Menu

Laden Evenementen

25 januari 2026 Derde zondag na Epifanie

25 januari 2026

Derde zondag na Epifanie

Bij deze dag

We mogen de dienst beginnen met de groet, die we dankzij het epistel aan Paulus kunnen linken, wiens bekering vandaag in veel kerken herdacht wordt. Zijn woorden over onze eenheid met Christus Jezus moge ons deze week van gebed van eenheid verder inspireren. De profetie van Jesaja bepaalt ons bij onze Heer, gesteld als een licht voor alle volken (LB 710a). Waarom zouden we niet ook met LB 448 hierover zingen op deze zondag, die nog geheel behoort tot de kerstkring. Er valt daarom veel voor te zeggen om het in de kerk tot en met de 40e Kerstdag bij het wit te houden. Om te ervaren dat ook wij ons – in navolging van de apostelen – geroepen mogen weten in de lichtkring van onze Heer te treden. LB 533 laat zingen dat de man uit Nazaret zich met de levenden wil verbinden. Geliefd is LB 531, niet in het minst door de melodie die ons met vreugde uitnodigt mee te gaan met de Heer die ook ons roept. Ja, aan het einde van de Kerst- en Epifanietijd mogen we ons steeds meer het refrein van LB 533 eigen maken. Paulus schrijft ons tenslotte dat Hij het ook is die ons tot het einde toe de zekerheid geeft dat ons op zijn dag en in eenheid met Hem geen blaam zal treffen.

Jaar A | Groen
ot
Jesaja 49:1-7
ap
Psalmen 139:1-12
ep
1 Korintiërs 1:1-9
ev
Mattheüs 4:12-22
Liedsuggesties

Roeping tot terugkeer en inkeer

Bij Jesaja 49,1-7, Psalm 139,1-12, 1 Korintiërs 1,1-9 en Matteüs 4,12-22

Het thema voor deze derde zondag na Epifanie is op het eerste gezicht ‘roeping’ (niet te verwarren met roepingenzondag op de vierde zondag na Pasen): Jesaja wordt geroepen om aan Israël te profeteren. Jezus roept vier vissers achter hun netten vandaan om zijn eerste leerlingen te worden.

In de roeping van Jesaja horen wij Psalm 139,13 terug: ‘U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder’ (NBV21). Met eenzelfde intieme belijdenis als uitgangspunt – (De Heer) ‘die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar Hem terug te brengen’ – verkondigt Jesaja aan Israël de terugkeer uit de ballingschap.

Is de profeet ‘Israël’?

Als roeping het hoofdthema is, dan is ‘terugkeer/inkeer’ toch zeker het belangrijkste subthema. De woorden ‘terugkeer’ en ‘inkeer’ (Hebr.: sjoebh, Gr.: metanoeoo) duiken in de perikopen van vandaag immers regelmatig op. Liggen in het bijbelse taalveld ‘bekering’ en ‘terugkeer’ niet in elkaars verlengde? In geval van het Hebreeuwse sjoebh is dat zeker het geval. De terugkeer van het volk van Israël uit de Babylonische ballingschap moet hand in hand gaan met een geestelijke bekering tot de Heer.

Het is opmerkelijk dat wanneer de Heer Jesaja roept om tot het volk van Israël te spreken, Hij hem met de naam ‘Israël’ lijkt aan te spreken (49,3). Is de profeet de pars pro toto of de personificatie van het hele volk? Dat zou op gespannen voet staan met zijn kritische rol, het ‘profetische tegenover’ dat hij zou moeten zijn. Het kan natuurlijk ook een onderdeel van de boodschap van God zijn: ‘Hij heeft me gezegd (– en Ik zeg het u): “Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister.”’ Dan is het volk (ook) dienaar.

Dit rijmt echter niet met de reactie van de profeet in de volgende verzen. Hierin wordt de tegenstelling beschreven tussen Gods luister en het gevoel van vergeefsheid van de dienaar die is geroepen om Gods plan te verkondigen. Toch voelt de profeet een enorme lotsverbondenheid met het volk. Het is het vertrouwen dat deze beloning het volk eens zal toekomen, en dan ook zijn deel zal zijn, dat de profeet gaande houdt. Jesaja is met Israël verbonden, beiden zijn ‘lijdende knecht’.

Johannes gevangengenomen

Twee lijdende knechten, die met elkaar verbonden zijn, vinden we ook in Matteüs 4. Jezus keert terug (Gr.: anachooreoo) naar Galilea nadat Hij bij Johannes de Doper bij de Jordaan is geweest en hoort van zijn arrestatie (4,12). Jezus neemt nu de prediking van Johannes letterlijk over, die luidt: ‘Komt tot inkeer (Gr.: metanoeite), want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (Mat. 3,2 en 4,17). Johannes is immers het zwijgen opgelegd. Pas in Matteüs 14,3-12 lezen we een uitgebreid verslag van de arrestatie van Johannes die in 4,12 slechts in een bijzin wordt genoemd. Opmerkelijk is dat in 4,12 hetzelfde werkwoord wordt gebruikt als voor de uitlevering van de twaalf (10,17.19) en van Jezus (20,18-19; 26,2.15-16.21.23-25.45.48): het Griekse paradidoomi, ‘overleveren’, hoewel Johannes volgens het verslag van 14,3 niet door iemand wordt overgeleverd, maar door Herodes gevangengenomen wordt. Vandaar dat NBV21 hier in 4,12 vertaalt met ‘gevangengenomen’, terwijl SV en NBG51 kiezen voor ‘overgeleverd’.

