Bij Prediker 2,20-27, Psalm 145 en Matteüs 6,19-23
Op de biddag voor gewas en arbeid biedt het rooster teksten die je laten nadenken over de verhouding tussen je inspanningen en waarvoor je het doet. Prediker twijfelt aan de zin van het najagen van bezit. Matteüs meent dat je je inspanningen beter richt op het vervullen van Tora. Psalm 145 hoort de lof van de Ene in de schepping en weet van Wie wij ontvangen.
De lezing uit Matteüs betreft twee spreuken uit de Bergrede. De eerste spreuk gaat over het verzamelen van schatten (6,19-21), de tweede over de lamp van het lichaam (6,22-23). Beide spreuken zijn knap opgebouwd met gebruik van verschillende stijlfiguren. Een van de stijlfiguren in de eerste spreuk is om een aantal zinnen telkens met hetzelfde woord te laten beginnen (een anafoor). Vijf keer achter elkaar begint een zin met ‘waar’ (Gr.: hopou), maar dan komt ineens ‘dáár’ (Gr.: ekei): ‘dáár zal ook zijn jouw hart’. Zo wordt alle nadruk gestuwd naar die laatste woorden, ‘jouw hart’. Dat is waar deze spreuk om draait, de vraag waar jouw hart is. Het is een vraag waar je zelf een antwoord op mag geven als je bidt om zegen over gewas en arbeid.
Schatkameren
Het is geen Nederlands werkwoord, ‘schatkameren’, maar het zou een mooie vertaling zijn van het Griekse werkwoord thèsaurizoo. NBV21 vertaalt correct ‘verzamel voor jezelf geen schatten op aarde.’ Letterlijk staat er ‘schatkamer voor jezelf geen schatten op aarde’, en dat drukt de lading én de kritiek scherper uit. Het is meer dan alleen maar rijk zijn. Het is je bezittingen achter slot en grendel zetten binnen dikke muren, waar niemand er iets aan heeft. Het is dood kapitaal terwijl mensen sterven door gebrek. Iets later zal de Brief van Jakobus 5,2-3 daar nog met kracht op wijzen: ‘Hoor de klacht van het loon dat u de arbeiders die uw velden maaiden hebt onthouden.’ Inderdaad, het zou pervers zijn te bidden om zegen over gewas en arbeid, de winst in de schatkamer te bergen en ondertussen de arbeider een leefbaar loon te onthouden.
Geld en sieraden corroderen in de schatkamer en kostbare textiel wordt aangevreten, als rovers tenminste niet de schatkamer plunderen. Het vergaan van kleding door motten heeft waarschijnlijk een dubbele bodem, namelijk als metafoor voor de manier waarop zij die de Ene bespotten ten onder gaan (Jes. 51,8). Immers, het oppotten van bezit ten koste van de armen ís een bespotting van de Ene. Niet alleen de kleding wordt aangevreten, ook de rijke zelf ondergaat dat lot. Wat je dan wél met je bezittingen moet doen zegt Matteüs in het verhaal van de rijke jongeling: verkoop het en geef het de armen, dan zul je een schat in de hemel bezitten (19,22; vgl. Marc. 10,21; Luc. 18,22).1
Wegwezen, direct!
De tweede spreuk, over het oog als lamp van het lichaam, bestaat uit drie als-dan-beweringen, maar de derde als-dan-bewering breekt halverwege af. In plaats daarvan komt een uitroep:
‘Als nu het licht dat in jou [is] duister is … wát een duisternis!’ Zo’n uitroep is een krachtig retorisch middel. Om het goed te begrijpen moet je weten dat in de oudheid gemeend werd dat het licht door je oog naar binnen scheen. Het oog is als het ware een lamp waardoor je van binnen verlicht wordt. Het is een olielampje. Als het lampje uitdooft door gebrek aan olie wordt het meteen volkomen donker in jezelf. Tussen helder en duister is geen schemergebied, net zoals er geen schemergebied is tussen goed en slecht.
Augustinus zegt het in zijn commentaar op de Bergrede zo: ‘De liefde vervult de gehele wet (Rom. 13,10), we moeten daarom het oog hier opvatten als de instelling waarmee wij alles doen wat we doen.’ Hierop verder denkend kun je zeggen dat de lamp van het lichaam het gebod van de liefde is. Als je dat gebod niet leeft, wordt het duister vanbinnen. Als je het wél leeft, belicht de lamp de nood van wie maar op je weg komt. Of, zoals Augustinus in een preek over de schat in de hemel zegt: ‘Hebt u veel verzameld? Wegwezen, direct! U hebt genoeg om de armen van Christus in overvloed te laten leven.’2
Te doen gerechtigheid
Het lied van Huub Oosterhuis ‘Te doen gerechtigheid’ (ook zingbaar op melodie van ‘Gelukkig is het land’) vat goed samen wat hier in deze passage van de Bergrede speelt. Je moet gerechtigheid doen in je hele manier van leven, ‘leven in uw licht’, zingt het lied. De lezing uit het boek Prediker (voortaan liever: Qohelet) komt op hetzelfde punt uit: ‘Leef volgens Tora.’ Qohelet overweegt dat het zinloos is meer te willen verwerven dan je kunt gebruiken. Beter is het dan te genieten van wat voldoende is. De felle kritiek dat het teveel van de schatkamerling het tekort is van de arbeider zien we hier niet. Qohelet blijft hier bij de beoogde houding van degene die zich inspant: wijsheid, kennis en vreugde. Psalm 145 zal gekozen zijn vanwege de versregels 15-16, traditioneel deel van het gebed voor de maaltijd, met onder andere de bekende woorden: ‘Allen zien hoopvol naar U uit, U geeft voedsel, op de juiste tijd.’ Dát is wat de schatkamerling nog moet leren: je bezit niets wat je niet gegeven is, het teveel heb je de armen afgenomen.
1 Aurelius Augustinus, Het huis op de rots. Verhandeling over de bergrede. Amsterdam: Ambo, 2000, p. 157 (2,45); Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht. Preken over Matteüs. Amsterdam: Ambo, 2004, p. 182 (60,6).
2 Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf, Hemels Groen. Nieuw licht op duurzaamheid als bijbels thema. Haarlem/Antwerpen, Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap, 2024, pp. 223-225, 234.