Menu

Laden Evenementen

01 november 2025 Allerheiligen

01 november 2025

Allerheiligen

Bij deze dag

Het feest ‘met alle heiligen’ zal dit jaar hoogstens in vespers gevierd worden of verplaatst worden naar zondag 2 november, dan samenvallend met ‘Allerzielen’. Wie deze dag wel apart viert kan alle aandacht geven aan de zaligsprekingen, te zingen met LB 989 en 996. LB 996 volgt de bijbeltekst, maar maakt – volgens het Compendium – daarvan een gebed waar- door de zanger anders betrokken wordt bij de inhoud. Uiteindelijk bidden wij met de woorden van de laatste regel van elke strofe om genezing van het kwaad, van bedrog, van blindheid en van onszelf! Dit past heel goed bij de zienswijze van Rowan Williams, die de acht zaligsprekingen in zijn nieuwste boek naast of tegenover de acht ‘hartstochten van de ziel’ plaatst. De zaligsprekingen zijn als een ‘uitkristallisering’ van een mensenleven waarin niet destructieve patronen – de hartstochten – bepalend zijn, maar waar Gods koninkrijk de toon aangeeft.

Liederen voor deze dag zijn er in overvloed. Ook kan het geen kwaad stil te staan bij wat en wie heilig zijn, want daar bestaan nog steeds veel misvattingen over. Protestanten denken hierbij vaker aan de paus dan aan de Heilige zelf. In het jubileumjaar van Nicea mag de heiligheid van de kerk als kwaliteitskenmerk het volle pond krijgen.

Jaar C | Groen
ot
Jesaja 60:1-11.17-22
ap
Psalmen 138
[Psalmen 24]
ep
ev
Mattheüs 5:1-12
Liedsuggesties

Heiligen verkondigen Gods roemrijke daden

Bij Jesaja 60,1-11.17-22

De Jesajatekst die voor deze feestdag van Allerheiligen wordt aangegeven, roept een associatie op met Epifanie. Bij dat laatste feest wordt uit het Matteüsevangelie gelezen over de komst van de wijzen uit het oosten naar Betlehem, waar zij wierook en goud meebrengen om de nieuwgeboren koning der Joden te aanbidden. Is er een verband te leggen tussen Epifanie en Allerheiligen?

Opbouw van boek en hoofdstuk

Jesaja 60 maakt deel uit van wat oudtestamentici als Trito-Jesaja hebben geïdentificeerd. Het eerste deel van het boek waarschuwt voor de dreigende ondergang van Israël (hst. 1–39), het tweede kondigt de terugkeer uit de ballingschap aan (hst. 40–55), en het derde zou grotendeels na die terugkeer geschreven zijn (hst. 56–66). Deze driedeling van het boek biedt een chronologie en daarmee een handvat om de complexiteit van het boek te hanteren. Tegelijkertijd blijven de drie delen profetie, aanzegging van een toekomst die door de crisis heen aanstaande is.

Een nadere analyse van de tekst kan dat bevestigen. Daarbij bekijken we het hele hoofdstuk, inclusief de verzen 12-16, dat ook drie delen heeft. In het eerste deel ligt na de inleiding (60,1-2) de nadruk op de rijkdommen van de aarde die naar een aan- gesproken vrouwelijke figuur worden gebracht (60,3-9). Het midden beschrijft de omkering van het lot van de vrouwelijke figuur (60,10-16) en in het derde deel is vooral JHWH de handelende persoon (60,17-22a).

De Stad van JHWH

De titel ‘het nieuwe Jeruzalem’ die Jesaja 60 in de NBV21 heeft gekregen, komt in de tekst zelf niet voor. Om te ontdekken hoe de stad wel wordt aangeduid, helpt het te kijken wie er in de tekst een rol spelen. Dat lijken er drie: allereerst een ‘jij’ in de vrouwelijke vorm, vervolgens een meervoud ‘zij’ en ten slotte een ‘ik’, soms ook met ‘hij’ aangeduid.

De ‘jij’ wordt in de eerste zinnen aangesproken met vier gebiedende wijzen: ‘sta op’ en ‘schitter’ (vs. 1) en ‘sla je ogen op’ en ‘kijk om je heen’ (vs. 4). En wat ziet de aangesproken persoon? Zij ziet dat haar kinderen van verre komen (4) en er allerlei rijkdommen naar haar toe gebracht worden (5b-7). De vrouwelijke figuur blijkt muren en poorten te hebben (10.11), die zij zelf ‘Redding’ en ‘Roem’ noemt (18). Daartussenin klinkt haar naam uit de mond van haar voormalige onderdrukkers: ‘Stad van JHWH, Sion van de Heilige van Israël’ (14).

