Bij Lucas 19,41-48
Het Lucasevangelie portretteert Jezus primair als rondzwervende profeet die optrekt naar Jeruzalem, ‘want het gaat niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem’ (13,33). Vandaag betreedt Jezus de ‘stad en tempel’. Kort daarvoor, toen Hij Jeruzalem zag liggen, barstte Hij in huilen uit, terwijl een menigte leerlingen Hem juist vol vreugde als een koning onthaalt. Waarom die tranen?
Waarom huilt Jezus als Hij de stad ziet liggen? Omdat Hij ‘als profeet’ haar lot reeds voorziet. Zoals Hij ook zijn eigen lot al voorzegd heeft – in Lucas 13,31-35, waar Jezus Jeruzalem ‘dat de profeten doodt’ beklaagt. De stad zal ‘aan haar lot overgelaten’ worden, omdat ze alle profeten afwees. Deze tekstpassage eindigt met de woorden: ‘Jullie zullen Mij niet meer zien, tot de tijd komt dat je zult zeggen: “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!”’ (13,35).
Die laatste woorden hebben zijn leerlingen zojuist vol vreugde geroepen tijdens Jezus’ feestelijke intocht in Jeruzalem (19,38). Voor Hem breken nu de laatste dagen aan. Zijn entourage heeft daar geen flauw benul van, maar in de tekst is de spanning reeds voelbaar. De hogepriesters en leiders van het volk zoeken naar wegen om Jezus ‘uit de weg te kunnen ruimen’ (19,47). Tegen die achtergrond klinken Jezus’ woorden.
Stad en tempel
In Lucas spelen Jeruzalem en zijn tempel een voorname rol. Het evangelie begint en eindigt in de tempel, die als ‘huis van gebed’ (2,37) en als ‘leerhuis’ (2,46) een centrale plaats inneemt. In het tweede deel van de evangelielezing drijft Jezus de handelaars uit deze tempel, die niet mag verworden tot markthal of rovershol, omdat ze bedoeld is als huis van gebed en bezinning, waar je voor God mag staan. Het tafereel wordt in de andere evangeliën uitvoerig beschreven, maar hier met een korte mededeling afgedaan. Daardoor valt de nadruk niet op Jezus’ woede, zodat ook deze scène zijn liefde voor ‘stad en huis’ onderstreept.
In het Lucasevangelie spreekt Jezus trouwens nooit woorden die de betekenis van de tempel verkleinen of iets afdoen aan zijn liefde voor Gods huis. In Lucas zegt Jezus over zichzelf: hier is meer dan Jona of Salomo. Maar Jezus beweert nergens dat Hij meer zou zijn dan de tempel, wat in Matteüs wel gebeurt (Mat. 12,5-6; vgl. Marc. 2,23-28 en Luc. 6,1-5). Ook veelzeggend is dat in Lucas juist die passages uit het Marcusevangelie ontbreken, die Jezus in de schoenen schuiven dat Hij iets gezegd zou hebben als ‘Breek de(ze) tempel af en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen’ (Marc. 14,58; 15,29).
Jezus vertolkt in dit evangelie – en daarmee is zijn optreden volledig in lijn met dat van alle voorgaande profeten – de rol van degene die het echt goed meent met de tempel(dienst). Hij beweent het lot dat ‘stad en tempel’ te wachten staat en oordeelt hard over de farizeeën, wetgeleerden en de religieuze leiders die de ondergang van de tempel door hun onethische en verharde optreden naderbij brengen.
Deze generatie
De evangelist schrijft na het jaar 70, en weet dat Jeruzalem en de tempel toen verwoest werden door de Romeinen. We kunnen spreken over een vaticinium ex eventu, een voorspelling achteraf, nadat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Deze ‘voorkennis’ gebruikt de auteur in zijn verhaal, waarin Jezus als profeet meermaals met pijn in zijn hart de verwoesting van stad en tempel voorziet (13,34-35; 19,41-44; 21,5-6.20-24). Zelfs later, als Hij weggeleid wordt om gekruisigd te worden en enkele vrouwen om Hem weeklagen, spreekt Jezus vol meegevoel over het trieste lot dat de inwoners van Jeruzalem te wachten staat: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om Mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd”’ (23,28-29).
De komende verwoesting zal als straf voltrokken worden aan ‘deze generatie’, zo houdt Jezus met name de farizeeën en wetgeleerden voor, want ze ‘verwierpen het plan van God’ en bekeerden zich niet op het woord van Johannes de Doper (7,31) én de profeten die vóór hem optraden. Voor het bloed van al die profeten – en Jezus zal hun lot delen – wordt straks genoegdoening geëist van deze generatie (11,50-51).
In de ‘plot’ van het Lucasevangelie werkt de verwerping van Jezus en zijn bevrijdende optreden als een soort boemerang. Degenen die Hem verwerpen, deze generatie en hun kinderen, zullen op hun beurt verworpen worden. De traumatische verwoesting van de tempelstad Jeruzalem in het jaar 70 wordt in Lucas, net als in Matteüs, gezien als straf voor het verwerpen van de boodschap van Jezus. Als straf ook voor al het eerder vergoten profetenbloed. Een straf die Jezus voorziet, voorzegt en bitter beweent.
Bepaalde tijd
De inwoners van Jeruzalem hebben niet onderkend wat echt ‘tot uw vrede dient’ (19,42, SV). De stad van de vrede (Hebr.: sjalom) wordt verwoest, ‘omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend’ (19,44). Hier wordt het Griekse woord kairos gebruikt: een bepalend en beslissend tijdstip. Opvallend is dat ton kairon (19,44) na het eerdere en tèi hèmerai tautèi (‘op deze dag’) en nun (‘nu’, 19,42) het derde woord in deze tekst is dat op het actuele moment van Jezus’ spreken tot Jeruzalem wijst. Tegelijk echter wijzen deze woorden vooruit, naar de bepaalde tijd, na zijn lijden en verwerping door deze generatie (17,25), waaraan ‘de straf voltrokken’ zal worden (21,22). Maar dan heeft de Opgestane zijn leerlingen al uitgezonden als apostelen, om in zijn naam alle volken op te roepen tot inkeer te komen, ‘opdat hun zonden worden vergeven’ (24,48). En wanneer de Mensenzoon dan komt, op die bepaalde tijd, zal men opnieuw zeggen: ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!’ (13,35)