Menu

Laden Evenementen

18 februari 2026 Aswoensdag

18 februari 2026

Aswoensdag

Bij deze dag

In het ensemble voor dit jaar is meer troost dan as te vinden. De keuze uit Psalm 103 en de slotverzen van Joël laten de hoorder opgelucht ademhalen. In de woorden uit Matteüs ligt de beloning in het verschiet. Daar zit een mooie kant aan: van al te somber spreken worden de trouwe kerkgangers van deze dag toch ook niet beter? Het feit dat ze er zijn is al boetedoening, dan hoeven ze geen extra pak ransel te krijgen. Maar toch: gaat het niet wat te snel, te gemakkelijk? De lezing uit Joël laat zich ook halverwege onderbreken, en beantwoorden met het lied van het oprechte vasten, LB 537.

Van Psalm 103 mogen de verzen over de kwetsbaarheid van de mens, als gras, als stof, ook best gelezen worden. De veertigdagentijd breekt aan, een tijd waarin duidelijk wordt dat alle goede bedoelingen de wereld niet zullen redden. Een tijd om het realisme van het kwaad onder ogen te zien, ook, zelfs, in eigen hart. Dat mag gescheurd worden, zegt Joël. En laat de kleren maar heel - en zing, zeker ook psalmen. ‘De regen striemt in vlagen’ (PA 6a) leent zich goed voor deze dag.

Jaar A | Paars
ot
Joël 2:12-19
ap
Psalmen 57
Psalmen 103:8-12
ep
2 Korintiërs 5:20-6:10
ev
Mattheüs 6:1-6.16-21
Liedsuggesties

Laat het onopgemerkt blijven

Bij Joël 2,12-19 en Matteüs 6,1-6.16-21

Jezus’ pleidooi voor een houding van waarachtigheid bij het ‘geven van iets uit barmhartigheid’, bij het bidden en bij het vasten wortelt in de profetische traditie van verzet tegen elke vorm van ‘werkgerechtigheid’. Er is geen sprake van een do ut des, ‘ik geef opdat U geeft’. Denk bijvoorbeeld aan Jesaja 58,3 of Joël 2,13: ‘Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart.’ Geen uiterlijk vertoon dus, maar innerlijke drijfveren. Met zijn kritiek op bepaalde religieuze praktijken bevindt Jezus zich in goed profetisch gezelschap.

De profetie van Joël opent met een beschrijving van een complete kaalslag op het land. Een sprinkhanenplaag heeft een ravage aangericht en er heerst een grote droogte. Bijgevolg is er geen graan en wijn meer voorhanden voor de offerdienst in de tempel. Joël profeteert dat ook nog een groot en verwoestend leger het land en de stad Jeruzalem onder de voet zal lopen. Het ergst lijkt dat God zelf in dit alles de hand heeft: nabij is ‘de dag van de Heer’ (Hebr.: jom Adonai – 1,15; 2,1.11), ‘een dag van duisternis en donkerte’. Wie kan deze ‘grote en ontzagwekkende dag doorstaan’ (2,11)?

Inkeer en omkeer

Voordat die geduchte dag aanbreekt, biedt God de kans een nieuw begin te maken (2,12-18). Daarvoor is een innerlijke terugkeer naar Hem noodzakelijk, ‘met heel je hart’ (2,12). Een praktijk van bezinning en boete doen kan hierbij behulpzaam zijn. Het gaat om een tijd van vasten, tot inkeer komen en berouw tonen over wat verkeerd was en een smeekbede laten afroepen voor elkaar (2,17). Wanneer er gehoor gegeven wordt aan deze oproep, zal God zich ontfermen over zijn volk en het hernieuwde geestkracht schenken (2,18; 3,1). Een tweede, positieve beschrijving van de dag van de Heer zet deze belofte kracht bij (2,18–4,21).

De lezing uit Joël lijkt bij het vasten alle nadruk te leggen op de noodzaak van bekering, blijkens de herhaling van het werkwoord ‘omkeren’ (Hebr.: sjoebh – 2,12-14). Deze ‘gezindheid des harten’ is onontbeerlijk om zinvol te kunnen vasten. Gods barmhartigheid en zijn genade worden daarbij in herinnering geroepen (2,13b) met woorden die lijken te verwijzen naar de belijdenis in Exodus 34,6. Men kan ook denken aan Ps. 103,8. Het gaat hier om een appel dat gedaan wordt om van het vasten en lamenteren geen uiterlijk vertoon te maken. Er kan wat dit betreft een verband gelegd worden met Psalm 51,19; ‘Het offer voor God is een gebroken geest’, en uiteraard ook met de evangelielezing.