De Godsnaam heeft dan al vier keer geklonken. Aan het begin van de tekst is JHWH het ‘licht’ (Hebr.: ia’ar, ‘licht, (op)lichten’, 5x in 1.1.19.19.20) en de ‘luister’ (Hebr.: kabhod, ‘zwaarte, glorie’, 3x in 1.2; Hebr.: pa’ar, ‘verheerlijken’, 6x in 7.7.9.13.19.21) die over de ‘jij’ straalt (1.2), en ‘zij’ verkondigen ‘de roemrijke daden van JHWH’ en brengen eer aan JHWH, ‘je God, de Heilige van Israël’ (6.9). Tegen het einde van de tekst klinkt de Godsnaam nog twee keer en opnieuw in combinatie met licht en luister: JHWH maakt het licht van zon en maan overbodig (19.20). Daartussenin presenteert JHWH zichzelf één keer als ‘Ik’, die door de ‘jij’ erkend wordt als haar redder en bevrijder (‘losser’), de ‘Machtige van Jakob’ (vs. 16, vgl. Gen. 49,24; Ps. 132,2.5). Een soortgelijke ik-uitspraak sluit het hoofdstuk af (22b).

JHWH handelt en doet handelen

In de eerste helft van de tekst spreekt JHWH slechts één keer in de ik-vorm: waar offerdieren worden gebracht en Hij zijn tempel in alle luister herstelt (vs. 7). In de tweede helft vormen de zinnen in de ik-vorm de hoofdmoot: JHWH verleent eeuwige roem (15), Hij brengt goud in plaats van koper en zilver in plaats van ijzer, Hij laat vrede waken en gerechtigheid heersen (17), en Hij maakt de rechtvaardigen tot teken van zijn luister (21). Zo duidelijk als JHWH in het derde deel de handelende persoon is, zo onduidelijk is wie er in het eerste actief is. Want er worden wel zonen en dochters aangedragen en allerlei dieren naar de stad gebracht, maar wie dat doen wordt niet zo duidelijk gezegd. De vraag dringt zich dan ook op wie die ‘zij’ zijn, die de roemrijke daden van JHWH verkondigen (6), of wie die raadselachtige zwevende figuren zijn die komen ‘aanvliegen als duiven naar hun til’ (8). De enigen die hiervoor in aanmerking komen zijn de ‘volkeren’ en ‘koningen’ (3), die in het middendeel terugkeren als de ‘vreemdelingen’ die de muren van de stad herbouwen en ‘hun koningen’, de ‘koningen die worden meegevoerd’ (10.11), en de ‘zonen van je onderdrukkers en iedereen die jou verachtte’ (14). Met de activiteit van JHWH in het derde deel echter staat het handelen van die volkeren of koningen niet op zichzelf, maar maakt het onderdeel uit van de omkering ten goede van het lot van de stad. Uit de duisternis treedt de Godsstad aan het licht en is JHWH zelf haar licht. Uit haar vernedering komt zij tot nieuwe luister, verleend door JHWH, haar God. Waar zij vernederd en geknecht werd door vreemdelingen, zal zij zich aan hun borsten laven.

Heiligen als verkondigers

De beschrijving van het nieuwe Jeruzalem in Jesaja 60 gaat verder dan de andere lezingen voor de feestdag van Allerheiligen. In de Openbaring van Johannes 7,2-17 gaat het nog niet over het nieuwe Jeruzalem, maar over de heiligen die voor de troon van Gods heerlijkheid staan. En in de Bergrede uit het Matteüs-evangelie worden categorieën mensen zaliggesproken, die nu nog lijden of vervolgd worden. Jesaja vormt een aanvulling op deze lezingen, want wat daar nog komen moet, is hier profetisch al in vervulling gegaan. Heilig zijn allen die delen in de verkondiging van de roemrijke daden van JHWH en de herbouw van de vredesstad.

Anders gedaan

Hier zijn we gekomen

Gebed bij de opening van de Schriften

Bron van liefde, licht en leven,
Hier zijn we gekomen
om onze geliefden te gedenken, dankbaar dat hun naam
hier in dit huis nog eenmaal klinkt, om zo ook niet te vergeten
wie ons in dit leven zijn voorgegaan.
Hier zijn we gekomen om uw Schrift te openen en zo namen te horen van mensen
die ook met vallen en opstaan, met dromen en desillusies
uw roepstem hebben gevolgd.
We zijn gekomen om de belofte te ontvangen dat zij en wij in uw licht en glorie
zullen opstaan en schitteren. Wij zijn gekomen om te horen hoe U hen én ons vasthoudt over de grens van de dood heen.
Wij zoeken ook geborgenheid bij U,
omdat niemand anders ons gemis begrijpen kan. Breng ons hart tot rust.
Stem onze gedachten af op de diepte van onze ziel, op uw boodschap van trouw en ontferming.
Stem ons af op de aanwezigheid van uw Geest, die ons troost en verwarmt.
Laat uw liefde ons overvleugelen zodat de woorden ons zullen dragen
en optillen uit de dagen van verdriet en pijn.
Dat wij ons in Uw liefde geborgen en gekend weten, met alles wat ons bezighoudt,
dit uur en alle dagen van ons leven. In Jezus’ naam.
Amen.

