Bij Numeri 6,22-27, Psalm 8, Handelingen 4,8-12 en Lucas 2,21
‘Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden, want geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.’ Zo klinken de woorden door Petrus gesproken in Handelingen 4,12. Geen andere naam waarin of waardoor wij gered moeten worden: het klinkt een beetje exclusief. En, zou ik er bij willen opmerken, de eigennaam van die mens, Jezus, en zijn plaats in de heilsgeschiedenis worden wel heel dicht op elkaar geplakt.
Ik heb wel eens betoogd in een preek dat de schrijvers van het tweede testament zo vol waren van die mens uit Nazaret, dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat ‘gezalfde’ en ‘Jezus’ door elkaar worden gebruikt. Zo hebben wij het ook gedoceerd gekregen: als je over Jezus van Nazaret spreekt, dan spreek je over de Messias. Maar wanneer je spreekt over de Messias, heb je het dan uitsluitend over die mens uit Nazaret? Moeten we de woorden van Petrus in Handelingen 4 zo verstaan? Heb je het over de Messias, dan heb je het dan dus ook uitdrukkelijk en uitsluitend over die ene mens uit Nazaret? Om daar nog even verder over na te denken: vieren we met Pasen de herrijzenis van die mens uit Nazaret, of vieren we vooral dat het messiaans visioen dwars door alles heen in de geschiedenis aanwezig blijft, ja zelfs mede die geschiedenis, de heilsgeschiedenis vorm en inhoud geeft?
Messiaans program
Ik zou wat dat betreft de ogen willen richten op de aangegeven psalm voor deze dag, Psalm 8. Het is een tekst die begint met God en aarde en die daar ook mee eindigt, met God en aarde. Tussen beide woorden kun je een streep trekken, niet alleen van links naar rechts, maar ook diagonaal. Als je dat doet, krijg je een Andreaskruis. En precies op het kruispunt van beide lijnen, in het centrale vers van deze psalm, vinden we de mens. Zo bezien verwijst Psalm 8 naar Genesis 1, waar de mens geschapen is om beeld en gelijkenis van God te zijn hier op aarde. De mens die zal heersen op aarde, over de dieren van het veld, de vissen van de zee, de vogels van de hemel, die mens staat in deze psalm centraal. Wellicht dat het belang dat de mens hier krijgt toebedeeld ook de grond vormt voor de plechtige taal in Genesis: ‘Nu zullen wij de mens maken, onze beeltenis dragend, op ons gelijkend’ (Gen. 1,26).
Ik denk dat we de exclusiviteit die eeuwenlang is toebedeeld aan die mens Jezus maar even opzij moeten zetten. Het gaat niet zozeer over één mens die ergens in de geschiedenis een plaats heeft gekregen, maar het gaat over het handelen van de messiaanse mens. Het gaat over het messiaans program. In Psalm 8 is dat program uitgesproken over dé mens, dus over elke mens. Met het oog op dat program heeft de mens de Tien Woorden ontvangen. Opdat je je land zó zult inrichten dat het een goed land wordt, om te werken, te wonen, te leven.
Zegenen
De lezing uit Numeri sluit af met de woorden: ‘Wanneer zij mijn naam over het volk uitspreken, zal Ik de Israëlieten zegenen’ (6,27). Als je zó de mensen zegent, zal Ik ze zegenen. Vergelijk hiermee de uitspraak van Genesis 12,3: ‘Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou vervloekt, zal ik vervloeken.’ Aan het begin van het jaar is het passend om elkaar te zegenen. Daarbij moeten we wel bedenken dat een zegen niet zoiets is als een formule waarmee je het goede afdwingt of waarmee je kwade machten zou kunnen tegenhouden. Zegenen is géén toverspreuk uitspreken. De zegen uitspreken over een pas gedoopt kind wil niet zeggen dat in het jonge leven (of op latere leeftijd) geen problemen kunnen voorkomen. De zegen bij een verbondssluiting tussen twee mensen is op geen enkele wijze een garantie dat een relatie tegen de tand des tijds bestand zal blijken. Elkaar zegenen is vooral elkaar het goede toewensen, zoals we wel gewoon zijn wanneer iemand iets nieuws wil ondernemen. Dan zeggen we soms: mijn zegen heb je. Daarmee bedoelen we dan: ik hoop dat je pogingen slagen, dat je met je nieuwe onderneming succes zult hebben.
Zó wensen we elkaar in diverse bewoordingen al het goede voor het nieuwe jaar. Binnen de grote christelijke traditie klinken dan woorden als: een gezegend nieuwjaar of een zalig nieuwjaar. Maar ook als we elkaar alle gezondheid toewensen en elkaar toespreken met ‘de beste wensen voor het nieuwe jaar’, spreken we een zegen uit over de ander. Elkaar zegenen doe je al wanneer je elkaar tegenkomt op straat en elkaar goedemorgen zegt. Dan ís het nog geen goede morgen, maar je wenst het een ander wel toe.
God brengt redding
De lezing uit Lucas is kort: toen het kind moest worden besneden, werd Hij Jezus genoemd (Luc. 2,21). De naam betekent ‘God redt’. God redt, maar niet zomaar ‘vanuit den hoge’. God redt, maar niet uitsluitend in die ene mens wiens geboorte wij enkele dagen terug hebben gevierd. Gods redding is in onze wereld aanwezig, juist in dé mens. Gods redding krijgt gestalte, krijgt handen en voeten in elke mens die de juiste weg gaat. In de mens die kiest voor rechtvaardigheid, voor barmhartigheid. In meelevendheid, in medelijden soms, in erbarming krijgt de Messias in en door mensen gestalte. Gods redding moet altijd blijken in de ontferming over de meest kwetsbare mensen in de samenleving: De armen en de daklozen, de thuislozen, de vluchtelingen. Zo wordt Gods zegen, Gods redding in de wereld zichtbaar. Door daden van medemenselijkheid.