Menu

Laden Evenementen

11 maart 2026 Biddag

11 maart 2026

Biddag

Bij deze dag

We bidden op vaste momenten: in de avond en in de morgen, bij de maaltijden en natuurlijk op zondag in de kerk. Vanouds waren er ook de zogeheten quatertemperdagen aan het begin van de jaargetijden. Dagen van gebed en boete, al dan niet gepaard met vasten. Deze biddag valt in de overgang van de winter naar de lente, tevens vastentijd. Zelf ben ik niet grootgebracht met naar de kerk gaan op bid- en dankdagen en ben er ook als voorganger ook nooit bij betrokken geweest. In de rooms-katholieke traditie zijn ze na 1969 in onbruik geraakt, maar in 2005 hebben de Nederlandse bisschoppen besloten de quatertemperdagen opnieuw in te voeren en zijn ze als facultatieve dagen aan de kalender toegevoegd en verbonden aan thema’s. Deze tweede woensdag van de maand wordt gebed gevraagd om de eenheid onder de christenen. Ik juich het stilstaan bij deze kenteringen in het jaar toe. Zo’n biddag leert ons in ieder geval het geduld van het wachten op de oogst en doet ons bewust zijn van onze afhankelijkheid.

Prediker voorziet ons bij het zaaien van een bijzondere les, namelijk dat je het zult moeten nalaten aan iemand die er niets voor gedaan heeft, met andere woorden een les in nederigheid.

Jaar A | Paars
ot
Prediker 2:20-26
ap
Psalmen 145
ep
ev
Mattheüs 6:19-23
Liedsuggesties

Schathemeltjerijk

Bij Prediker 2,20-27, Psalm 145 en Matteüs 6,19-23

Op de biddag voor gewas en arbeid biedt het rooster teksten die je laten nadenken over de verhouding tussen je inspanningen en waarvoor je het doet. Prediker twijfelt aan de zin van het najagen van bezit. Matteüs meent dat je je inspanningen beter richt op het vervullen van Tora. Psalm 145 hoort de lof van de Ene in de schepping en weet van Wie wij ontvangen.

De lezing uit Matteüs betreft twee spreuken uit de Bergrede. De eerste spreuk gaat over het verzamelen van schatten (6,19-21), de tweede over de lamp van het lichaam (6,22-23). Beide spreuken zijn knap opgebouwd met gebruik van verschillende stijlfiguren. Een van de stijlfiguren in de eerste spreuk is om een aantal zinnen telkens met hetzelfde woord te laten beginnen (een anafoor). Vijf keer achter elkaar begint een zin met ‘waar’ (Gr.: hopou), maar dan komt ineens ‘dáár’ (Gr.: ekei): ‘dáár zal ook zijn jouw hart’. Zo wordt alle nadruk gestuwd naar die laatste woorden, ‘jouw hart’. Dat is waar deze spreuk om draait, de vraag waar jouw hart is. Het is een vraag waar je zelf een antwoord op mag geven als je bidt om zegen over gewas en arbeid.

Schatkameren

Het is geen Nederlands werkwoord, ‘schatkameren’, maar het zou een mooie vertaling zijn van het Griekse werkwoord thèsaurizoo. NBV21 vertaalt correct ‘verzamel voor jezelf geen schatten op aarde.’ Letterlijk staat er ‘schatkamer voor jezelf geen schatten op aarde’, en dat drukt de lading én de kritiek scherper uit. Het is meer dan alleen maar rijk zijn. Het is je bezittingen achter slot en grendel zetten binnen dikke muren, waar niemand er iets aan heeft. Het is dood kapitaal terwijl mensen sterven door gebrek. Iets later zal de Brief van Jakobus 5,2-3 daar nog met kracht op wijzen: ‘Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden.’ Inderdaad, het zou pervers zijn te bidden om zegen over gewas en arbeid, de winst in de schatkamer te bergen en ondertussen de arbeider een leefbaar loon te onthouden.