Actueel

Concrete zorgen

Veel kerken/voorgangers hebben de neiging om bevrijdingsverhalen te vergeestelijken. We willen bevrijd worden van mentale pijn en abstracte zorgen. Zonder iets te willen afdoen aan het belang daarvan, is er óók de kant van de concrete, dagelijkse zorgen van mensen die leven in armoede. Vaak blijft dit in het gemeenteleven en in de diensten wat verborgen, of wordt het ‘gedelegeerd’ aan de diaconie.

Tegelijk merk je het soms zomaar als je bij mensen thuis komt; je ziet het plaid op de bank om de slijtplekken te verbergen, je hoort de kinderen vertellen over een verjaardag zonder feestje, je ruikt de geur van armoede in huis. En er is vaak weinig zicht op verandering, want waar moet je beginnen? Armoede kruipt onder je huid, houdt mensen in een machtige greep.

Onze liedboeken bieden niet zoveel liederen die daar concreet over gaan. Dus moeten we het zoeken in verkondiging en gebed.

Bidden we wel eens voor die mensen? En dan niet als ‘mensen ver weg’, maar als mensen onder ons, die aanwezig zijn op zondagmorgen, in onze gemeente? Of houden we het abstract, bidden we over hun hoofden heen voor ‘de arme kindertjes, Heer’? Het vraagt oefening om respectvol en oprecht ook voor deze mensen te bidden, zonder ze klein te maken of in een apart hoekje te zetten. Een oefening die de moeite meer dan waard is.

Invalshoek

Gods luister

Een psalm zingt:
‘De heiligen op aarde, vreugde van de Ene,
het plan zijn Liefde ontvouwt Hij in hen.’
De heiligen, ons tot voorbeeld,
trouw aan het verbond van de Ene,
werden tot zijn gelijkenis
in het voetspoor van de Mensenzoon.
Jezus, Gods eigen Woord in een mens, Zoon van de Vader,
schitterend als spiegel dit Evenbeeld,
open van geest en hart,
gericht naar de uitgegoten Bron van Liefde,
mateloos verbeeld in de schepping,
weergegeven in acht paden van voluit leven:
Christus, onze Hoop, Opgestane uit de doden,
doorleefde trouw aan Gods verbond.
Heel de Schrift, Gods liefdesbrief aan ons, is vervuld in Hem.
Zij die zo leven zijn de hemel op aarde,
Stad van Vrede die allen tot zich trekt
in het Licht dat Christus is verzameld, altijd stralend,
meer dan haar afglans van zon en maan,
altijd nieuw door onze gebrokenheid heen.
Open Stad waar ieder welkom is,
ook de heilige rest, zij, de eerst geliefden,
juist zij ontvangen eens het merkteken tot redding.
Een nieuwe schepping, beginnend in het hart van de mens.
Zij blijven bij ons ook na hun uittocht verbonden in de Liefde van de Ene.

Lied onder de loep

LB 989 – Gelukkig de armen van geest

Lied 989 reikt ons de zaligsprekingen in gezongen vorm aan. De tekst is, op een aantal kleine aanpassingen na, letterlijk terug te lezen in Matteüs 5,3-10 (NBV). Het lied kan vandaag goed ingezet worden als gezongen evangelielezing.

De tekst is te zingen op de chant van Matthew Camidge (1764- 1844). Camidge was langjarig organist van de York Minster, daarnaast was hij ook dirigent en componist. De chant als vorm is onlosmakelijk verbonden met de anglicaanse choral evensongs, waarin de gezongen onberijmde psalmen een vaste plek hebben.

Een chant is een harmonische formule waarop tekstverzen gezongen worden. De ‘maatstrepen’ in die formule corresponderen met de verticale streepjes in de tekst. Voor de plekken waar meer lettergrepen zijn dan noten, geldt dat de eerste lettergrepen na een streepje samen op de eerste noot gezongen worden. De laatste lettergreep binnen twee streepjes komt dan op de laatste noot.

Het metrum is vrij en wordt bepaald door de stroming van de tekst. Zoals je de tekst in een natuurlijke beweging spreekt, zo wordt die ook gezongen.

Kansen voor gebed

Heer, wij hebben nood aan mensen die ons concreet uw zaligsprekingen voorleven in een wereld die ieder houvast in vraag stelt. Dat deze uitdaging ons uitnodigt tot de hoop, die U zelf bent en die ons tegemoet komt in uw heiligen, die de weg ten einde zijn gegaan.