tegenover het enthousiasme van de Korintiërs dat tot zoveel conflicten leidde, heeft volgens VDB ‘Christus aan de kerk het geordineerde ambt gegeven en dat is een zegen’ (246). Het ambt wordt wel vaker ‘verdedigd’ met een beroep op 1 Korintiërs. De vraag is dan wel waarom Paulus zelf niet met die oplossing kwam. Juist in de Korintebrief noemt hij het niet, behalve via de lijst met charismata (apostelen, profeten, leraren). Op geen enkele wijze bekritiseert hij het charismatische op zichzelf. Hij reguleert het alleen. Zoals een verstandige overheid het verkeer niet afschaft als het een chaos wordt, maar het reguleert met regels, borden en verkeerslichten.
Het (noodzakelijke!) ‘tegenover’ in de gemeente is niet gefixeerd in een ambtsdrager, maar in het Woord dat door de Geest mij als een spiegel wordt voorgehouden via een andere broeder of zuster en uiteraard ook – maar niet exclusief – door een ambtsdrager. De hele gemeente heeft de roeping ‘elkaar te vermanen’. Wie daar een duidelijke gave voor heeft kan – met erkenning daarvan door de gemeente – een ambt of een bediening worden toevertrouwd. Met andere woorden: het charisma bepaalt het ambt, niet andersom (zie opnieuw 1 Kor. 12). VDB hecht zeer aan het geordineerde ambt, waarbij tijdens de ordinatie het charisma geschonken wordt. Dat lijkt me eerder de uitzondering die de regel bevestigt (en die regel is dat de volgorde omgekeerd is).
Het is een beetje lastig om vanuit het baptisme en het evangelicalisme het debat met VBD aan te gaan. In zijn Woord vooraf geeft hij eerlijk aan dat hij zich heeft moeten beperken als het gaat om het in gesprek gaan met het hele brede veld van de theologie en dat dus ‘de Middeleeuwen, de oosterse kerken, het methodisme en het baptisme node worden gemist’. Dat is te begrijpen. Maar het is dan wel jammer dat hij desondanks vaak zo stellig is in wat volgens hem baptisten, evangelischen en charismatici geloven en daar een niet mis te verstaan oordeel over heeft. Waar worden deze oordelen dan op gebaseerd? In elk geval niet op een grondige kennis van zaken. Zo gooit hij evangelischen en congregationalisten regelmatig op één hoop, terwijl de meeste evangelische gemeenten helemaal niet congregationalistisch zijn (was het maar waar!). Het congregationalisme zelf komt nauwelijks aan bod (17 zinnen op p. 228) en wordt niet echt in z’n intenties gepeild. Hier wreekt zich dat hij zich voor zijn kennis van het congregationalisme en van het evangelische denken over de kerk vooral baseert op Ouweneel, die bepaalt niet representatief kan worden geacht (zie mijn genoemde artikel onderaan).
Om me nu verder maar tot de baptisten te beperken: die zijn niet pas na de methodisten ontstaan (maar ruim twee eeuwen eerder) en zijn zeker niet allemaal over een arminiaanse kam te scheren. Sterker: de meeste baptisten waren en een heel aantal zijn nog steeds voluit calvinistisch. Denk maar aan Bunyan, Gill, Fuller, Carey, Spurgeon en Piper. Zo gemakkelijk kun je de volwassendoop niet als een arminiaanse dwaling wegzetten.
Dat is ook een hardnekkig misverstand dat bij VDB steeds weer opduikt: dat bij baptisten en evangelischen de menselijke keuze het een en het al is. En dat zij vooral door het individualisme worden aangestuurd. Wat het eerste betreft: zowel bekering als doop op belijdenis zijn antwoorden op wat de Geest in een mensenhart heeft gewerkt. God heeft het eerste woord, jazeker. Tegelijk hoort dat antwoord er wel helemaal bij en roept de Schrift daar ook voortdurend toe op.
En wat dat veronderstelde individualisme betreft: daar was bij de vroege dopers in de 16e en de baptisten in de 17e eeuw al helemaal geen sprake van. De humor is eigenlijk dat baptisten minstens zulke gemeenschapsdenkers zijn als VDB en in hun ecclesiologie op een bepaalde manier heel dicht bij Rome staan (en op een andere manier heel ver er vandaan). Geloven is geloven in gemeenschap en je verbinden aan de gemeenschap en zo is ook de doop gemeentevormend en zeker geen individuele daad. Het verstaan en de uitleg van de Schriften is ook geen kwestie van ‘lees zelf je bijbeltje maar’, maar het is een lezen in en met de gemeenschap om zo samen te onderscheiden waarop het aankomt (‘discerning the mind of Christ’).
Ik raad ieder aan dit boek goed te lezen. Het is een goed doordacht en consequent opgebouwd betoog dat leest als een trein. Het geeft een helder inzicht in een sterk sacramentele ecclesiologie die verbindend kan werken in het gesprek met Rome. Voor wie daaraan hecht is het zelfs een bemoedigend boek. Maar ook voor wie zoals ik een volstrekt andere ecclesiologische weg inslaat is het boek een aanrader. Het dwingt je immers je positie opnieuw te doordenken en aan te scherpen. En dat laatste is paradoxaal genoeg hard nodig, juist nu dit boek verschenen is!
Over Teun van der Leer
Teun van der Leer is rector van het Baptistenseminarium, de predikantenopleiding van de Unie van Baptistengemeenten in Nederland, verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij doceert o.a. ecclesiologie. Recent verschenen van hem de volgende artikelen over dit onderwerp:
‘Welke kerkvorm heeft de toekomst? De mogelijkheden van een “Believers Church”’ in Theologia Reformata 53.1 (2010), 16-28.
‘De kerk als voertuig van de Geest? Minder ballast, meer mogelijkheden’ in GEESTkracht no. 66 (2010), 3-12.
‘Hoe evangelisch is Bram van de Beek?’ in Soteria 28.3 (2011), 7-12.
‘De kerk van Ouweneel: Moedig en uitdagend, maar ook eenzijdig’ in Soteria 28.4 (2011), 45-49.

< Terug