Bij Jesaja 49,1-7, Psalm 139,1-12, 1 Korintiërs 1,1-9 en Matteüs 4,12-22
Het thema voor deze derde zondag na Epifanie is op het eerste gezicht ‘roeping’ (niet te verwarren met roepingenzondag op de vierde zondag na Pasen): Jesaja wordt geroepen om aan Israël te profeteren. Jezus roept vier vissers achter hun netten vandaan om zijn eerste leerlingen te worden.
In de roeping van Jesaja horen wij Psalm 139,13 terug: ‘U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder’ (NBV21). Met eenzelfde intieme belijdenis als uitgangspunt – (De Heer) ‘die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar Hem terug te brengen’ – verkondigt Jesaja aan Israël de terugkeer uit de ballingschap.
Is de profeet ‘Israël’?
Als roeping het hoofdthema is, dan is ‘terugkeer/inkeer’ toch zeker het belangrijkste subthema. De woorden ‘terugkeer’ en ‘inkeer’ (Hebr.: sjoebh, Gr.: metanoeoo) duiken in de perikopen van vandaag immers regelmatig op. Liggen in het bijbelse taalveld ‘bekering’ en ‘terugkeer’ niet in elkaars verlengde? In geval van het Hebreeuwse sjoebh is dat zeker het geval. De terugkeer van het volk van Israël uit de Babylonische ballingschap moet hand in hand gaan met een geestelijke bekering tot de Heer.
Het is opmerkelijk dat wanneer de Heer Jesaja roept om tot het volk van Israël te spreken, Hij hem met de naam ‘Israël’ lijkt aan te spreken (49,3). Is de profeet de pars pro toto of de personificatie van het hele volk? Dat zou op gespannen voet staan met zijn kritische rol, het ‘profetische tegenover’ dat hij zou moeten zijn. Het kan natuurlijk ook een onderdeel van de boodschap van God zijn: ‘Hij heeft me gezegd (– en Ik zeg het u): “Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister.”’ Dan is het volk (ook) dienaar.
Dit rijmt echter niet met de reactie van de profeet in de volgende verzen. Hierin wordt de tegenstelling beschreven tussen Gods luister en het gevoel van vergeefsheid van de dienaar die is geroepen om Gods plan te verkondigen. Toch voelt de profeet een enorme lotsverbondenheid met het volk. Het is het vertrouwen dat deze beloning het volk eens zal toekomen, en dan ook zijn deel zal zijn, dat de profeet gaande houdt. Jesaja is met Israël verbonden, beiden zijn ‘lijdende knecht’.
Johannes gevangengenomen
Twee lijdende knechten, die met elkaar verbonden zijn, vinden we ook in Matteüs 4. Jezus keert terug (Gr.: anachooreoo) naar Galilea nadat Hij bij Johannes de Doper bij de Jordaan is geweest en hoort van zijn arrestatie (4,12). Jezus neemt nu de prediking van Johannes letterlijk over, die luidt: ‘Komt tot inkeer (Gr.: metanoeite), want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (Mat. 3,2 en 4,17). Johannes is immers het zwijgen opgelegd. Pas in Matteüs 14,3-12 lezen we een uitgebreid verslag van de arrestatie van Johannes die in 4,12 slechts in een bijzin wordt genoemd. Opmerkelijk is dat in 4,12 hetzelfde werkwoord wordt gebruikt als voor de uitlevering van de twaalf (10,17.19) en van Jezus (20,18-19; 26,2.15-16.21.23-25.45.48): het Griekse paradidoomi, ‘overleveren’, hoewel Johannes volgens het verslag van 14,3 niet door iemand wordt overgeleverd, maar door Herodes gevangengenomen wordt. Vandaar dat NBV21 hier in 4,12 vertaalt met ‘gevangengenomen’, terwijl SV en NBG51 kiezen voor ‘overgeleverd’.
De roeping van de eerste discipelen wordt door Matteüs gekoppeld aan de profetie uit Jesaja 8,23–9,1. Het punt van overeenkomst is de duisternis, en het grote licht dat weldra zal opgaan. De profetie van Jesaja, waarin de inwoners van Zebulon en Naftali in duisternis gehuld ronddolen, heeft betrekking op de verovering door de Assyriërs. In Matteüs is de arrestatie en de dood van Johannes reden voor somberheid. Maar juist in deze situatie zal een groot licht gaan schijnen: Jezus zorgt ervoor dat de prediking van Johannes niet verstomt.
Bevrijding uit de ballingschap
Als we de ballingschap verder doortrekken als context van de roeping van de eerste discipelen, dan kunnen we Jezus’ raadselachtige woorden ‘Kom, volg Mij, Ik zal jullie vissers van mensen maken’ (ook Marc. 1,17 en Luc 5,10) misschien ook beter plaatsen. In Jeremia 16,16 laat de profeet mensen vangen door vissers en jagers vanwege hun afgoderij: ‘Ik laat vele vissers komen om hen te vangen – spreekt de HEER –, en daarna laat Ik vele jagers komen om hen op elke berg en elke heuvel, zelfs in de rotskloven op te jagen’ (NBV21). De ‘vissers van mensen’ hebben als positief tegenbeeld van deze profetie van Jezus de roeping gekregen om de in duisternis van een geestelijke ballingschap ronddolende zielen weer terug te winnen voor zijn heil.
In 1 Korintiërs 1 zijn we ten slotte weer terug bij het thema roeping. Paulus noemt in de aanhef zowel zijn eigen roeping als het feit dat de leden van de Korintische gemeente geroepen zijn om Gods heiligen te zijn. In de daaropvolgende inleiding geeft hij de Korintiërs een compliment voor de goede verankering van het getuigenis van Christus in hun gemeente. Hun rijkdom is rijkdom aan gaven van de Geest. Bovendien zal de Geest ervoor zorgen dat de Korintiërs bij de wederkomst geen blaam zal treffen. Die blaam zou kunnen ontstaan door ontrouw, maar dat zal gelukkig niet snel gebeuren. ‘In Christus geheiligd zijn’ (vs. 2; NBV21 vertaalt het Griekse en terecht met ‘in’ in plaats van met ‘door’, zoals NBV04) duidt een status aan van genade. Eenmaal in de genade van Christus val je er niet zomaar meer uit. ‘God (…) door wie u geroepen bent (…) is trouw’ (vs. 9).
Roeping, bekering en bevrijding gaan hand in hand. In de lichtkring van Jezus geeft God de in een onzekere en duistere wereld verdoolde mens een veilige plek.