< Terug

Vrijmaking

En wij zijn vrijgemaakt …

Zoals bijna elke zondag zat ik in de grote diakenbank, tussen mijn vader en Elly. Ik probeerde naar dominee Zwart te luisteren maar begreep er niet veel van. Ik hoorde ook niet alles, in de grote ruimte gingen nogal wat woorden verloren. In een baan zonlicht voor de preekstoel zag ik kleine spettertjes sproeien. Van het hoge voorhoofd van dominee Zwart gutste het zweet dat hij met een grote zakdoek voortdurend te lijf ging.

Elly stootte me aan. Ze hield haar hand voor haar mond en wees me een zin aan in de bijbel. ‘ … naakt en barrevoets en met bloote billen,’ las ik. Samen schoten we naar voren in een soort lachkramp. We zaten wel vaker te zoeken, maar dit was de mooiste. Ik keek nog even en zag in de gauwigheid ‘Jesaja’. Thuis ook nog eens opzoeken. ‘Wat doen jullie?’ vroeg mijn vader geïrriteerd. Maar zijn aandacht ging direct weer naar dominee Zwart. Die schreeuwde harder dan ooit en gooide eruit: ‘En wie onze van God gegeven synode niet gehoorzaamt, is een scheurmaker. Iemand die de kudde verstrooit.’

Wat mijn vader zei was nog net geen vloeken in de kerk, maar leunde er wel tegenaan. Hij stond abrupt op, duwde een paar broeders naast hem naar achteren en daverde het podium af. Met grote stappen stormde hij door het middenpad en naar buiten. Er waren er meer. Ook op de grote galerijen links en rechts stonden mensen op. Een grote man leunde over de balustrade ‘Ziet u wat er gebeurt, dominee Zwart. Wie is hier een scheurmaker?’ Ik ging ook staan. ‘Dag Elly,’ zei ik nog en ging toen het pad van mijn vader. Mijn vader had altijd gelijk dus zou het nu ook wel het beste weten.

Het afscheid was voorgoed. De kerk waar mijn ouders belijdenis hadden gedaan, waar wij als kinderen gedoopt waren, waar opa en verschillende ooms ouderling of diaken waren of waren geweest, waar familie en vrienden kerkten, waar we staande voor onze huisdeur onontkoombaar tegenaan keken en die de hele buurt met zijn grote gestalte domineerde, die kerk zouden we nooit meer vanbinnen zien.

Het afscheid was voorgoed.

En mijn vader was nu behalve vader en stukadoor en diaken en humorist en nog veel meer ook scheurmaker. Was ik nu ook een scheurmaker? Ik was mijn vader achterna gelopen. Had ik dan moeten blijven zitten? Tien jaar en dan al scheurmaker. Ik begreep er niets van.

‘Een vroegertje?’ vroeg mijn moeder olijk. Dat was ze bijna altijd, olijk, op een paar dagen in de maand na waarop je beter uit de buurt kon blijven. Maar gelijk zei ze geschrokken: ‘Joh, wat heb jij? Wat zie je eruit? Het lijkt wel of je de kerk uitgeknikkerd bent.’ ‘Lijkt… dat ben ik ook. En ik ga er nooit meer heen, nooit meer!’ Hij leunde tegen de muur en huilde. Dat vond ik het ergste.

‘Wat nou toch? Dat kán toch niet. Weggaan uit de kerk waar we altijd bij gehoord hebben. Waar we getrouwd zijn. De kerk van je ouders en je familie. Onze kerk waar jíj diaken bent. Wat is er gebeurd dan?’ ‘Zwart zei…’ Hij stotterde van opwinding en boosheid. ‘Weet je wat Zwart zei? Dat wij de synode moeten gehoorzamen en als we dat niet doen “scheuren wij de kerk en verstrooien we de kudde van Christus”. Zo zei hij het. Is dat niet vreselijk? Als we moeten geloven wat die synode zegt, dan betekent  het dat als straks onze kleine geboren wordt wij geen zekerheid hebben dat-ie behouden wordt. Een synode waarvan je dat moet geloven kun je toch niet respecteren. En het lijkt wel of die synode de kerk regeert.’

Hij leunde tegen de muur en huilde. Dat vond ik het ergste.

Mijn moeder werd bleek en trok mijn vader naar zich toe. Ze wist niets van het kerkelijk rumoer en het interesseerde haar ook weinig, maar nu mijn vader erbij betrokken raakte werd het anders. ‘Hoe kan het dat mensen ons dit aandoen, en dat in die oorlogsellende.’ Mijn moeder was heel gelijkmatig, maar leed, van welke aard ook, trof haar diep. Als ’s avonds de geallieerde vliegtuigen overtrokken om Duitse steden te bombarderen, hield ze haar hoofd in haar handen en steunde: ‘Ach, die arme mensen daar. Die arme mensen daar.’