Geld en sieraden corroderen in de schatkamer en kostbare textiel wordt aangevreten, als rovers tenminste niet de schatkamer plunderen. Het vergaan van kleding door motten heeft waarschijnlijk een dubbele bodem, namelijk als metafoor voor de manier waarop zij die de Ene bespotten ten onder gaan (Jes. 51,8). Immers, het oppotten van bezit ten koste van de armen ís een bespotting van de Ene. Niet alleen de kleding wordt aangevreten, ook de rijke zelf ondergaat dat lot. Wat je dan wél met je bezittingen moet doen zegt Matteüs in het verhaal van de rijke jongeling: verkoop het en geef het de armen, dan zul je een schat in de hemel bezitten (19,22; vgl. Marc. 10,21; Luc. 18,22).1

Wegwezen, direct!

De tweede spreuk, over het oog als lamp van het lichaam, bestaat uit drie als-dan-beweringen, maar de derde als-dan-bewering breekt halverwege af. In plaats daarvan komt een uitroep:

‘Als nu het licht dat in jou [is] duister is … wát een duisternis!’ Zo’n uitroep is een krachtig retorisch middel. Om het goed te begrijpen moet je weten dat in de oudheid gemeend werd dat het licht door je oog naar binnen scheen. Het oog is als het ware een lamp waardoor je van binnen verlicht wordt. Het is een olielampje. Als het lampje uitdooft door gebrek aan olie wordt het meteen volkomen donker in jezelf. Tussen helder en duister is geen schemergebied, net zoals er geen schemergebied is tussen goed en slecht.

Augustinus zegt het in zijn commentaar op de Bergrede zo: ‘De liefde vervult de gehele wet (Rom. 13,10), we moeten daarom het oog hier opvatten als de instelling waarmee wij alles doen wat we doen.’ Hierop verder denkend kun je zeggen dat de lamp van het lichaam het gebod van de liefde is. Als je dat gebod niet leeft, wordt het duister vanbinnen. Als je het wél leeft, belicht de lamp de nood van wie maar op je weg komt. Of, zoals Augustinus in een preek over de schat in de hemel zegt: ‘Hebt u veel verzameld? Wegwezen, direct! U hebt genoeg om de armen van Christus in overvloed te laten leven.’2

Te doen gerechtigheid

Het lied van Huub Oosterhuis ‘Te doen gerechtigheid’ (ook zingbaar op melodie van ‘Gelukkig is het land’) vat goed samen wat hier in deze passage van de Bergrede speelt. Je moet gerechtigheid doen in je hele manier van leven, ‘leven in uw licht’, zingt het lied. De lezing uit het boek Prediker (voortaan liever: Qohelet) komt op hetzelfde punt uit: ‘Leef volgens Tora.’ Qohelet overweegt dat het zinloos is meer te willen verwerven dan je kunt gebruiken. Beter is het dan te genieten van wat voldoende is. De felle kritiek dat het teveel van de schatkamerling het tekort is van de arbeider zien we hier niet. Qohelet blijft hier bij de beoogde houding van degene die zich inspant: wijsheid, kennis en vreugde. Psalm 145 zal gekozen zijn vanwege de versregels 15-16, traditioneel deel van het gebed voor de maaltijd, met onder andere de bekende woorden: ‘Allen zien hoopvol naar U uit, U geeft voedsel, op de juiste tijd.’ Dát is wat de schatkamerling nog moet leren: je bezit niets wat je niet gegeven is, het teveel heb je de armen afgenomen.

1 Aurelius Augustinus, Het huis op de rots. Verhandeling over de bergrede. Amsterdam: Ambo, 2000, p. 157 (2,45); Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht. Preken over Matteüs. Amsterdam: Ambo, 2004, p. 182 (60,6).

2 Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, Hemels Groen. Nieuw licht op duurzaamheid als bijbels thema. Haarlem/Antwerpen, Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap, 2024, pp. 223-225, 234.

Actueel

Bid stond voor gewas en arbeid/ Kyrie voor ‘overshoot day’

‘Ik word er zo depressief van,’ zei de diaken – toen hij mijn suggestie voor de groene viering onder ogen kreeg. “Kunnen we niet iets hoopvollers gebruiken als tekst voor de viering?”

