< Terug

Tomáš Novák e.a. – Albert Jan Rasker

Rehabilitatie van een geëngageerd theoloog

Tomáš Novák (met medewerking van Rinse Reeling Brouwer en met bijdragen van Herman Noordegraaf en Tom van den End), A.J. Rasker. Theoloog op de bres voor vrede (1906-1990). Biografie en bibliografie van een christelijke ethicus, Middelburg: Uitgeverij Skandalon, 2019, 628 pp., € 45,00, ISBN 978 90 830419 26.

Albert Jan Rasker heeft in zijn lange en productieve leven veel gepubliceerd over theologie, ethiek en kerkgeschiedenis. Op al deze terreinen heeft hij ook het engagement gezocht. In combinatie met elkaar levert dat een studie op die zich met vrucht laat lezen: over vakbekwaamheid en de toepassing daarvan. Een degelijke theoretische basis moet bij Rasker allereerst dienen om de kerk te vitaliseren en vervolgens met die kerk als uitgangspunt een bijdrage te leveren aan een rechtvaardige maatschappij. Zijn carrière is uiterst veelzijdig geweest. De studie theologie in Groningen bracht hem in aanraking met de theocratische idealen van Haitjema (zijn latere promotor) en via deze eveneens met Karl Barth. In de pastorie van het veenkoloniale lintdorp Nieuw-Buinen werd een proefschrift voltooid over De ethiek en het probleem van het booze.[1]

Het lijkt erop dat Rasker in de jaren dertig bezig was zijn vorm te vinden. Hij gold als energiek, studieus en een begenadigd organisator. Tegelijk kon hij met zijn gedrevenheid ook enigszins rigide overkomen. Legt men de literatuur over Nieuw-Buinen (met een scherp sociaal vraagstuk in de venen en glasfabrieken, gedwongen winkelnering, baptistische en evangelicale invloeden op de hervormde arbeiders en een kerkenraad die tussen dat alles inzat)[2] naast het verslag van Raskers werkzaamheid daar, dan kan men zich afvragen in hoeverre de jonge predikant toen al in staat was om heel die complexiteit ter plaatse te overzien – dat hij zoveel met zijn neus in de boeken zat had zowel voordelen als nadelen. Ook in Indonesië en Oost-Europa zou later soms verwezen worden naar een zekere ‘naïviteit’ bij Rasker, des opvallender omdat zijn professionele en intellectuele gaven zo algemeen werden gewaardeerd.

Vanaf 1939 volgden vormende jaren in het toenmalige Nederlands-Indië. Het getuigt van de kwaliteiten van de toen nog maar 33-jarige Rasker dat hij als rector werd aangesteld van de Hoogere Theologische School (Sekolah Theologia Tinggi) in Batavia, het huidige Djakarta. Hij zou in die zware functie, onderbroken door drie jaar internering in een Japans kamp, aanblijven tot 1948. Met zijn gezin teruggekeerd in Nederland, werd hij in Haarlem opnieuw predikant. Van meet af aan viel op dat Rasker niet terugdeinsde voor een ‘politieke’ verkondiging, met een uitgesproken belangstelling voor vraagstukken van oorlog en vrede. Zijn opvatting van positieve inwerking van het christelijk geloof op de samenleving ontleende hij behalve aan Haitjema en Barth ook aan de theocratische idealen van Van Ruler. Net als deze voelde hij zich nauw verbonden aan het ideaal van de Nederlandse Hervormde Kerk (in de aanloop naar de nieuwe kerkorde van 1951) om álle richtingen van dit kerkgenootschap te verenigen in een toekomstgericht christelijk getuigenis. Bij het herwinnen van welvaart en rust in eigen land mocht het niet blijven. Een goed theoloog, zo meende Rasker, diende zich de breedte van het vak eigen te maken. Binnen de kerk betekende dat voor hemzelf een grondige oriëntatie op Barth én Hoedemaker én Kohlbrugge. Maar de Nederlandse Hervormde Kerk vormde slechts een klein deel van een veel grotere wereld. Hij was zich acuut bewust van het belang van dekolonisatie en van de ontwikkelingen in wat spoedig de Derde Wereld zou gaan heten. Vooral verzette hij zich echter tegen de heilloze en in een tijdvak van nucleaire bewapening levensgevaarlijke wapenrace tussen West en Oost. In 1954 volgde een kerkelijk hoogleraarschap in Leiden, waar hij van 1960 tot het emeritaat 1974 de leerstoel christelijke ethiek zou gaan bekleden. Hij hield nauw contact met instellingen en personen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn en werd in Nederland wel eens gesignaleerd bij een receptie in de Russische ambassade bij gelegenheid van de verjaardag van de Oktoberrevolutie.

