Menu

Laden Evenementen

09 november 2025 Achtste zondag van de herfst

09 november 2025

Achtste zondag van de herfst

Bij deze dag

De tweede zondag dat Handelingen weer opduikt. Wat een volle lezing! Hoe horen de kerkgangers dit allemaal? Eerst een hele reis, tussen allemaal plaatsen waar je in 2025 als jood, christen, Palestijn, moslim steeds weer voor andere vervreemdende ervaringen wordt gesteld.

Of je bent er niet eens welkom. En dan lezen we ook over wijze Filippus en zijn vier celibataire dochters, die dicht bij Gods hart leefden. Vrouwen met gezag, onafhankelijk van een man – vreemd dat ze in de kerkgeschiedenis zelden of nooit genoemd zijn. De profeet Agabus volgt, met zijn act met de gordel. Zijn profetie wordt niet ontkend, maar Paulus kent ook de gehoorzaamheid aan de Naam van de Heer Jezus. Hier moet ik zijn. Ten slotte horen we het bijbels insjallah, ‘laat gebeuren wat de Heer wil’. En zo komen we wéér terug bij de naam van dit bijbelboek: nee, het zijn niet de ‘handelingen’, de daden van de apostelen, maar dat wat hun overkomt als God hun leven leidt.

En dat is dan weer een thema dat past in deze herfsttijd, tijd van terugblikken, loslaten, en uitzien naar dat koningschap van God. Dat Jeruzalem, stad door God gebouwd, Sion mijn vaderland (LB 746, 750), dat Paulus niet afschrikt.

Jaar C | Groen
ot
Jesaja 1:18-26
ap
Psalmen 17
ep
2 Tessalonicenzen 2:13-3:5
ev
Lukas 19:41-48
Alternatief
Handelingen 21:1-14
Liedsuggesties

Een beslissend tijdstip

Bij Lucas 19,41-48

Het Lucasevangelie portretteert Jezus primair als rondzwervende profeet die optrekt naar Jeruzalem, ‘want het gaat niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem’ (13,33). Vandaag betreedt Jezus de ‘stad en tempel’. Kort daarvoor, toen Hij Jeruzalem zag liggen, barstte Hij in huilen uit, terwijl een menigte leerlingen Hem juist vol vreugde als een koning onthaalt. Waarom die tranen?

Waarom huilt Jezus als Hij de stad ziet liggen? Omdat Hij ‘als profeet’ haar lot reeds voorziet. Zoals Hij ook zijn eigen lot al voorzegd heeft – in Lucas 13,31-35, waar Jezus Jeruzalem ‘dat de profeten doodt’ beklaagt. De stad zal ‘aan haar lot overgelaten’ worden, omdat ze alle profeten afwees. Deze tekstpassage eindigt met de woorden: ‘Jullie zullen Mij niet meer zien, tot de tijd komt dat je zult zeggen: “Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!”’ (13,35).

Die laatste woorden hebben zijn leerlingen zojuist vol vreugde geroepen tijdens Jezus’ feestelijke intocht in Jeruzalem (19,38). Voor Hem breken nu de laatste dagen aan. Zijn entourage heeft daar geen flauw benul van, maar in de tekst is de spanning reeds voelbaar. De hogepriesters en leiders van het volk zoeken naar wegen om Jezus ‘uit de weg te kunnen ruimen’ (19,47). Tegen die achtergrond klinken Jezus’ woorden.

Stad en tempel

In Lucas spelen Jeruzalem en zijn tempel een voorname rol. Het evangelie begint en eindigt in de tempel, die als ‘huis van gebed’ (2,37) en als ‘leerhuis’ (2,46) een centrale plaats inneemt. In het tweede deel van de evangelielezing drijft Jezus de handelaars uit deze tempel, die niet mag verworden tot markthal of rovershol, omdat ze bedoeld is als huis van gebed en bezinning, waar je voor God mag staan. Het tafereel wordt in de andere evangeliën uitvoerig beschreven, maar hier met een korte mededeling afgedaan. Daardoor valt de nadruk niet op Jezus’ woede, zodat ook deze scène zijn liefde voor ‘stad en huis’ onderstreept.

