< Terug

Van de Beek – Spreken over God

Hoofdlijnen van de theologie

Cover Spreken over god beek

Van de Beek heeft sinds zijn promotie in 1980 een imposant oeuvre bijeen geschreven. Dat is uitgemond in een complete zesdelige dogmatiek, gepubliceerd tussen 1998 en 2017. In de hier besproken uitgave worden deze zes omvangrijke delen handzaam samengevat: een complete dogmatiek in zakformaat. Er zijn zes hoofdstukken, corresponderend met de zes eerder gepubliceerde delen. De opzet van het geheel (de christologie met aangehangen Israëltheologie voorop; de eschatologie direct aansluitend; dan de ecclesiologie; de scheppingsleer en de Godsleer pas aan het slot) bleef zo gehandhaafd. Met één (relatieve) uitzondering: de pneumatologie, in het hoofdwerk ondergebracht bij de ecclesiologie, verschijnt nu in het verband van de eschatologie.

Er wordt in dit boek vooral geponeerd. Van de Beek treedt zelf niet of nauwelijks met tijdgenoten in discussie (zie de beknoptheid van het namenregister achterin). Soms wordt naar anderen verwezen, maar dan steeds kort en zonder literatuurverwijzing. Informatie daarover en over de achterliggende discussies, is uiteraard in de eigenlijke dogmatiekdelen te vinden.

Op de omslag staan (zonder toelichting, maar voor kenners herkenbaar) negen gezaghebbende theologen uit het verleden afgebeeld: zeven kerkvaders (onder wie Irenaeus en Athanasius) en uit later tijd Thomas van Aquino en Calvijn. Zij representeren het gezag van de traditie, dat Van de Beek zwaar laat wegen. Hij brengt die in tegenover veel moderne opvattingen. In de theologie van de twintigste eeuw kwam de gedachte van het komende koninkrijk Gods centraal te staan. Er werd graag ‘heilshistorisch’ gedacht, in termen van vooruitgang (210). Men zocht naar de betekenis van het evangelie voor de wereld. Vandaag wordt die lijn trouwens individualistisch versmald doorgetrokken. Christenen beleven het geloof nu vooral hedonistisch: men voelt zich geborgen in de armen van een lieve Vader-God (184, 237).

In dit alles herkent Van de Beek nog altijd geest van Marcion. Die had ontdekt dat de God van het Oude Testament ook andere, harde, trekken heeft en die daarom voor een andere god aangezien. Daartegenover stelde het Credo: de Schepper-God is dezelfde als de Redder-God (202v). Van de Beek ziet hier de kerkvaders als gidsen. In sneltreinvaart tekent hij in zijn eerste hoofdstuk het verloop van de christologische strijd in de vroege kerk, resulterend in de belijdenis van Jezus Christus, God én mens. Ook voor Van de Beek zelf is de kern (tevens uitgangspunt): God is Jezus van Nazareth. ‘God aanwezig als een mensenkind’ (27), ‘één geworden met mensen in hun lijden’, zelfs gekruisigd, d.w.z.: ‘onder het oordeel over de zonde gedood’ (29v). Zo gaat God om met mensen in hun nood en schuld: Hij draagt die zelf mee (112). Jezus’ opstanding is geen terugkeer op aarde, maar ‘de goddelijke keerzijde van zijn aardse dood als gekruisigde’: God gaf Hem ‘de ereplaats in de hemel’ (29-31). Zo heeft de kerk altijd beseft ‘dat de bestemming van christenen in de hemel is’. De wereld verandert nu eenmaal nooit. ‘Hier beneden is het niet’ (131).

Ook in haar verbondenheid met Israël en het Oude Testament kan de kerk weten dat het niet haar taak is zich (‘profetisch’) in te zetten voor een betere wereld (95); zij is wezenlijk ‘eschatologische gemeenschap’, d.i.: ‘kerk onder het kruis’ (189). Ook voor Israël zelf bleven vrede en recht onbereikbaar, en dat zal (moet) ook zo blijven. Hier op aarde blijven zonde en leed het beeld bepalen. Totdat de nieuwe eeuw komt, die ‘boven elke aardse werkelijkheid verheven is’ (98v).

In deze opvattingen wil Van de Beek aan de traditie (de orthodoxie) trouw blijven. Toch gaat hij daarin ook zijn eigen weg. Hij attendeert op het verschil tussen Oost en West. Meer dan in het oosten dacht men in het westen (Rome!) juridisch. Men hechtte aan heldere onderscheidingen. Waar het oosten hecht aan de eenheid van de persoon van Christus, formuleerde Chalcedon, door het westen (paus Leo!) gedomineerd, heel precies het onderscheid tussen de ‘twee naturen’ van Christus (‘ongemengd, onveranderd, ongedeeld, ongescheiden’). Hier ziet Van de Beek al de aanleiding tot het latere opkomen van de Islam, en de kiem van het schisma van 1054. En waar in het oosten het eenheidsdenken leidde tot eenheid van kerk en staat, zo leidde in het westen de voorliefde voor onderscheidingen tot onderscheid en tegenstelling tussen kerk en staat.

Op beide partijen, maar vooral op het westen, uit Van de Beek kritiek. Het oosten heeft vergeten dat Gods heerlijkheid gestalte krijgt in lijden en vervolging. Maar het westen denkt (bijv. ook in de genadeleer) zozeer in onderscheidingen, dat het heil tenslotte uit het zicht verdwijnt (42-48, 53). Van de Beek pleit voor een bisschoppelijke kerkstructuur, met een centrale (trouwens niet meer dan coördinerende) rol van de bisschop van Rome. Die doet z.i. het meest recht aan de taak van het ambt, de kerk bij Christus te bewaren (172). Al met al een inhoudsrijk boek en bovendien goed leesbaar. Van de Beek neemt een eigensoortige positie in. Met name zijn adagium ‘hier beneden is het niet’ (titel ook van een van zijn andere boeken), daagt uit tot tegenspraak. Zijn betoog is een pleidooi voor een van de wereld afgewend, hemelwaarts gericht christenzijn. Dat tendeert sterk naar isolement. Of dat overeenstemt met de tendens van het evangelie, daarover zou moeten worden doorgesproken.

Deze recensie is geschreven door Karel Blei en verscheen oorspronkelijk in Kerk en Theologie 2021, nr. 1, dat als thema kunst en literatuur heeft.


A. van de Beek. Spreken over God. Hoofdlijnen van de theologie. Utrecht: KokBoekencentrum, 2020. 303 pp. €22,50. ISBN 9789043533584.

< Terug