< Terug

‘Van LEGO kan je alles maken’

Maandag is de dag van de Theologenblog; een actuele blog uit de pen van een richtinggevend theoloog. Deze week is dat Frank Bosman, die schrijft over spelenderwijs theologie bedrijven, aan de hand van LEGO en games.

Frank Bosman

De mens is en blijft een homo ludens: een spelende mens.

Het is 38 jaar geleden vandaag. Gezien de bedrijfsdemografie van het theologisch vak zullen de meeste lezertjes van deze blog zich die tijd nog wel kunnen heugen. Zo wijdde paus Johannes Paulus II op 25 maart van dat jaar de wereld toe aan het Onbevlekt Hart van Maria – zoals overigens vier voorgangers én zijn tweede opvolger ook hebben gedaan; pausen zijn immers gek op continuïteit. Op 15 april vond ook de eerste Wereldjongerendag plaats, dat zou uitgroeien tot de grootste tweejaarlijkse jongerenbijeenkomst ter wereld.

Voor de meer seculier georiënteerden onder ons, het was ook het jaar dat de Russische game Tetris officieel in het moederland werd geïntroduceerd. Het spel bleek naast communisme, postorderbruiden, zelfgestookte wodka en Kalasjnikovs het populairste exportproduct van het land. Het was ook ’t jaar dat Liechtenstein, als laatste Europese land, vrouwen het kiesrecht toekende. Waar een klein landje, nu ja, laat in kan zijn.

Ook met theologie kan je alles maken

Maar 1984 was vooral het jaar dat het wereldberoemde LEGO-reclamelied ‘Van LEGO kun je alles maken’ in Nederland werd geïntroduceerd. De vrolijk door kinderen gezongen tekst luidt: “Van LEGO kan je alles maken / een boot, een vliegtuig of een trein. Een huis met echte daken / heel groot of misschien wel piepklein.”

Mensen die mij al wat beter kennen, zullen ongetwijfeld aanvoelen waarheen mijn gedachten zich bewegen. Niet zozeer naar de grenzeloze keren dat ik mijn vader – zijn naam zij ons tot zegen – liefdevol dwong om een spelletje met mij te spelen, waarin hij de rol van een hokkige chauffeur van een kleine LEGO-bus diende te vertolken. Ook niet naar de op zicht gemaakte helikopter, die – ondanks mijn vermoede gebeden en oneindige kinderhoop – maar niet van het balkon van onze drie verdiepingen hoge flat wilde vliegen.

Pretpark

Nee, de LEGO-reclame doet me gewoon denken aan het beroep dat ik mag uitoefenen: theologie. Of liever gezegd: cultuurtheologie. Theologie is in zichzelf natuurlijk al het pretpark onder de academische disciplines, niet vanwege zijn eigen subject matter uiteraard – die maar al te serieus is – maar vanwege haar intrinsieke vermogen zichzelf te kunnen verdragen door een kunstige combinatie van oprechtheid en spel. Daarin verschilt ze niet zoveel van de andere academische disciplines, maar is zij wel de enige die zichzelf als zodanig durft te erkennen.

Cultuurtheologie is feitelijk de speeltuin binnen de speeltuin: waar lichtvoetig de cultuur wordt doorgestruind

Cultuurtheologie is daarbinnen weer een plaats van spel, zeg maar de feitelijke speeltuin binnen de speeltuin. De cultuurtheoloog gaat lichtvoetig door onze postmoderne cultuur en wijst – onbekommerd als een wijze nar – de plaats aan waar God verschijnt in ons leven. Niet iedereen begrijpt zijn spel, sommige critici zijn bang voor zijn onbevangenheid of zekere mate van onbegrensdheid. Maar geloof me: ze bijten niet.

Uw favoriete cultuurtheoloog surfte deze laatste maanden weer door deze speeltuin heen. Hij zag hoe de Koreaanse Netflix-hit Squid Game een knap geregisseerde kritiek levert op het welvaartsevangelie. U weet wel, van die predikers – vaak zonder enige vorm van relevante theologische opleiding, want kennis is voor heidenen – die verkondigen dat de mate van fysieke welvaart recht evenredig is met de hoeveelheid genade die God je heeft getoond. Daarmee worden Bezos, Gates en Musk direct tot de status van superheiligen verheven, wat maar door al te veel – ook weldenkende – mensen wordt gedaan.