Mijn tegenvraag: durven we het beest wel in de bek te kijken? Kunnen we de wonden van ons menselijk handelen zichtbaar maken en aanraken? Ook in onze liturgische teksten, gebeden en taal? Daarom is het nodig om ook in onze gebeden taal te geven aan die rauwheid, het resultaat van onze ecologische voetafdruk. Een mooi voorbeeld hiervan, een alternatief kyriegebed voor de vergiftigde, kaalgekapte aarde is een gedicht van Anita Barrows: ‘And I would travel with you’. (Een Nederlandse vertaling hiervan is een tijd geleden gebruikt in de podcast ‘Lazarus staat op’ van de EO)

Actueel

Ogenblikje

Bij Matteüs 6,19-23

Uitstellen, even vergeten, SOG (studie ontwijkend gedrag), het is van alle tijden. Jezus waarschuwt ons voor KOG – koninkrijk ontwijkend gedrag. Telkens richten we onze aandacht en onze harten op dingen die níet met Gods Koninkrijk te maken hebben. Geweld, onzekerheid, verslavingen, psychische en andere ziekten: het is de dagelijkse realiteit. Jezus vraagt ons niet om dat te ontkennen. Hij vraagt ons om ons daar niet door te laten leiden. Laat je oog vallen op het goede en laat je hart daardoor verlichten.

Maak ‘Ogenblikjes’: kleine kaartjes waar iedereen iets op schrijft of tekent dat wél bij Gods koninkrijk hoort. Iets uit het dagelijks leven ver weg of dichtbij, een positief woord, een nieuwtje, een lente-tekening.

Als je dit voor de dienst met een groepje voorbereidt, of ook in de kindernevendienst doet, kun je er hele kunstwerken van maken. Je kunt er een gedroogde bloem op plakken, een positief nieuwsbericht, of een gedicht. Doe je in met elkaar ín de dienst dan ben je iets beperkter in de creatieve uitingen. Verzamel de Ogenblikjes (in een blikje? 😉) en deel ze na de dienst weer uit aan iedereen, om ergens op te hangen en neer te leggen. Telkens als je oog erop valt weet je: o ja, Gods Koninkrijk kan werkelijkheid worden in onze wereld.

Invalshoek

Niet voor niets (Prediker 2,20-27)

‘Dominee, is dan echt alles voor niks geweest?’, zegt de militair met tranen in zijn ogen. Het vertrek van de VN uit Afghanistan en de terugkeer van de Taliban raakt de betrokken Nederlandse militairen. De zin van hun inzet kom ter discussie te staan zowel publiekelijk als bij henzelf. Vooral zij die met grote idealen waren gegaan of veel offers hebben gebracht lijden daaronder. Het doet me denken aan de leegte en zinloosheid waar Prediker over spreekt.

Eén militair ervoer zijn missie als volledig zinloos. In gesprekken zochten we samen naar momenten die wél betekenisvol waren. Zo ontstond ruimte om meer te kunnen genieten van het heden. Zijn inzet, kwam hij achter was niet voor niets, al blijft het moeilijk dat zijn hoop op verandering niet is uitgekomen.

Lied onder de loep

De lezingen doen mij denken aan twee liedregels uit LbK 441: ‘Uw ziel moet gij stofferen, maar niet uw aardse stee/Als gij gaat pelgrimeren, wat neemt gij met u mee.?’ Dit vijfde couplet van het lied ‘Komt kinderen niet dralen’ (Tersteegen/Jacobse) is in LB 799 niet overgenomen. Aanbevelenswaardig en geschikt vind ik verder deze acclamaties: LB: 62a ‘Bij God alleen verstilt mijn ziel’, 145b ‘Dichtbij is God voor wie Hem roepen’. Ze ondersteunen het gebedskarakter van de viering bij Kyrië en voorbeden. Lied 62a en 62b hebben beide Psalm 62,2 als tekst.

De versie van Theo Goedhart is muzikaal geënt op ‘Mon âme se repose’ van Jacques Berthier (Taizé) en goed meerstemmig door de gemeente te zingen. Het orgelkoraal ‘Schmücke dich, o liebe Seele’ (BWV 654(a)) van J.S. Bach zou in deze Bidstondviering niet misstaan.

Kansen voor gebed

Heer,
Als wat we doen soms zinloos lijkt,
en onze verwachtingen niet uitkomen,
als dromen breken en vragen blijven,
wilt U ons dan helpen de zin te ontdekken –
of om het uit te houden met de vragen
en met de stilte waarin geen antwoord komt?
Geef ons goede moed
om te zien waar wij van betekenis kunnen zijn.
Open ons hart voor dankbaarheid voor wat we ontvangen,
ook als ons leven anders loopt dan gehoopt.
Amen.