< Terug

Van niks komt niks

Maandag is de dag van de Theologenblog; een actuele blog uit de pen van een richtinggevend theoloog. Deze week is dat Herwi Rikhof, die schrijft over het uit niets geschapen zijn van de schepping en genade.

Herwi Rikhof

Als christen versta je die brekelijke toevalligheid als pure genade; als een echt cadeau.

‘Schepping uit niets’ is een uitspraak die ingaat tegen onze ervaring dat van niets, niets komt. Toch is die vreemde uitspraak van groot belang voor onze visie op God, die als Schepper van niets afhankelijk is en voor onze visie op onszelf die ten diepste grootse gaven zijn.

Een al te herkenbare ervaring

“Niets, heer. Niets? Niets.” Deze uiterst korte dialoog tussen dochter en vader eindigt met de uitspraak van de vader: “niets zal komen van niets”. Het fatale einde van King Lear klinkt al door in de eerste scene. Shakespeare heeft de jongste dochter Cordelia geïntroduceerd met “de laatste, niet de minste” – een formulering die tot een haast internationaal standaard gezegde geworden is: last but not least.

In de conclusie van die korte dialoog tussen haar en haar vader verwerkt Shakespeare op zijn beurt een gezegde dat uit de oudheid bekend is. Van de Romeinse schrijver Lucretius is de uitspraak de nihilo nihil en de Griekse filosoof Aristoteles rapporteert in zijn boek over de natuur een communis opinio onder de vroege natuurfilosofen dat niets in het bestaan komt vanuit niet-zijn. Van niks komt niks.

Drie keer nagenoeg dezelfde woorden, maar vanwege de context drie verschillende uitspraken, die als een soort proces gelezen kunnen worden. Een min of meer neutrale observatie bij de vroege filosofen over een algemeen en breed herkenbaar verschijnsel in onze werkelijkheid. Op basis daarvan een morele aansporing bij Lucretius, omdat zonder moeite en inzet immers niets gebeurt tussen ons mensen. Een dramatische breuk tussen vader en dochter bij Shakespeare als uiterste consequentie daarvan.

Schepping uit niets?

Er is ook een theologische context waarin die woorden ‘van niets komt niets’ klinken en die context geeft aan die formule nog een andere betekenis. Thomas van Aquino citeert Aristoteles’ rapportage en gebruikt die communis opinio als een argument dat de formulering ‘schepping uit het niets’ (creatio ex nihilo) niet kan en dat dus het traditionele commentaar op ‘in het begin schiep God de hemel en de aarde’ (Genesis 1:1) – namelijk dat scheppen ‘iets maken is uit niets’ – niet klopt.

Thomas ontkent dat al te herkenbare verschijnsel in onze werkelijkheid niet, maar wijst erop dat ‘scheppen’ in het begin van Genesis niet gebruikt wordt voor een of andere activiteit binnen onze werkelijkheid, maar om een activiteit aan te duiden die als het ware vóór onze werkelijkheid ligt: een creatieve activiteit die ten grondslag ligt aan onze werkelijkheid. Én hij wijst erop dat die scheppende activiteit een activiteit van God is en van God alleen.

Omdat Gods scheppende activiteit zo anders is dan onze menselijke creativiteit, is die ook permanent

Nu weet Thomas maar al te goed dat wij over God en de activiteiten van God alleen maar kunnen spreken met behulp van onze door en door menselijke taal. Maar in de taal hebben we wel een aantal mogelijkheden om, zo goed en kwaad als het gaat, over God te spreken. Een van die mogelijkheden is via de ontkenning. Negatieve theologie is de manier van denken waarin dat ontkennen een centrale rol speelt. Die ontkenningen zijn dan niet zozeer een eindpunt, maar een begin van een denkproces, waarin wat onvoorstelbaar is wel gesuggereerd, vermoed en bedacht kan worden.

‘Niet uit iets’

‘Uit niets’ betekent ‘niet uit iets’. Of het nu gaat over bakken of tuinieren, bouwen of reizen, beeldhouwen of componeren: bij al die creatieve activiteiten maken wij gebruik van een ‘iets’, dat die activiteit mogelijk maakt én tegelijkertijd bepaalt en beperkt. Al onze menselijke werkzaamheid is daarom altijd ook re-actief. Kunst ontstaat wanneer iemand binnen de beperkingen van het materiaal de optimale mogelijkheden weet te realiseren.