In het Lucasevangelie spreekt Jezus trouwens nooit woorden die de betekenis van de tempel verkleinen of iets afdoen aan zijn liefde voor Gods huis. In Lucas zegt Jezus over zichzelf: hier is meer dan Jona of Salomo. Maar Jezus beweert nergens dat Hij meer zou zijn dan de tempel, wat in Matteüs wel gebeurt (Mat. 12,5-6; vgl. Marc. 2,23-28 en Luc. 6,1-5). Ook veelzeggend is dat in Lucas juist die passages uit het Marcusevangelie ontbreken, die Jezus in de schoenen schuiven dat Hij iets gezegd zou hebben als ‘Breek de(ze) tempel af en in drie dagen zal Ik hem weer opbouwen’ (Marc. 14,58; 15,29).

Jezus vertolkt in dit evangelie – en daarmee is zijn optreden volledig in lijn met dat van alle voorgaande profeten – de rol van degene die het echt goed meent met de tempel(dienst). Hij beweent het lot dat ‘stad en tempel’ te wachten staat en oordeelt hard over de farizeeën, wetgeleerden en de religieuze leiders die de ondergang van de tempel door hun onethische en verharde optreden naderbij brengen.

Deze generatie

De evangelist schrijft na het jaar 70, en weet dat Jeruzalem en de tempel toen verwoest werden door de Romeinen. We kunnen spreken over een vaticinium ex eventu, een voorspelling achteraf, nadat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Deze ‘voorkennis’ gebruikt de auteur in zijn verhaal, waarin Jezus als profeet meermaals met pijn in zijn hart de verwoesting van stad en tempel voorziet (13,34-35; 19,41-44; 21,5-6.20-24). Zelfs later, als Hij weggeleid wordt om gekruisigd te worden en enkele vrouwen om Hem weeklagen, spreekt Jezus vol meegevoel over het trieste lot dat de inwoners van Jeruzalem te wachten staat: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om Mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd”’ (23,28-29).

De komende verwoesting zal als straf voltrokken worden aan ‘deze generatie’, zo houdt Jezus met name de farizeeën en wetgeleerden voor, want ze ‘verwierpen het plan van God’ en bekeerden zich niet op het woord van Johannes de Doper (7,31) én de profeten die vóór hem optraden. Voor het bloed van al die profeten – en Jezus zal hun lot delen – wordt straks genoegdoening geëist van deze generatie (11,50-51).

In de ‘plot’ van het Lucasevangelie werkt de verwerping van Jezus en zijn bevrijdende optreden als een soort boemerang. Degenen die Hem verwerpen, deze generatie en hun kinderen, zullen op hun beurt verworpen worden. De traumatische verwoesting van de tempelstad Jeruzalem in het jaar 70 wordt in Lucas, net als in Matteüs, gezien als straf voor het verwerpen van de boodschap van Jezus. Als straf ook voor al het eerder vergoten profetenbloed. Een straf die Jezus voorziet, voorzegt en bitter beweent.

Bepaalde tijd

De inwoners van Jeruzalem hebben niet onderkend wat echt ‘tot uw vrede dient’ (19,42, SV). De stad van de vrede (Hebr.: sjalom) wordt verwoest, ‘omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend’ (19,44). Hier wordt het Griekse woord kairos gebruikt: een bepalend en beslissend tijdstip. Opvallend is dat ton kairon (19,44) na het eerdere en tèi hèmerai tautèi (‘op deze dag’) en nun (‘nu’, 19,42) het derde woord in deze tekst is dat op het actuele moment van Jezus’ spreken tot Jeruzalem wijst. Tegelijk echter wijzen deze woorden vooruit, naar de bepaalde tijd, na zijn lijden en verwerping door deze generatie (17,25), waaraan ‘de straf voltrokken’ zal worden (21,22). Maar dan heeft de Opgestane zijn leerlingen al uitgezonden als apostelen, om in zijn naam alle volken op te roepen tot inkeer te komen, ‘opdat hun zonden worden vergeven’ (24,48). En wanneer de Mensenzoon dan komt, op die bepaalde tijd, zal men opnieuw zeggen: ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!’ (13,35)

Anders gedaan

In de kracht van de Heer

Om te beginnen

V: Onze hulp in de naam van de Heer
G:      die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
V:      De Heer geeft ons de kans opnieuw te beginnen,
G:      op de fundamenten van ons verleden bouwt Hij verder.
V:      Met ons falen en onze tekorten mogen we bij de Heer komen.
G:      De Heer reinigt ons ervan en veegt onze tranen weg.
V:    De Heer toont ons zo zijn liefde en trouw,
G:      op vrede en gerechtigheid baseert God zijn koninkrijk. Amen.