Het wordt allemaal in detail beschreven. Inzake een slepende kwestie betekent dit boek tevens een rehabilitatie. Rondom Rasker hing lange tijd het onbevestigde gerucht (zelf herinner ik mij dat uit de jaren tachtig) dat hij als student rechts-extreme sympathieën gekoesterd zou hebben, ‘fout voor de oorlog’. De kwestie moet hem hebben achtervolgd, want die werd zelfs in dossiers van de Tsjechische geheime dienst (inmiddels openbaar en in de grondtaal geraadpleegd door Novák) opgenomen als mogelijk pressiemiddel tegen hem. De achtergrond van dit alles blijken twee artikelen te zijn geweest die Rasker in 1936 publiceerde in Woord en Geest, het blad van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Conform het principe dat hij ook later consequent zou handhaven, wilde hij een hem vreemde levensbeschouwing met begrip voor de intenties ervan tegemoet treden alvorens kritiek te geven – een begrip dat zich in dit geval helaas uitstrekte tot het instellen van gedwongen werkkampen in het Duitsland van Hitler. Het leverde hem een scherpe reactie op van J.J. Buskes, die in het collectief geheugen is blijven hangen. Novák en Reeling Brouwer brengen de kwestie nu aan de hand van de bronnen tot proporties terug: Rasker was beslist geen meeloper met het nationaalsocialisme, waartegen hij vooral in 1941 (vanuit Indië) zeer expliciet zou protesteren.

Buiten zijn ethische specialisatie zou Rasker later in zijn carrière vooral naam maken met zijn Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 (eerste druk in 1974, de zevende in 2004).[3] Dit terecht geprezen werk maakte indruk door de alom als professioneel geprezen manier waarop hij zijn onderwerp beschreef. Van links tot rechts werden de richtingen in de kerk, en zelfs het reglement van 1816 (waarop Raskers kritiek maar al te bekend was), ‘fair’ en met kennis van zaken beschreven. Dit serieus kennis willen nemen van verschillende standpunten was echter bepaald geen karaktertrek van een allemansvriend. Integendeel: een lakmoesproef voor goede theologie bestond bij Rasker uit de durf om standpunten in te nemen die anderen onaangenaam konden zijn. De bereidheid om rechtstreeks contact aan te gaan met kerkelijke kringen in het Oostblok (ondanks het feit dat die tot op zekere hoogte door hun communistische regimes werden gecontroleerd) werd hem in zijn Leidse omgeving dan ook niet door ieder in dank afgenomen. Hetzelfde gold voor zijn kritische standpunt inzake Nederlands Nieuw-Guinea, zijn betrokkenheid bij de Nederlandse afdeling van de Christelijke Vredesconferentie en het in de ogen van menige collega schokkende lidmaatschap van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).