Rabbijn

Maar die favoriete cultuurtheoloog van u speelde ook een flink aantal nostalgische NES-games, uit de jaren tachtig en negentig – toen geluk nog heel gewoon. Het zijn zogenaamde Bible Games, vaak van zo’n slechte kwaliteit dat ze er gewoon mooi van worden.

In Flight to Egypt (onderdeel van het spel King of Kings) bedien je de ezel waarop Maria, Jozef en kindje Jezus probeerden Herodes te ontvluchten. Je vlucht een eindeloze berg op, terwijl van alles en nog wat naar beneden komt rollen om je terug te duwen naar waar je vandaan kwam. De meeste van die tegenstanders zijn dieren. En ja, dieren, die kunnen er niets aan doen, die weten niet beter. Helaas kom je ook enkele rabbijnen tegen die hetzelfde doen. Terugkijkend is dat behoorlijk racistisch, als niet antisemitisch, en zo zie je maar: vroeger was niet alles beter.

“Jij was er niet, dus je hebt geen mening.”

Diezelfde cultuurtheoloog keek naar nog een andere Netflix-serie, het Spaanse Jaguar. Hierin wordt een groepje concentratiekampoverlevers – annex nazi-jagers – gevolgd die in het Madrid van de jaren zestig zoeken naar de gevluchte kopstukken van het Derde Rijk. Een van de jagers is Marsé, een priester die in Dachau meer dan zijn geloof kwijtraakte. Hij vertelt een wrange mop over twee slachtoffers van twee concentratiekampen, die in de hemel bakkeleien over wie ’t nu ’t slechts heeft getroffen. Als God probeert te interveniëren en de twee maant om niet zo heftig te doen, snoert één van hen Zijn mond: “Jij was er niet, dus je hebt geen mening.”

Het is een thema dat door het weefsel van de serie heenspeelt, de theodicee, de Vraag der Vragen van elk monotheïstisch systeem: Si Deus, Unde Malum? Oftewel: als God bestaat, waarom is er dan kwaad? Op het einde van het eerste seizoen knielt Marsé neer voor een verlaten Spaanse windmolen met de wieken in kruisstand, een huwelijk tussen Don Quichote’s en Christus’ dwaasheid. Wij geloven immers in een gestorven God.

Neiging tot spelen

In de speeltuin van de cultuurtheoloog is niet alles pais en vree, het is geen kwestie van goedkope vrede of rimpelloos ademhalen. De regen van het leven hangt evengoed over de speeltuin van de theoloog als de villa van de bankier, de mist van het bestaan verduistert evengoed de kerk van de priester als de winkel op de hoek.

De mens is en blijft een homo ludens: een spelende mens

‘Alles van waarde is weerloos,’ dichtte Lucebert, de man met de twee gezichten, zo realiseren we ons sinds kort. Ik kijk in zijn gezicht en zie mijn eigen spiegelbeeld terugkijken: gevangen tussen de ellende van het ondermaanse en de ononderdrukbare neiging tot spelen, wellicht de enige manier om staande te kunnen blijven. De mens is immer een homo ludens, een spelende mens, zoals Huizinga ons al 84 jaar geleden voorhield.

Wat voor mij blijft, is de volgende film, de volgende game, de volgende serie. 3% wellicht, uit Brazilië, we zullen zien, u zult het wel vernemen. Wat ik ook ga zien, wat ik ook ga doen, ik heb de vaste overtuiging Hem af en toe tegen te zullen komen. ‘O, Heer, U ook hier?’ zeg ik dan tegen mijn scherm. En met een grote glimlach herkennen we elkaar.

Hij wordt de ‘doctor seraphicus’ genoemd, Bonaventura (1221-1274). Is het omdat hij in zijn contemplatieve oeuvre zo vaak zinspeelt op de serafijnen? In zijn boek ‘deDe reis van de ziel tot in God’ is de seraf met zijn drie keer twee vleugels het compositie-motief voor het hele werk, zowel naar vorm als naar inhoud. Ik word steeds weer tot dit ‘stille tijd ’ boekje’ getrokken en hoop dat ik in deze blog iets van vonken kan laten overspringen: – seraf komt tenslotte van saraf, vuur.

In deze boeiende cultuurgeschiedenis verdiept Catherine Wolff zich in de manier waarop mensen en culturen de hemel door de eeuwen heen hebben gekarakteriseerd.

hierna wolff

< Terug