Bij Joël 2,12-19 en Matteüs 6,1-6.16-21
Jezus’ pleidooi voor een houding van waarachtigheid bij het ‘geven van iets uit barmhartigheid’, bij het bidden en bij het vasten wortelt in de profetische traditie van verzet tegen elke vorm van ‘werkgerechtigheid’. Er is geen sprake van een do ut des, ‘ik geef opdat U geeft’. Denk bijvoorbeeld aan Jesaja 58,3 of Joël 2,13: ‘Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.’ Geen uiterlijk vertoon dus, maar innerlijke drijfveren. Met zijn kritiek op bepaalde religieuze praktijken bevindt Jezus zich in goed profetisch gezelschap.
De profetie van Joël opent met een beschrijving van een complete kaalslag op het land. Een sprinkhanenplaag heeft een ravage aangericht en er heerst een grote droogte. Bijgevolg is er geen graan en wijn meer voorhanden voor de offerdienst in de tempel. Joël profeteert dat ook nog een groot en verwoestend leger het land en de stad Jeruzalem onder de voet zal lopen. Het ergst lijkt dat God zelf in dit alles de hand heeft: nabij is ‘de dag van de Heer’ (Hebr.: jom Adonai – 1,15; 2,1.11), ‘een dag van duisternis en donkerte’. Wie kan deze ‘grote en ontzagwekkende dag doorstaan’ (2,11)?
Inkeer en omkeer
Voordat die geduchte dag aanbreekt, biedt God de kans een nieuw begin te maken (2,12-18). Daarvoor is een innerlijke terugkeer naar Hem noodzakelijk, ‘met heel je hart’ (2,12). Een praktijk van bezinning en boete doen kan hierbij behulpzaam zijn. Het gaat om een tijd van vasten, tot inkeer komen en berouw tonen over wat verkeerd was en een smeekbede laten afroepen voor elkaar (2,17). Wanneer er gehoor gegeven wordt aan deze oproep, zal God zich ontfermen over zijn volk en het hernieuwde geestkracht schenken (2,18; 3,1). Een tweede, positieve beschrijving van de dag van de Heer zet deze belofte kracht bij (2,18–4,21).
De lezing uit Joël lijkt bij het vasten alle nadruk te leggen op de noodzaak van bekering, blijkens de herhaling van het werkwoord ‘omkeren’ (Hebr.: sjoebh – 2,12-14). Deze ‘gezindheid des harten’ is onontbeerlijk om zinvol te kunnen vasten. Gods barmhartigheid en zijn genade worden daarbij in herinnering geroepen (2,13b) met woorden die lijken te verwijzen naar de belijdenis in Exodus 34,6. Men kan ook denken aan Ps. 103,8. Het gaat hier om een appel dat gedaan wordt om van het vasten en lamenteren geen uiterlijk vertoon te maken. Er kan wat dit betreft een verband gelegd worden met Psalm 51,19; ‘Het offer voor God is een gebroken geest’, en uiteraard ook met de evangelielezing.
Verzoening 2.0
De evangelietekst maakt deel uit van de Bergrede, Jezus’ eerst grote toespraak in dit evangelie, waarin onder meer praktische leefregels aangereikt worden. In de perikoop gaat het over gangbare religieuze praktijken zoals aalmoezen geven, bidden en vasten. In die tijd waren dat radicale daden van gerechtigheid (vgl. bijv. Tob. 12,8-9). In de periode van de Babylonische ballingschap en daarna heeft de praktijk van het vasten duidelijk aan betekenis gewonnen. De tempel als de plaats waar verzoening door de offerdienst gestalte kreeg lag in puin en was voor de ballingen ook volledig uit beeld geraakt. Hoe kon het volk in deze omstandigheden én in den vreemde nu toch met God in het reine komen? Er wordt verteld dat rabbi Jochanan ben Zakkai op zekere dag Jeruzalem verliet. Hij werd vergezeld door zijn leerling rabbi Joshua. Toen hij de ruïnes van de verwoeste tempel zag, riep Joshua uit: ‘Wee over ons, want de plaats waar alle onrecht dat Israël bedreef werd vergeven, is verwoest’. Rabbi Jochanan antwoordde: ‘Wees niet verdrietig, mijn zoon, want we hebben een mogelijkheid tot vergeving die minstens zo goed is. Dat zijn de werken van barmhartigheid, zoals de Schrift zegt: ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer’ (Hosea 6,6).
Onzuivere bedoelingen
Uit de evangelielezing valt op te maken dat Jezus zich niet distantieert van de bestaande religieuze praktijken als aalmoezen geven, bidden en vasten. Het bestaansrecht van die praktijken stelt Hij niet ter discussie, maar wél is Hij kritisch over onzuivere bedoelingen bij het praktiseren. Deze opvatting was ongetwijfeld niet uniek en in bredere kring bekend. In de Talmoed (b. Soek. 49b) staat geschreven dat de Tora een mens beveelt om zich nederig te gedragen als het gaat om het openbare gebed en het privégebed en ook bij rituele handelingen.1
Zij die onzuivere bedoelingen hebben worden steevast aangeduid met het Griekse woord hupokritai (Mat. 6,2.5.16). Verderop in het evangelie klinkt het verwijt van hypocrisie bij herhaling aan het adres van de Farizeeën (23,13-15.23-29) omdat zij zich zo heel anders voordoen dan ze in werkelijkheid zijn (‘witgepleisterde graven … vol met doodsbeenderen,’ 23,27). Hypocrisie is het tegenovergestelde van oprechtheid of authenticiteit: iets ‘veinzen’ (SV 1637), huichelen of valselijk voorwenden. Je bent dan niet ‘uit één stuk’ en daarmee niet te vertrouwen. Matteüs 5 eindigt veelzeggend met de woorden: ‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is’ (5,48). Direct daarna, in Matteüs 6, legt Jezus aan de hand van de drie religieuze praktijken van geven, bidden en vasten uit hóe dat streven naar volmaaktheid er concreet uit hoort te zien. Het gaat om betrouwbaarheid en om weten wat je aan iemand hebt. Zoals Hij daarvoor al zei: je ‘ja’ moet ‘ja’ zijn en je ‘nee’ moet ‘nee’ zijn; wat daar nog bij komt is uit den boze (5,37). Wat je doet uit religieuze beweegredenen, laat dat vooral onopgemerkt blijven (met een variatie op de slotpassage van Gerard Reve’s De avonden). De Vader die in het verborgene ziet, merkt de oprechtheid heus wel op. Er is geen enkel uiterlijk vertoon voor nodig.
1 Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler (red.), Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen. NBV21. Haarlem/Antwerpen: Nederlands-Vlaams Bijbelgenoot-schap, 2024, p. 27.