Maar dat kenmerkende van onze menselijke creativiteit, dat ‘iets’ dat onze creativiteit mogelijk maakt, wordt in het nadenken over Gods scheppende werkzaamheid ontkend. Creatio ex nihilo: schepping uit niets; uit niet iets. Wat we dan zeggen weten we niet precies, maar als gelovigen moeten we het wel zeggen.

Die ontkenning levert inzichten op die voor de geloofsbeleving, voor de spiritualiteit, van cruciaal belang (kunnen) zijn. Inzichten in Gods handelen, inzichten in wie wij zijn en wat wij doen.

Een voortdurende schepping

Omdat wij als schepselen niet uit iets zijn, zijn wij fundamenteel contingent. Met ander woorden: in ons bestaat het niets eerder dan het iets. Dat klinkt abstract, maar er zijn voorbeelden te over die eeuwenlang vredig samenleven in een klap in chaos veranderen of die als een virus de samenleving ontwrichten. In psalm 104 – die prachtige psalm over de schepping – wordt dat fundamenteel contingente en brekelijke aspect van ons bestaan, beeldend aangeduid wanneer gezegd wordt dat God de schepselen de adem ontneemt wanneer ze terugkeren tot stof (vers 29).

Omdat wij als schepselen niet uit iets zijn, zijn wij fundamenteel contingent

Dat er dus iets is en veeleer niets, dat is het verwonderlijke en dat wordt in de theologische traditie verwoord met creatio continua:voortdurende schepping. Omdat Gods scheppende activiteit zo anders is dan onze menselijke creativiteit, is die ook permanent. De belijdenis dat God voortdurend en aanhoudend schept hoort bij de belijdenis dat God niet uit iets schept. God is en blijft de dragende grond van ons bestaan.

Het bestaan als een grootse gave

Omdat wij als schepselen niet uit iets zijn, zijn wij fundamenteel contingent. Wanneer we ons dat realiseren, kan het een gevoel van onzekerheid oproepen dat elk besef van waarde en waardigheid ondermijnt. Contingent: toevallig, dus niet belangrijk; inwisselbaar.

Maar voor gelovigen die weet hebben van het refrein uit dat diepzinnige gedicht over de schepping waarmee de Schrift opent – ‘en God zag dat het goed was’, ‘heel goed was’ – is dat niet een adequate reactie. Integendeel. De gelovige reactie verstaat die fundamentele contingentie als pure genade, begrijpt die brekelijke toevalligheid als een echt cadeau. Van Theresia van Lisieux stamt de formule tout est grace (alles is genade)wanneer zij aan het eind van haar leven niet meer het lichaam van Christus kan ontvangen, omdat ze niet meer kan slikken (Derniers Entretiens).

In de roman van George Bernanos Journal d’un curé de campagne meldt een oude vriend van de pastoor in een brief aan een oude collega van de pastoor dat dat zijn laatste woorden waren. In de film die Robert Bresson op basis van die roman van Bernanos heeft gemaakt, krijgt de doodzieke pastoor aan het eind een soort visioen dat hem zijn laatste woorden ontlokt: ‘Wat maakt het uit. Alles is genade’.

Maar de ontdekking dat alles, inclusief wijzelf, genade zijn, een grootse gave Gods, hoeft niet te wachten op het eind van ons leven, kan ons dankbaar stemmen en geeft een meer dan bijzondere lading aan ‘van niks komt niks’

Samenleving krijgt kerkgebouwen terug

Klaas van der Kamp

De huidige generatie kerkenraadsleden staat voor keuzes die vorige generaties niet hoefden te maken. De secularisatie dringt dilemma’s op. De middelen van menskracht en geld nemen af. Kerkenraden moeten prioriteiten stellen. Pregnant wordt de keus als ze moeten besluiten over de inzet van het kerkgebouw.

Verder lezen
Laad meer Theologenblogs

De schepping juicht

In De schepping juicht neemt bestseller auteur Francine Rivers je mee de natuur in en laat ze je zien dat, als je goed kijkt, je God overal tegenkomt. De schepping juicht is een verzameling van haar mooiste waarnemingen, aangevuld met christelijke liederen, citaten, overpeinzingen en opdrachten.

Cover 'De schepping juicht'

< Terug