Bij Jesaja 60,1-11.17-22
De Jesajatekst die voor deze feestdag van Allerheiligen wordt aangegeven, roept een associatie op met Epifanie. Bij dat laatste feest wordt uit het Matteüsevangelie gelezen over de komst van de wijzen uit het oosten naar Betlehem, waar zij wierook en goud meebrengen om de nieuwgeboren koning der Joden te aanbidden. Is er een verband te leggen tussen Epifanie en Allerheiligen?
Opbouw van boek en hoofdstuk
Jesaja 60 maakt deel uit van wat oudtestamentici als Trito-Jesaja hebben geïdentificeerd. Het eerste deel van het boek waarschuwt voor de dreigende ondergang van Israël (hst. 1–39), het tweede kondigt de terugkeer uit de ballingschap aan (hst. 40–55), en het derde zou grotendeels na die terugkeer geschreven zijn (hst. 56–66). Deze driedeling van het boek biedt een chronologie en daarmee een handvat om de complexiteit van het boek te hanteren. Tegelijkertijd blijven de drie delen profetie, aanzegging van een toekomst die door de crisis heen aanstaande is.
Een nadere analyse van de tekst kan dat bevestigen. Daarbij bekijken we het hele hoofdstuk, inclusief de verzen 12-16, dat ook drie delen heeft. In het eerste deel ligt na de inleiding (60,1-2) de nadruk op de rijkdommen van de aarde die naar een aan- gesproken vrouwelijke figuur worden gebracht (60,3-9). Het midden beschrijft de omkering van het lot van de vrouwelijke figuur (60,10-16) en in het derde deel is vooral JHWH de handelende persoon (60,17-22a).
De Stad van JHWH
De titel ‘het nieuwe Jeruzalem’ die Jesaja 60 in de NBV21 heeft gekregen, komt in de tekst zelf niet voor. Om te ontdekken hoe de stad wel wordt aangeduid, helpt het te kijken wie er in de tekst een rol spelen. Dat lijken er drie: allereerst een ‘jij’ in de vrouwelijke vorm, vervolgens een meervoud ‘zij’ en ten slotte een ‘ik’, soms ook met ‘hij’ aangeduid.
De ‘jij’ wordt in de eerste zinnen aangesproken met vier gebiedende wijzen: ‘sta op’ en ‘schitter’ (vs. 1) en ‘sla je ogen op’ en ‘kijk om je heen’ (vs. 4). En wat ziet de aangesproken persoon? Zij ziet dat haar kinderen van verre komen (4) en er allerlei rijkdommen naar haar toe gebracht worden (5b-7). De vrouwelijke figuur blijkt muren en poorten te hebben (10.11), die zij zelf ‘Redding’ en ‘Roem’ noemt (18). Daartussenin klinkt haar naam uit de mond van haar voormalige onderdrukkers: ‘Stad van JHWH, Sion van de Heilige van Israël’ (14).
De Godsnaam heeft dan al vier keer geklonken. Aan het begin van de tekst is JHWH het ‘licht’ (Hebr.: ia’ar, ‘licht, (op)lichten’, 5x in 1.1.19.19.20) en de ‘luister’ (Hebr.: kabhod, ‘zwaarte, glorie’, 3x in 1.2; Hebr.: pa’ar, ‘verheerlijken’, 6x in 7.7.9.13.19.21) die over de ‘jij’ straalt (1.2), en ‘zij’ verkondigen ‘de roemrijke daden van JHWH’ en brengen eer aan JHWH, ‘je God, de Heilige van Israël’ (6.9). Tegen het einde van de tekst klinkt de Godsnaam nog twee keer en opnieuw in combinatie met licht en luister: JHWH maakt het licht van zon en maan overbodig (19.20). Daartussenin presenteert JHWH zichzelf één keer als ‘Ik’, die door de ‘jij’ erkend wordt als haar redder en bevrijder (‘losser’), de ‘Machtige van Jakob’ (vs. 16, vgl. Gen. 49,24; Ps. 132,2.5). Een soortgelijke ik-uitspraak sluit het hoofdstuk af (22b).
JHWH handelt en doet handelen
In de eerste helft van de tekst spreekt JHWH slechts één keer in de ik-vorm: waar offerdieren worden gebracht en Hij zijn tempel in alle luister herstelt (vs. 7). In de tweede helft vormen de zinnen in de ik-vorm de hoofdmoot: JHWH verleent eeuwige roem (15), Hij brengt goud in plaats van koper en zilver in plaats van ijzer, Hij laat vrede waken en gerechtigheid heersen (17), en Hij maakt de rechtvaardigen tot teken van zijn luister (21). Zo duidelijk als JHWH in het derde deel de handelende persoon is, zo onduidelijk is wie er in het eerste actief is. Want er worden wel zonen en dochters aangedragen en allerlei dieren naar de stad gebracht, maar wie dat doen wordt niet zo duidelijk gezegd. De vraag dringt zich dan ook op wie die ‘zij’ zijn, die de roemrijke daden van JHWH verkondigen (6), of wie die raadselachtige zwevende figuren zijn die komen ‘aanvliegen als duiven naar hun til’ (8). De enigen die hiervoor in aanmerking komen zijn de ‘volkeren’ en ‘koningen’ (3), die in het middendeel terugkeren als de ‘vreemdelingen’ die de muren van de stad herbouwen en ‘hun koningen’, de ‘koningen die worden meegevoerd’ (10.11), en de ‘zonen van je onderdrukkers en iedereen die jou verachtte’ (14). Met de activiteit van JHWH in het derde deel echter staat het handelen van die volkeren of koningen niet op zichzelf, maar maakt het onderdeel uit van de omkering ten goede van het lot van de stad. Uit de duisternis treedt de Godsstad aan het licht en is JHWH zelf haar licht. Uit haar vernedering komt zij tot nieuwe luister, verleend door JHWH, haar God. Waar zij vernederd en geknecht werd door vreemdelingen, zal zij zich aan hun borsten laven.
Heiligen als verkondigers
De beschrijving van het nieuwe Jeruzalem in Jesaja 60 gaat verder dan de andere lezingen voor de feestdag van Allerheiligen. In de Openbaring van Johannes 7,2-17 gaat het nog niet over het nieuwe Jeruzalem, maar over de heiligen die voor de troon van Gods heerlijkheid staan. En in de Bergrede uit het Matteüs-evangelie worden categorieën mensen zaliggesproken, die nu nog lijden of vervolgd worden. Jesaja vormt een aanvulling op deze lezingen, want wat daar nog komen moet, is hier profetisch al in vervulling gegaan. Heilig zijn allen die delen in de verkondiging van de roemrijke daden van JHWH en de herbouw van de vredesstad.