Zegenbede naar 2 Tessalonicenzen 3,2-5

Ga in de kracht van de opgestane Heer,
die ons wil wapenen tegen de verleidingen op onze weg en ons tegen het kwaad wil beschermen.
Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God
en de standvastige trouw aan Christus.
Moge u zo elke dag beginnen
in de vreugde van Zijn overwinning,
als getuigen van het nieuwe leven dat Hij schenkt.
Amen.

Actueel

De vrijheid om ergens níet in mee te gaan

Het klinkt zo aantrekkelijk: succesvol zijn met veel volgers en (dus) veel geld. Het is zo gewoon: oordelen over anderen, vertellen wat een sukkels zij zijn, zodat je zelf wat sterker overkomt. Het valt niet eens meer op: je telt alleen mee als je een grote mond hebt en vooraan staat met je mening.

Je gaat er haast onbewust in mee, in de ontwikkelingen in onze maatschappij. Totdat je merkt dat het niet klópt, dat het leugens zijn. Jonge mensen zitten vaak midden in deze ontdekkingstocht. Als je dit thematiseert, kun je ze helpen op hun weg. De grote vraag is: durf je de vrijheid te nemen om er níet in mee te gaan? Om te zoeken naar ándere waarden en woorden? En daar dus ook echt in te geloven en vanuit te leven? Dat vraagt om moed en doorzettingsvermogen. En een scherpe blik op de wereld en op jezelf.

Psalm 12b van Psalmen anders past goed bij dit thema. Het kent een couplet dat klinkt als een protestlied, terwijl het refrein veel meer een gebed is. Bevrijd ons van wie grote woorden spreken – heel vaak zijn we dat ook zelf…

Invalshoek

Wie het Alternatief Leesrooster volgt, reist komende zondagen mee met de laatste reis van Paulus. Een reis die onvermijdelijk gaat leiden tot gevangenschap. Paulus weet dit, want het wordt hem door een profeet aangezegd. En ondanks die waarschuwing aanvaardt hij zijn lot. Hij beseft dat het volgen van Jezus niet alleen maar een mooie reis is, maar ook een die kan leiden tot gevangenschap en sterven.

Hoe toepasselijk is het dat het vandaag – op de kop af 36 jaar na de val van de Berlijnse muur – Wereld Vrijheidsdag is. In de tijd voor die val was uitkomen voor je geloof niet overal even veilig en kon Jezus’ weg inderdaad leiden tot gevangenschap. Goed om te beseffen dat ook nu in de wereld nog veel plekken zijn waar dat aan de orde van de dag is.

Lied onder de loep

ZZZ 578 – Lied van de verhalen

Regelmatig in allerlei liedbundels bladeren kan geen kwaad. Het kan dan zomaar zijn dat je ineens op een onbekend, maar klein juweeltje stuit. Dat geldt voor lied 578 uit de bundel Zangen van zoeken en zien. Zowel tekst en muziek zijn van Chris Fictoor. Een lied bij de Schriften. Bijvoorbeeld te zingen aansluitend bij het gebed bij de opening van de Schrift, of als lied ná het lezen van de Schrift. ‘Lied van de verhalen’ heet het en het zingt van de Schrift: verhalen, eeuwen doorverteld, van wijze woorden en zieners en profeten. Je zingt het stof van jaren weg om nieuwe woorden te ontdekken én om met de Schrift jouw verhaal te beginnen. Het is een eenstemmige melodie, waarvoor Chris van Bruggen een eenvoudige begeleiding voor piano of orgel schreef. Goed te gebruiken ook in een meditatieve kleine viering rond het Woord. De eerste regel is vooral ritmisch even zoeken, met name in de derde maat. Bij de uitvoering van dit lied zou een goede rolverdeling passen: bijvoorbeeld 1 en 3 door een solist en 2 en 4 door allen.

