Bij 1 Kronieken 29,10-16, Psalm 103 en Lucas 17,11-19
Ter gelegenheid van Dankdag vormt de idee van dankbaarheid de rode draad doorheen de lezingen. Of het nu gaat om materiële rijkdom (1 Kron. 29) of gezondheid (Luc. 17): aan de oorsprong ervan staat niet de eigen kracht, maar God. Dit kan leiden tot lofprijzing en zegening (‘als goed benoemen’) van God (Ps. 103), én dankzegging (Luc. 17,16). Al is dit niet vanzelfsprekend: van de tien mannen die genezen, is er slechts één die tot dankbaarheid komt (Luc. 17).
Alles begint bij God
Volgens 1 Kronieken 29 begint David aan de voorbereiding van de tempelbouw die Salomo zal voltooien. Hij verzamelt er de nodige inkomsten voor, door zelf zijn rijkdom te schenken, maar ook door anderen op te roepen rijkelijk te geven, wat zij van harte en vol vreugde doen (vs. 9). Dit brengt David ertoe om God dankbaar te zegenen, vanuit het besef dat het uiteindelijk God is aan wie de heerschappij toekomt, en aan wie alles toebehoort. Het is immers God die kracht schenkt en mogelijk maakt dat zij allen dit alles opbrengen voor God, en alles wat zij hebben gegeven komt uit diens hand.
Ook Psalm 103 roept op Gods naam te zegenen. Die onuitsprekelijke naam JHWH is niet in één gedachte te vatten. Het is goed God te zegenen, omdat God zó is: vergevingsgezind, niet haatdragend, recht doend aan verdrukten en tegelijk het onrecht niet zo benaderend dat er geen toekomst meer mogelijk is, want God is ook genadig, zich ontfermend. Ook heling is van God afkomstig (vs. 3). Ik, JHWH, ben je heelmeester, zegt God in het verhaal over de bevrijding uit Egypte (Ex. 15,26). De ziekten van Egypte zullen hen niet treffen, als zij naar God luisteren en doen wat juist is. Heling en bevrijding zijn nauw verbonden, zoals ook in Lucas 17: na de heling van melaatsheid verklaart Jezus de man dat zijn vertrouwen hem heeft gered.
Heling en dankbaarheid
In diverse bijbelverhalen is sprake van een huidziekte waarvan zowel oorsprong als genezing aan God worden toegeschreven (zo Mozes in Ex. 4,6-7; Mirjam in Num. 12,10-15; Naäman in 2 Kon. 5). Zo’n huidziekte als melaatsheid is niet enkel een fysiek maar ook een sociaal en religieus geladen gegeven. Wie een huidziekte heeft die zich uitbreidt, moet zich aan de priester laten zien, die bepaalt of deze zieke rein of onrein is. Is deze onrein, dan moet hij zich afzonderen, en ‘onrein’ roepen. Enkel door een zuiveringsritueel, uit te voeren door de priester, kan wie geheeld is terug deel uitmaken van de gelovige gemeenschap (zie Lev. 13-14).
Vanuit deze gebruiken is het logisch dat in Lucas deze mannen op een afstand blijven, en dat Jezus hen naar de priester stuurt. Wat zij roepen is echter niet ‘onrein, onrein’, maar ‘Jezus, meester, ontferm U’. Ondanks hun isolement hebben zij blijkbaar van Jezus gehoord. Ze spreken Hem aan met de eerbiedige titel die ook anderen (leerlingen, farizeeën en wetgeleerden) voor Jezus gebruiken. Ontferming is volgens het Lucasevangelie een eigenschap van God (1,50.54.58.72.78) waartoe Jezus ook mensen oproept (10,37). Jezus ziet hen en stuurt hen dadelijk naar de priesters. Verrassend genoeg, want op dit moment zijn zij nog niet genezen. Toch gaan ze, en het is in dit vertrouwens- volle gebeuren dat zij worden geheeld.
Lucas 17,11-19 beschrijft hoe na de heling slechts één man God prijst en terugkomt om Jezus te bedanken. Binnen het verhaal weten enkel de lezers (en de geheelde man) dat ook de anderen wel degelijk genezen zijn. Ook Jezus blijkt hiervan overtuigd, en Hij vraagt zich luidop af waar de negen anderen zijn; ze werden toch allen geheeld? Hiermee geeft de verteller impliciet aan dat dankbaarheid toch wel de meest passende reactie is. Tot de man zegt Jezus dat diens vertrouwen hem heeft gered (zoals ook elders, zie 7,50; 8,48; 18,42). Dankbaarheid was geen voorwaarde voor de genezing, en niets wijst erop dat de afwezigheid van dank en lofprijzing bij de anderen tot herval in melaatsheid leidt. Ook zij vertrouwden erop dat het zinvol was te doen wat Jezus zei. Dat is wat telt.
En het was een Samaritaan
Tot tweemaal toe is er een signaal dat die éne dankbare man juist diegene is van wie men het niet zou verwachten: het is een Samaritaan, een elders geborene (vs. 16.18). Hiermee plaatst de verteller het genezingsverhaal in het ruimere kader van zijn universele heilsboodschap over Jezus. Jezus is op weg naar Jeruzalem, en trekt door Galilea en Samaria. Deze situering is betekenisvol. Vanaf Lucas 9,51 keert Jezus zich immers resoluut naar Jeruzalem, in het volle besef dat zijn levenseinde met lijden, sterven en opwekking daar zal plaatsvinden. Alles wat zich afspeelt, wordt in dat kader van Gods weg met Jezus meegenomen. Een dorp in Samaria of Galilea is een omgeving die in de ogen van de heersende orde te Jeruzalem weinig voorstelt. Samaria is al onder de Assyriërs gevallen; wie in deze diverse samenleving JHWH bleef vereren, erkende hierbij enkel de Tora (Pentateuch) als gezaghebbend boek, waardoor Judese joden hen niet als volwaardige joden erkenden en hen meden. Ook Galilea was een culturele en religieuze smeltkroes, waardoor het ook wel bekend stond als het ‘Galilea van de (heidense) volkeren’ (Jes. 8,23).
Door het verhaal van de melaatsen in deze tijd en ruimte te situeren, geeft Lucas impliciet aan dat zelfs deze in de ogen van de heersende orde onreinen op Jezus’ heilsweg geplaatst zijn. Dat geldt ook, en in het bijzonder, voor de Samaritaan die Jezus niet enkel vertrouwt maar ook God looft en dankt, en zo ook de Judeeërs (Judea betekent ‘God zij geprezen’) tot voorbeeld strekt.