Verzoening 2.0

De evangelietekst maakt deel uit van de Bergrede, Jezus’ eerst grote toespraak in dit evangelie, waarin onder meer praktische leefregels aangereikt worden. In de perikoop gaat het over gangbare religieuze praktijken zoals aalmoezen geven, bidden en vasten. In die tijd waren dat radicale daden van gerechtigheid (vgl. bijv. Tob. 12,8-9). In de periode van de Babylonische ballingschap en daarna heeft de praktijk van het vasten duidelijk aan betekenis gewonnen. De tempel als de plaats waar verzoening door de offerdienst gestalte kreeg lag in puin en was voor de ballingen ook volledig uit beeld geraakt. Hoe kon het volk in deze omstandigheden én in den vreemde nu toch met God in het reine komen? Er wordt verteld dat rabbi Jochanan ben Zakkai op zekere dag Jeruzalem verliet. Hij werd vergezeld door zijn leerling rabbi Joshua. Toen hij de ruïnes van de verwoeste tempel zag, riep Joshua uit: ‘Wee over ons, want de plaats waar alle onrecht dat Israël bedreef werd vergeven, is verwoest’. Rabbi Jochanan antwoordde: ‘Wees niet verdrietig, mijn zoon, want we hebben een mogelijkheid tot vergeving die minstens zo goed is. Dat zijn de werken van barmhartigheid, zoals de Schrift zegt: ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer’ (Hosea 6,6).

Onzuivere bedoelingen

Uit de evangelielezing valt op te maken dat Jezus zich niet distantieert van de bestaande religieuze praktijken als aalmoezen geven, bidden en vasten. Het bestaansrecht van die praktijken stelt Hij niet ter discussie, maar wél is Hij kritisch over onzuivere bedoelingen bij het praktiseren. Deze opvatting was ongetwijfeld niet uniek en in bredere kring bekend. In de Talmoed (b. Soek. 49b) staat geschreven dat de Tora een mens beveelt om zich nederig te gedragen als het gaat om het openbare gebed en het privégebed en ook bij rituele handelingen.1

Zij die onzuivere bedoelingen hebben worden steevast aangeduid met het Griekse woord hupokritai (Mat. 6,2.5.16). Verderop in het evangelie klinkt het verwijt van hypocrisie bij herhaling aan het adres van de Farizeeën (23,13-15.23-29) omdat zij zich zo heel anders voordoen dan ze in werkelijkheid zijn (‘witgepleisterde graven … vol met doodsbeenderen,’ 23,27). Hypocrisie is het tegenovergestelde van oprechtheid of authenticiteit: iets ‘veinzen’ (SV 1637), huichelen of valselijk voorwenden. Je bent dan niet ‘uit één stuk’ en daarmee niet te vertrouwen. Matteüs 5 eindigt veelzeggend met de woorden: ‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is’ (5,48). Direct daarna, in Matteüs 6, legt Jezus aan de hand van de drie religieuze praktijken van geven, bidden en vasten uit hóe dat streven naar volmaaktheid er concreet uit hoort te zien. Het gaat om betrouwbaarheid en om weten wat je aan iemand hebt. Zoals Hij daarvoor al zei: je ‘ja’ moet ‘ja’ zijn en je ‘nee’ moet ‘nee’ zijn; wat daar nog bij komt is uit den boze (5,37). Wat je doet uit religieuze beweegredenen, laat dat vooral onopgemerkt blijven (met een variatie op de slotpassage van Gerard Reve’s De avonden). De Vader die in het verborgene ziet, merkt de oprechtheid heus wel op. Er is geen enkel uiterlijk vertoon voor nodig.

1 Amy-Jill Levine en Marc Zvi Brettler (red.), Het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen. NBV21. Haarlem/Antwerpen: Nederlands-Vlaams Bijbelgenoot-schap, 2024, p. 27.

Anders gedaan

Met stof op je voorhoofd

Bij Joël 2,12-19

Keer terug tot Mij,
met de rafelranden aan je hart
de breuken in je ziel
je lege handen open
en stof op je voorhoofd.