De rest van de zondag had weinig gezelligheid. M’n vader en moeder zaten er verslagen bij. Ze hadden tranen in de ogen. Later op de avond kwam er nog iemand uit de kerk op bezoek. ‘Bram, dat had je niet mogen doen, zo de diakenbank en de kerk uitlopen. Als diaken had je dat niet mogen doen. Maar je hebt wel gelijk. Net als die anderen die gingen. Ze schorsen je, let op, “want je hebt je dienst verlaten”, zullen ze zeggen. Het zijn synodalen, volgelingen van de synode, niet van Christus. Maar waar moeten we heen, Bram, waar moeten we nou naartoe?’

De volgende dag haalde ik mijn vriendje op om naar school te gaan. Ik stak mijn hand uit of ik hem voor het eerst zag: ‘Koos, scheurmaker.’ Ik begreep al gauw dat er iets uit te leggen was. Toen mijn vader om een uur of vijf thuiskwam, was hij haast nog verbitterder dan de dag ervoor. Hij had van zijn baas een fikse uitbrander gekregen. ‘Of het goed was voor de zaak, mijn houding. Die duitendief denkt alleen maar aan de zaak en de centen, bah.’ Mijn vader was best een nette man, ook in zijn taalgebruik. Maar onrecht en vooral kerkelijk onrecht én de moffen, haalden verborgen kanten naar boven.

De volgende dag haalde ik mijn vriendje op om naar school te gaan. Ik stak mijn hand uit of ik hem voor het eerst zag: ‘Koos, scheurmaker.’ Ik begreep al gauw dat er iets uit te leggen was.

Een paar dagen later kwam er een brief van de dominee en de scriba van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam. Ze schreven dat ze met grote droefheid kennis hadden genomen van de verklaring van instemming van mijn vader met de ‘Acte van vrijmaking’. ‘Daarmee had hij zich onttrokken aan het opzicht van den wettigen Kerkenraad der Geref. Kerk. Ook had hij zijn dienst als Diaken moedwillig verlaten en zich geschaard aan de zijde van een schismatiek gezelschap, dat zich opwierp tegen den wettigen Kerkenraad.’

Mijn vader werd niet meer erkend als een van de diakenen en ook niet meer als lid van de Kerk. Met leedwezen werd zijn naam uit het lidmatenboek uitgedaan. En natuurlijk vermaande de Kerkenraad hem ernstig terug te keren ‘van deze zeer zondige weg van scheurmaking’. Ze zouden gaan bidden ‘dat God hem tot berouw en verootmoediging zou brengen en dat hij zou terugkeeren tot de Kerk des Heeren, opdat Zijn Naam door Uw houding nog niet meer tot een aanfluiting wordt’. Ondertekend ‘Met Broedergroet’. ‘Met Broedergroet,’ schamperde mijn vader.

Een paar maanden later kwam er nog een brief, waarin mijn vader (die scheurmaker, die wegloper, wiens naam uit het lidmatenboek werd verwijderd) aangesproken werd met ‘Weledele Heer’ en ‘Broeder’. Er was een fout gemaakt. Mijn vader was niet afgevoerd vanwege de ondertekening van de ‘Acte van vrijmaking en wederkeer’, maar ‘omdat hij weggelopen was uit de Nieuwe Noorderkerk onder de Dienst des Woords en het niet betoonen van berouw daarover en zijn overgang naar een schismatieke kerkgemeenschap.’

Ons gezin was dus niet langer gereformeerd, in de toen gebruikelijke zin van het woord. De opa van mijn vader was na veel strijd vertrokken uit de Rooms-Katholieke Kerk en had daarna van harte de gereformeerde leer toegedaan. Diens zoon, die een grote liefde had voor de gereformeerde kerk, was hem gevolgd. De negen kinderen van hem en oma eveneens, en nu was er een breuk. Een breuk met diepgaande gevolgen.

Dat gebeurde in 1944. In de tijd van de gruwelijke Tweede Wereldoorlog, van het Duitse schrikbewind, waarin landen en volken op een niet voor te stellen manier werden getiranniseerd en onderdrukt, waarin mensen gruwelijk werden ontluisterd en mishandeld, waarin geprobeerd werd de Joden uit te roeien op een wijze die alleen sadisten kunnen bedenken, een tijd waarin mensen stierven van honger en kou. De kerk die een woonplaats van warmte zou moeten zijn, juist nú, zette mensen ook nog in een geestelijke kou.

De maat van verdriet was langzamerhand vol.

Deze blog is geschreven door Kees van Baardewijk.

< Terug