< Terug

W.J. Dekker – Wie is deze?

Een onderzoek naar de compositie en Godsvoorstelling van Jesaja 63

Dit boek, waarop de auteur op 23 januari 2020 in Utrecht promoveerde, is een gedegen en gedetailleerde studie van Jesaja 63. De keuze voor dit hoofdstuk is ingegeven door de vraag in hoeverre 63:1-6 en 63:7-19 bij elkaar horen, maar natuurlijk ook door de inhoud, de zacht gezegd omstreden beelden in 63:1-6, waar het bloed van de fijngestampte heidenen de zomen van het kleed van JHWH rood kleurt. Er is lef voor nodig om dat thema aan te durven en opnieuw lef om niet meteen bovenop de onderzoeksvraag te duiken – ‘welke voorstellingen van God vinden we hier, en in welke samenhang?’ – maar eerst de ambachtelijke bestudering van de bijbeltekst het volle pond te geven. Dat zit bij Dekker wel goed: hij bedrijft exegese met kennis van zaken en vanuit een adequaat uitgangspunt: een moderne visie op het boek Jesaja als een compositorisch geheel met drie delen, niet een drietal aparte werken, maar een hecht weefsel van teksten door meerdere auteurs die op elkaar inhaken.

De studie gebruikt een veelheid aan methoden en is zeer uitvoerig. De vertaling, het eerste commentaar en de actantenanalyse vind ik sterk, met bij de laatste aanpak grondige methodische rekenschap aan de hand van Mieke Bal en Eep Talstra. De conclusies komen uit de tekst voort, ook als Dekker ze zelf misschien liever anders had gezien: er komt een en andermaal naar voren dat de beide delen van het hoofdstuk verschillende herkomsten hebben en niet als één tekst geschreven zijn. De eenheid dient op hoger niveau, semantisch en theologisch, gevonden te worden.

Dan volgen twee hoofdstukken die veel van de lezer vergen. De semantiek, de woorden en hun betekenis, het gebruik van die woorden door het boek Jesaja heen, verbanden met andere teksten die ook weer geëxegetiseerd worden, dat is wel véél: ruim 100 bladzijden. Bijna elk woord blijkt ook elders in het boek gebruikt, bijna al die verbanden zijn ook relevant, maar waar is het bos achter al deze bomen? Als alles met elkaar verbonden is, als elke woordherhaling iets moet betekenen, verdwijnt dan niet de bewijskracht ervan? Er zijn telkens lijstjes met conclusies maar ook dat zijn er veel. Daarbij komt de uitvoerige stijl van schrijven van Dekker, vol wendingen als ‘ik neem waar’, ‘ik stel me daarbij de vraag’, bijna een stream of consciousness van de auteur tijdens het schrijven. Dat is fascinerend en onderstreept hoe hij bij zijn materiaal betrokken is, maar wel erg vermoeiend voor de lezer.

En dan komt er nog een ander hoofdstuk van 100 bladzijden, nu over de retorische vorm. Daarbij treedt een ‘storing’ op: na raadplegen van de afbakeningen in de grondtekst (uitgediept tot en met de handschriften van Masoretische Tekst, Qumran en de Septuaginta) wordt op p. 255 ontdekt dat de exegeet zich ten onrechte heeft beperkt tot Jes. 63 en dat Jes. 64 een onverbrekelijke eenheid vormt met 63:7-19. Was daarvoor zoveel speurwerk nodig; had dat niet bij cursorische lezing allang duidelijk kunnen zijn? Overigens hulde dat Dekker zich laat storen, al betekent het natuurlijk wel dat het semantisch onderzoek aangevuld moet worden, wat deels ook gebeurt; daarmee wordt de opbouw van het boek nog ingewikkelder. En dan volgt nog de analyse van cola, strofen, cantikels, canto’s en wat niet meer volgens de methode-De Moor. Ook de welwillende lezer vraagt zich af of dit materiaal niet kernachtiger gepresenteerd had kunnen worden, zeker omdat het tegenwoordig geen probleem is de achterliggende data online te publiceren als verantwoording, en het ook niet altijd duidelijk is wat alle concordantiewerk bijdraagt aan de exegese.

In hoofdstuk 6 zijn we toe aan de theologie. Hoe zit dat nu met die wraakscene in 63:1-6? Die moet je niet op zichzelf bekijken maar in samenhang: wraak en redding hebben alles met elkaar te maken. Gods gerechtigheid staat niet tegenover zijn toorn en grimmigheid. Wat wij als contrast kunnen ervaren ‘blijkt in God geen contrast te zijn: zijn ene openbaring ontvouwt zich in wraak en redding’ (331). Dat is een valide, maar niet heel verrassende conclusie en nu wordt ook op conceptueel niveau het verband gevonden tussen de beide tekstgedeelten: in 63:1-6 overheerst de wraak, maar is de redding niet afwezig, in 63:7-64:11 (!) is het omgekeerde het geval; in de ene God ‘die zich veelzijdig openbaart ligt de eenheid van de tekst…’ (344).

Dekker geeft zijn visie reliëf in discussies met W. Brueggemann en J. Jeremias, beiden auteur van een bijbelse theologie. Dat Brueggemann zijn concept van core– en countertestimony wat te vlot toepast op dit hoofdstuk geloof ik graag, en ik begrijp ook dat Dekker liever, evenals zijn promotor Becking, kiest voor de changeability van God in plaats van de ambiguity die Brueggemann bespeurt. Dat hij impliciet opkomt voor een spreken over God dat de zoetsappigheid voorbij durft te gaan snap ik eveneens, maar dat is zeker ook wat Brueggemann wil. Maar is dat het?

Dit boek biedt veel moois, qua details en qua bijbels-theologische lijnen. Daartoe reken ik bijvoorbeeld wat Dekker schrijft over de vader-metafoor, die nergens door God op zichzelf wordt toegepast maar wel door de geheimzinnige ik-figuur ‘geclaimd’ wordt in 63:16 en 64:7. Maar op een of andere manier lijkt het alsof de discussie net niet helemaal ‘tot het gaatje’ gevoerd wordt. Wat er staat klopt, maar is daarmee de angel eruit? Is de lezer gerustgesteld, nu Gods wraak jegens de volkeren louter de keerzijde van zijn bevrijdend handelen ten gunste van zijn volk blijkt (63:1-6) en zijn toorn tegenover zijn eigen volk (63:10, God als vijand) slechts tijdelijk en ondergeschikt is aan zijn alles overwinnende goedheid (Jeremias)? Kortom: is die ik-figuur die zich in Jesaja 63:7-64:11 tot God richt en roept om een God die bevrijdt, achter dat wat hij van God ervaart, uiteindelijk niet een dapperder en origineler theoloog dan wij allen bij elkaar?! De winst is in elk geval, dat Dekker dát voor mij helder voor het voetlicht heeft gebracht.

Joep Dubbink.


W.J. Dekker, Wie is deze? Een onderzoek naar de compositie en Godsvoorstelling van Jesaja 63. Soest: Boekscout, 2020. 420 pagina’s. € 33,50. ISBN 9789463898966.

< Terug