Keer terug,
een fluisterzacht verlangen
naar de bron van liefde
die op je wacht
en nooit opdroogt.

Keer terug,
scheur niet je kleren
maar scheur je hart en
laat het open liggen
voor wat komen zal
maar altijd was

Als je niets meer hebt
dan adem,
dan stilte,
je stem gebroken is,
fluister zacht
‘hier ben ik wel’.

Keer terug,
want daar ben Ik.

Actueel

Keer je om

Er klinkt een stem: keer je om, de tijd is nu!

Niet langer te zwijgen.
weg te kijken van het genadeloze geweld in onze wereld.
Van de leugens om ons heen
en de misbruik van macht.

Om onder ogen te zien
wat zich schuilt houdt in jouw donker
voor de schim en schaduw in je ziel
de angsten van ons hart.

Er wenkt een hand: Keer je hart, het komt goed.

Er gaat een woord de eeuwen door
van mens tot mens als hartenkreet
Op de bodem van ons bestaan zijn wij niet alleen.

Heb vertrouwen tegen alle wantrouwen in
Durf te geloven met de moed der wanhoop
Wees genadig in alles wat zo hard als steen is.
Leef zo goed en laat je ziel hier onderdak zijn.

Er laait een vuur

Knisperende takken
knetterende vuurtongen
Een gloed van warmte
Verzengend en verterend
uitzuiverend tot op de bodem

Liefde ademt nieuw begin
Leef vol overgave tot in alle dood.

Er rest ons as als teken:
Mens ben je, stof der aarde, wees gezegend.

Invalshoek

‘Zoals de hoge hemel de aarde overspant, zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen,’ zo klinkt vandaag Psalm 103. Die haalt de mens het huis uit, zet haar buiten in het gras, laat haar zien van oost naar west. Laat hem kijken, omhoog van bloedrode aarde die ruikt naar het bloed van Abel, op naar de hemel die roept van ‘trouw’, van Gods chèsèd. Wie zo buiten staat, als klein mensje, stopt vanzelf wel met pochen op eigen daden, op eigen land, op eigen intellect. Prijs de Eeuwige, jij zieltje in mij, loof de Ene, jij, met je handen en voeten, je stem en je zwijgen.

Aswoensdag is de dag van inkeer – maar helpt naar buiten keren daar niet heel goed bij? Zodat we niet als Brammetje Peccator ieder jaar naar Rome hoeven om te biechten, maar kunnen dansen voor de ark. Of toch minstens de veertig dagen in kunnen gaan, met een open blik, vol verwachting dat het anders kan, getekend door die trouw van God.

Lied onder de loep

DWG 179 – ‘Dat wij weer weten’

Andries Goovaart schreef deze beurtzang voor aswoensdag, op muziek gezet door Rob Goorhuis, in een Augustijnerklooster na een dag lopen in de bergen. Voor lopen is het ook bedoeld: de tweekwartsmaat van het refrein leent zich om op te lopen, tijdens het naar voren komen voor een askruisje in de aswoensdagviering. Het korte refrein kan de gemeente uit het hoofd zingen, de coupletten kunnen door een voorzanger of cantorij gezongen worden. De tekst bevat veel verwijzingen naar Bijbelteksten, die ons enerzijds wijzen op ons sterfelijke, stoffelijke bestaan, maar anderzijds ook vertellen dat God de mens, als onderdeel van Zijn schepping, vasthoudt en draagt. Hij is het, die de mens de levensadem inblies. Het lied geeft uitdrukking aan de wens om onze afkomst te weten en ons verbonden te voelen met alles wat God gemaakt heeft. Dat wij door de mussen uit Matteüs 10,29, de sterren uit Genesis 15,5, de rotsen, het gras en het nijlpaard weten dat wij uit het stof van de aarde genomen zijn en dat wij de schat van Gods kracht in ons dragen als in een aarden pot. Aswoensdag maakt ons zo niet alleen bewust van onze sterfelijkheid, maar juist van het door God gegeven leven.

Kansen voor gebed

God, help ons te zien, 180 graden in de rondte, en nog eens,
van oost naar west en noord naar zuid,
van binnen naar buiten, van eigen naar vreemd,
van vertrouwd naar angstig onbekend.
En help ons te geloven dat het kan, leven van genade,
als kinderen van U die als een vader, een moeder om ons geeft,
van U die mensen roept van oost en west en noord en zuid,
en hen kinderen noemt, en geliefden.