< Terug

Kees de Ruijter – De hemel op aarde

Bespreking van hoofdstuk 4: Lichaamstaal in de liturgie

Lezen over eredienst in de Bijbel zet je zo op het puntje van je stoel, zegt Kees de Ruijter aan het begin van dit boek. ‘God komt in de dienst naar ons toe en biedt ons de kans om naar Hem toe te komen’. Denk daarbij aan Adam, aan Mozes en aan Israël als het opging naar de tempel. Het gaat er nog steeds om dat wij de kans krijgen om God te ontmoeten in onze eredienst. De Ruijter voegt er nuchter aan toe: ‘al beleef je het meestal niet zo’. Zijn advies is: wees je bewust van je lijf dat meedoet in de liturgie. Jezus Christus was immers ook in elk opzicht met Zijn lichaam aanwezig onder ons. Hij wandelde, hij sliep, hij at, hij dronk, hij sprak, hij kende emoties als verlatenheid en ervoer pijn.

Je lichaam doet er volgens De Ruijter veel toe als je iets wilt beleven in de eredienst. Wat je nodig hebt is meedoen, juist met je lijf. Daarover gaat dit vierde hoofdstuk Lichaamstaal in de liturgie. Het zal voor veel protestantse kerkgangers verrassend zijn om zo – met aandacht voor wat we lijfelijk doen – naar een kerkdienst te kijken. Een Afrikaanse medestudent zei eens na een bezoek aan een gereformeerde kerkdienst: ‘Ik zag de kerkgangers niets doen. Bij het bidden blijven ze stil zitten, als ze zingen kijken ze in een boekje of op de beamer en als de dominee praat zitten ze ook stil zonder te reageren’. Hij vond het moeilijk te zien of de kerkgangers zelf geloofden, door het gebrek aan actie. In zijn eigen diensten – bezocht door veel Afrikanen in Nederland – wordt luidop beaamd wat er op het podium gezegd wordt. Tijdens het zingen is iedereen volop in beweging en kan het uitlopen op een dans waaraan iedereen meedoet. Klappen, hummen, bevestigen, hoofdknikken, ja-roepen: het hoort er allemaal bij. Zo niet in Nederlandse protestantse erediensten. Wat kun je dan wel met je lijf als Nederlander als je zo’n dienst bijwoont?

Volgens De Ruijter genoeg. Veel zelfs. Ons lichaam krijgt een plek in de eredienst als producent of ontvanger van een eigen taal, naast de (vele) gesproken woorden. Je moet wel willen meedoen. Dat verhelpt consumentengedrag.

Verwondering komt er ook bij kijken. Verwondering over hoe God naar mensen toekomt. Dan ga je er anders bijzitten. De gemeente is het lichaam van Christus en dat lichaam vormt een nieuwe samenleving. Dat lichaam gaat eigen lichaamstaal ontwikkelen in profeteren, in bijstand verlenen, leidinggeven, onderwijzen, troosten en barmhartigheid (ontleend aan Romeinen 12). Ook hier is meedoen het belangrijkste criterium of je metterdaad als lid van het lichaam je plaats inneemt. Dat wordt in de alledaagse praktijk van de gemeente wel duidelijk. De beslissing daarover – of jij je met je hele lijf inzet voor de taal van dat nieuwe lichaam – valt in de liturgie. De Ruijter werkt dit verder uit met de voorbeelden van de doop en het avondmaal. Bij de doop ga je in bad, sterf je zelfs met Christus en kom je weer tot leven door Hem. De doop mag gerust als een feest beleefd worden, maar het moet tastbaar blijven dat wij vanuit het donker door Jezus in het licht getrokken worden.

Bij de viering van het avondmaal doet je lichaam ook mee: je staat op, vormt een kring, je neemt aan en je geeft door, je eet en drinkt. Allemaal lichamelijke impulsen die tot beleven en verwonderen aanzetten. Als het aan De Ruijter lag, werd er geen dienst gehouden zonder deze viering en beleving.

Oefeningen om werk te maken van het in dienst stellen van je lichaam (Rom. 12:2) geeft de auteur ook mee. Gaan, zitten en zingen zijn uitingen waarin je jouw lichaam kunt laten spreken.

In het gaan door met een actieve houding naar de kerk te gaan, vol zin en verwachting en dat ook te laten blijken.

In het zitten door er actief bij te zitten, zelfs als je thuis voor de camera naar een streamdienst kijkt. Niet in je pyjama of aan je ontbijttafel, maar gericht op het lofoffer dat hier aan God wordt gebracht. Dat maakt dat je anders gaat zitten: ontvankelijk voor God naar wie wij luisteren als Hij spreekt en die naar ons luistert als wij spreken.