Kansen voor gebed

Op deze dag is het goed om te danken voor het feit dat wij in alle openheid en veiligheid mogen samenkomen rond Gods woord en Gods naam mogen belijden. We mogen danken voor mensen die zich inzetten voor Jezus’ weg. En bidden om kracht voor hen die met gevaar voor eigen leven zich inzetten voor de verspreiding van het evangelie.

Alternatief

Door de Geest

Bij Handelingen 21,1-14

Iemand kan iets zeggen op ingeving van de heilige Geest, en dan kan het toch goed zijn om die woorden in de wind te slaan. Dat is een opmerkelijke hint die Handelingen vandaag geeft. De gemeente van Tyrus zegt ‘door de Geest’ tegen Paulus dat hij niet moet doorreizen naar Jeruzalem, en doorreizen naar Jeruzalem is precies wat Paulus vervolgens doet. Wat de Geest ingeeft, is volgens Handelingen blijkbaar geen kant-en-klaar recept voor ons handelen. Om zijn roeping te volgen, negeert Paulus het advies dat anderen hem ‘door de Geest’ geven.

De lezing omvat een deel van de ‘afscheidstournee’ die Paulus maakt. Je kunt het ook zien als deel van de slingerbeweging: Paulus is op zijn reizen vér gekomen, maar nu gaat hij terug naar Jeruzalem om vandaar als het ware naar Rome gekatapulteerd te worden. Helemaal terug om vérder te komen. Naar de keizer via de plek waar Jezus stierf en verrees. De terugreis is een aanloop in tegengestelde richting, de achterwaartse zwaai van de arm die iets vér vooruit gaat werpen. Die aanloop vindt plaats in etappes, stukken te voet en stukken per schip, telkens langs bij gemeenschappen van volgelingen van Jezus. En overal hangt het besef dat dit ook een afscheidstournee is.

Wim Verheij telt in zijn postuum gepubliceerde Lucas/Handelingen-boek[1] zeven halteplaatsen in Klein-Azië op deze terugreis, die al een hoofdstuk eerder is begonnen: Mytilene, Chios, Samos, Milete, Kos, Rhodos en Patara. Het grote en emotionele afscheid van de gemeente van Efeze vindt bij de middelste van die haltes plaats, in Milete. Onze lezing begint aan het einde van dat grote afscheid. Ik denk dat Wim Verheij er in zijn studie nét iets te veel een rebus van heeft gemaakt waarin werkelijk álles code is voor iets anders, maar hij helpt me wel om veel te zien in al die reisgegevens.

Ter zee en te land

Na dat afscheid van de Efeziërs, die je zou kunnen zien als de vertegenwoordigers van heel Paulus’ zendingswerk in Asia, gaat de tocht verder naar de kust waarachter Jeruzalem ligt: Syrië. Er wordt verteld over ontmoetingen in de kuststeden Tyrus, Ptolemaïs (Akko) en Caesarea.

Het valt me op dat er van Tyrus af, na een week, doorgevaren wordt tot Ptolemaïs en dat het pas daarna te voet verder gaat. Waarom niet varen tot Caesarea, of waarom niet lopen vanaf Tyrus? Volgens het Marcusevangelie is Jezus met zijn leerlingen te voet in de streken van Tyrus geweest – in het schema van het dubbelwerk van Lucas-Handelingen komt het niet goed uit om dat te vermelden, want bij Lucas speelt het eerste boek zich binnen joods Israël af en gaat het pas in boek twee, Handelingen, stapsgewijs de grenzen over. Dat is ook de reden waarom Jezus met zijn leerlingen in het boek Lucas niet in het andere Caesarea komt – Caesarea Filippi, de plek van de ‘belijdenis van Petrus’ (Marc. 8,27), want dat is op de Golan-hoogvlakte in Syrië. Des te opvallender dat Lucas in onze lezing in Caesarea Maritima onmiddellijk met Filippus en zijn vier dochters op de proppen komt, zodat er alsnog sprake is van een heel eigen ‘Caesarea Filippi’. Het lijkt te passen in een breder patroon bij Lucas waarin elementen die we uit de andere evangeliën kennen, niet in het evangelieboek voorkomen maar als het ware overgespaard worden om in het Handelingenboek een plek te krijgen (denk aan de aardbeving die bij Matteüs rondom Golgota de graven openbreekt, en die bij Lucas is bewaard voor de gevangenis in Handelingen 16).