De inzet van Rasker op al deze terreinen wordt in kaart gebracht met voorbeeldige acribie. De auteurs bieden behalve een gedegen analyse van het werk van de hoofdpersoon (met volledige bibliografie) een schat aan informatie over personen en instellingen waarmee deze in binnen- en buitenland in aanraking kwam. Een naar mijn mening problematische kant van het boek houdt merkwaardig genoeg verband met de rijkdom van de ter beschikking bestaande bronnen. De bespreking van het gepubliceerde werk en van de gremia waarin Rasker participeerde vormen een toonbeeld van consistentie en helderheid. Er was echter ook een heel ander corpus voorhanden dan publicaties en notulen: dagboeken, intieme correspondentie. De inhoud daarvan is fascinerend, maar aanhalingen eruit kunnen in een academische publicatie een storend element gaan vormen. Past het een bij het ander? Behartenswaardige opmerkingen over dit onderwerp worden gemaakt door Pieter C. van der Kruit, in de inleiding van diens biografie van de astronoom Jacobus C. Kapteyn.[4] Er bestaat voor auteurs van een wetenschappelijke biografie alle aanleiding om het al dan niet opnemen van gegevens uit het private leven kritisch te overwegen. Allereerst is het de vraag in hoeverre dergelijke gegevens wezenlijk bijdragen aan beter begrip van het eigenlijke onderwerp, namelijk de professionele arbeid van de gebiografeerde. Ten tweede betreft het hier vaak gevoelige zaken die niet voor de openbaarheid waren bedoeld (ook de doden zij hun privacy gegund) en ten derde is er de mogelijke reputatieschade. Al deze punten zijn hier relevant. Uit het dagboek blijkt dat Rasker in zijn studietijd en daarna geworsteld heeft met een diepe twijfel aan zichzelf, met een gevoel van onwaardigheid tegenover God. Afgezien van het poneren van een mogelijk verband met de theologie van Kohlbrugge, blijft het verband met het eigenlijke onderwerp van het boek – zijn visie en zijn werk – echter onuitgewerkt. Het zou beter geweest zijn wanneer dit persoonlijke materiaal ofwel onderwerp gemaakt zou zijn van een systematische analyse (zoals gebeurt met Raskers professionele arbeid), ofwel onvermeld zou zijn gebleven, aangezien het een aparte studie zou behoeven van een heel andere opzet. Hetzelfde geldt voor het seksuele leven (waarover het boek terecht terughoudend is, om op p.277 een kras citaat erover op te nemen van een derde). Om nog maar niet te spreken van het vermelden van een beschuldiging aan het adres van een bekende van Rasker, dat deze ooit informatie zou hebben doorgespeeld aan de Gestapo. Zonder context en zonder feitelijke achtergronden doet de opname van zulke ‘pikante’ gegevens uit persoonlijke correspondentie meer kwaad dan goed.

Het laat allemaal onverlet dat de hoofdlijnen in dit boek voor de lezer constructief, nuttig en stimulerend zijn. Theologie en de in samenhang daarmee beoefende discipline van de ethiek worden overtuigend gepresenteerd als een vak, dat zowel kennis als acribie vereist. Zowel op theoretisch als op praktisch niveau: de beschrijving van de werkzaamheid van Rasker demonstreert hoe met noeste ijver in de studeerkamer opgedane inzichten (dogmatisch, taalkundig) optimaal effect ressorteren in combinatie met het vermogen om daarbuiten te kunnen leidinggeven, organiseren, financieren. In de loop van zijn werkzame leven groeide Rasker daar steeds verder naar toe, waarbij vooral de Indonesische ervaring een stimulans vormde. Indrukwekkend is zijn ongebroken geloof in een pluriforme kerk en wereld: waarin, over levensbeschouwelijke en fysieke grenzen heen, respect bestaat voor verschillende visies, die zich wederzijds scherpen aan elkaar.

Gert van Klinken. Deze recensie verscheen in Kerk & Theologie 2021 nr. 1 (72).

Noten

[1] A.J. Rasker, De ethiek en het probleem van het booze: een studie naar aanleiding van de ethische en godsdienstphilosofische geschriften van Immanuel Kant, Assen: Van Gorcum, 1935.

[2] H. van der Veen en G. Schreuder, Veenkoloniën. Strepen aan het water, Bedum: Profiel, 2011.

[3] A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot haar zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, Kampen: Kok, 2004.

[4] Pieter D. van der Kruit, De inrichting van de hemel. Een biografie van astronoom Jacobus C. Kapteyn, Amsterdam: AUP, 2016, iii.

< Terug