In je meezingen is je lichaam – ben jij zelf – het muziekinstrument. Je lijf maakt je adem hoorbaar – alles wat adem heeft looft zo God (Psalm 150:6). Dat geldt niet alleen wanneer je zingt in een eredienst, maar is een oproep om door je leven God te prijzen. Maar stil zijn voor God kan ook en als je niet kunt zingen door wat je gemoed beroert, beleef dat dan liever niet buiten God om. Als je naar Hem toe blijft gaan, komt de lof ook weer op gang.

Je lijf liegt niet, maar het verraadt wat je echt wilt en vindt. Aan de leden van de gemeente is lijfelijk te zien of de grote woorden die in de kerk klinken – wij zijn het lichaam van Christus en vormen een nieuwe samenleving – ook kloppen met de zichtbare werkelijkheid. Dat maakt dat we altijd moeten blijven oefenen in de liturgie, elke week weer.

Voor de verwerking zijn gespreksvragen toegevoegd, wat het boek geschikt maakt voor bespreking in gemeentekringen.

Als voorganger houd ik me veel bezig met vragen rond het vormen van een goede liturgie. De liturgie lag de afgelopen anderhalf jaar in menige kerk op de knip- en snijtafel. Liturgie werd een woord dat sinds corona gemakkelijk opgevat wordt als ‘het draaiboek’: een volgorde der dingen waarin vanwege de streamdiensten met hun korte aandachtsspanne zoveel mogelijk geknipt moet worden. De technische vereisten werden bepalend. Zingen was een probleem vanwege de aerosolen en de kwaliteit van de voorzangers en bands werd vaak op consument-achtige wijze beoordeeld. Het was voor gemeentes een strijd om de thuis kijkende gemeenteleden geen aanleiding te geven tot weg zappen of helemaal afhaken. In een poging om gemoedelijk verbinding te maken was in sommige kerken te horen: of je nu nog in je bed ligt of op de bank hangt, welkom hier. Pak er lekker een kopje koffie bij…

Dit warme pleidooi van Kees de Ruijter voor het belang van liturgie – het is meedoen en je leven in dienst stellen van je Heer(!) – is me alleen daarom al zeer welkom. Ook dat het meedoen met je lijf vraagt, en dat je er dus eerder voor op het puntje van je stoel gaat zitten, dan achterover op de bank hangt of ondertussen je eitje tikt.

Tegelijk speelt bij het lezen steeds deze vraag op: Is het mogelijk om de denkkaders van de nieuwe media-generatie aan te laten sluiten op de doelstelling van De Ruijter? Hij wil duidelijk maken dat de eredienst niet een once in a lifetime event moet willen zijn, maar opwindend is omdat je naar de God van hemel en aarde gaat.

Dat gunnende naar ook die generatie is bij de auteur volop aanwezig. Er is zeker ook bij jongere generaties behoefte aan die ontmoeting met God en zijn liefde voor mensen en deze wereld. Een behoefte die vaak juist voortkomt uit gemis aan beleving in de kerkdienst. Dan is het een grote uitdaging om tot nieuw of voor het eerst beleven te komen van wat je ziet als oud-kerkelijk gevormde rituelen in de liturgie.

Wekelijks opnieuw met je lijf beleven in ‘de liturgie van de eredienst’ dat je uit het donker naar het licht getrokken bent en dat zien als levenslange godsdienstoefening die je leven verandert, vergt veel van de jongere generatie en heeft meer dan een boek nodig. Met een variant op een bekend gezegde: it takes a culture change to reach this generation…

Veel kerkgangers zijn niet anders gewend dan in alles snel bediend te worden via internet en de vele vormen van media. Daardoor is bovendien volop mogelijkheid je eigen bubbel te vormen, zodat je niet meer tegen je haren wordt ingestreken als in: ‘begraven worden in de dood van Christus’. Die bubbel laat je niet opstaan tot nieuw leven, maar bevestigt je veeleer in wie je al meende te zijn of wie je graag op eigen kracht wilt worden. Het is de vraag of dit boek en specifiek dit hoofdstuk door dergelijke bubbels heen kan breken.

Desondanks wens ik dit boek en ook dit hoofdstuk over lichaamstaal in de liturgie een vruchtbare bespreking toe in veel gemeentekringen, in de hoop dat door de diepe eerbied die uit dit boek spreekt, de bedoelde beleving van liturgie herleeft.

Gerry Bos-Kaptein


Kees de Ruijter, De hemel op aarde. Liturgie voor kerkgangers. Utrecht: KokBoekencentrum, 2021. 128 pagina’s. €15,99. ISBN 9789043535205.

< Terug