Zou het kunnen dat Paulus op deze reis vaart tot Ptolemaïs en dan verder gaat lopen, omdat hij vanaf die plek ‘in het land’ is? Dus dat hij de oerwateren bevaart om de volkerenzee te bereizen, maar dat hij ‘het land’ wenst te bereizen met zijn voeten? Bij al dat varen in Handelingen moeten we immers bedenken dat voor vrome Israëlieten varen gold als een heidense daad van overmoed. Vissers mochten, als het echt nodig was, in een bootje wat afstand van de oever nemen, maar daar bleef het bij. ‘De zee oversteken’, zoals Jezus in de evangeliën telkens doet, was voor joden ongebruikelijk, en trouwens ook niet nodig – zie Marcus 6, waar omlopen veel sneller blijkt te gaan. Jezus trotseert de doodswateren als verbeelding van zijn gang door de dood, en al het varen in Handelingen is een gelovige uitbreiding van de kleine zeeverhalen in het evangelie.

Afscheid

De verwijzingen naar het komende lot van Paulus worden onderweg van halte tot halte steeds klemmender. In Milete beseffen de Efeziërs dat dit een afscheid voor altijd zal zijn. In Tyrus bezweert de gemeenschap hem om niet naar Jeruzalem te gaan. In Caesarea voert Agabus, die Paulus uit Judea tegemoet is gereisd, een act op die doet denken aan de woorden die de johanneïsche Jezus tegen Petrus zegt (Joh. 21): uitgestoken handen, gebonden met een gordel. Maar zoals de Heer zijn boodschap bracht door niet weg te lopen voor gevangenschap en dood, zo ziet Paulus het ook voor zichzelf. De mensen die hem waarschuwden, deden dat ‘door de Geest’, maar Paulus heeft de moed om tegen hun bezielde advies in te handelen – dat is blijkbaar hoe de Geest het spel met mensen speelt. Hooggestemd laat Paulus het erop aankomen, in het spoor van zijn Heer.

[1] W.A. Verheij, De Geest wijst wegen in de tijd, Kampen 1991, pp. 508-517.

Alternatief

Paulus gevangen

Bij Handelingen 21,1-14

Een vroeg werk van Rembrandt (1627) toont Paulus in de gevangenis. Hij ziet er sjofel uit, in een kleine cel. Hij heeft boeken om zich heen en een pen in zijn hand. Ongetwijfeld is hij bezig een van zijn brieven te schrijven. Maar midden in een zin is hij gestopt. Hij staart voor zich uit.

Bij dit beeld vroeg ik me af: heeft Paulus nog wel eens teruggedacht aan de profeten die hem waarschuwden? Zou hij dan ook maar iets anders hebben gedaan?

In de tekst van deze dag is hij onverbiddelijk. Hij moet en zal naar Jeruzalem, al wordt hij gevangen of gedood. De jonge Rembrandt schildert hem wanneer die profetie is uitgekomen. De afbeelding is te vinden op tinyurl.com/Paulus-gevangen.

Gebruik dit beeld als meditatiebeeld, bijvoorbeeld na de verkondiging. Kijk er met de gemeente vragenderwijs naar. Onderscheid in het kijken drie fasen:

  1. Wat zie je allemaal? Probeer zonder interpretatie zo goed mogelijk samen te beschrijven wat er te zien is.
  2. Wat betekent het wat je ziet? Waar staan het zwaard en de boeken voor? Hoe duid je de houding van Paulus? En zijn gezichtsuitdrukking?
  3. Wat is je reactie op het beeld? Roept het een gevoel op, een associatie? Komt er een lied in je op? Waarvoor zou je naar aanleiding van dit beeld willen bidden?

Een dergelijk kunstgesprek kan veel oproepen. Keer steeds weer terug naar de tekst, waarin Paulus zijn roeping onderstreept, wat er ook gebeuren mag.