De roeping van de eerste discipelen wordt door Matteüs gekoppeld aan de profetie uit Jesaja 8,23–9,1. Het punt van overeenkomst is de duisternis, en het grote licht dat weldra zal opgaan. De profetie van Jesaja, waarin de inwoners van Zebulon en Naftali in duisternis gehuld ronddolen, heeft betrekking op de verovering door de Assyriërs. In Matteüs is de arrestatie en de dood van Johannes reden voor somberheid. Maar juist in deze situatie zal een groot licht gaan schijnen: Jezus zorgt ervoor dat de prediking van Johannes niet verstomt.

Bevrijding uit de ballingschap

Als we de ballingschap verder doortrekken als context van de roeping van de eerste discipelen, dan kunnen we Jezus’ raadselachtige woorden ‘Kom, volg Mij, Ik zal jullie vissers van mensen maken’ (ook Marc. 1,17 en Luc 5,10) misschien ook beter plaatsen. In Jeremia 16,16 laat de profeet mensen vangen door vissers en jagers vanwege hun afgoderij: ‘Ik laat vele vissers komen om hen te vangen – spreekt de HEER –, en daarna laat Ik vele jagers komen om hen op elke berg en elke heuvel, zelfs in de rotskloven op te jagen’ (NBV21). De ‘vissers van mensen’ hebben als positief tegenbeeld van deze profetie van Jezus de roeping gekregen om de in duisternis van een geestelijke ballingschap ronddolende zielen weer terug te winnen voor zijn heil.

In 1 Korintiërs 1 zijn we ten slotte weer terug bij het thema roeping. Paulus noemt in de aanhef zowel zijn eigen roeping als het feit dat de leden van de Korintische gemeente geroepen zijn om Gods heiligen te zijn. In de daaropvolgende inleiding geeft hij de Korintiërs een compliment voor de goede verankering van het getuigenis van Christus in hun gemeente. Hun rijkdom is rijkdom aan gaven van de Geest. Bovendien zal de Geest ervoor zorgen dat de Korintiërs bij de wederkomst geen blaam zal treffen. Die blaam zou kunnen ontstaan door ontrouw, maar dat zal gelukkig niet snel gebeuren. ‘In Christus geheiligd zijn’ (vs. 2; NBV21 vertaalt het Griekse en terecht met ‘in’ in plaats van met ‘door’, zoals NBV04) duidt een status aan van genade. Eenmaal in de genade van Christus val je er niet zomaar meer uit. ‘God (…) door wie u geroepen bent (…) is trouw’ (vs. 9).

Roeping, bekering en bevrijding gaan hand in hand. In de lichtkring van Jezus geeft God de in een onzekere en duistere wereld verdoolde mens een veilige plek.

Anders gedaan

Roeping

Bij Matteüs 4,12-22

Het verhaal over de roeping van de eerste leerlingen van Jezus is in veel opzichten een bijzonder en rijk verhaal. Een van de opvallende dingen, is dat Simon en Andreas en Jakobus en Johannes geroepen worden om te worden wat ze al zijn. Vissers. ‘Ik zal u vissers van mensen maken,’ zegt Jezus. Hun beroep blijft hetzelfde, maar de focus wordt anders.

Organiseer een gemeentegesprek over roeping

Uitgangspunt voor het gesprek is: hoe kun je de gaven en talenten die je al hebt, inzetten voor het koninkrijk van God? Hoe kun je dat wat je kan en weet, benutten om licht te maken in het donker, om troost te vinden in barre tijden? Dit is ook het uitgangspunt van de gaventest, ontwikkeld door de Protestantse Kerk.
Het kan inspirerend zijn om dit in groepjes met gemeenteleden in te vullen.

Bedenk in het gesprek ook: in de lezing zijn er twee paren vissers. Simon en Andreas aan de ene kant, Jakobus en Johannes aan de andere kant. Beiden hebben verschillende talenten. Over Simon en Andreas wordt verteld dat ze hun netten aan het uitwerpen zijn. Jakobus en Johannes zijn de netten aan het herstellen. Beide werkzaamheden horen bij het vissersbestaan. Maar ze vragen om heel verschillende vaardigheden. Het ene werk, netten uitwerpen, is extravert, naar buiten toe gericht. Het andere, netten herstellen, is meer meditatief, naar binnen gericht.
Voor beide is plaats in het koninkrijk van God.

LB 531 en 532 kunnen worden gezongen om het gesprek af te sluiten.

Actueel

Rauwe rouw

In verhalen over rouw is vaak te horen dat de omgeving niet goed weet wat te zeggen. In mijn straatwerk kan geregeld hard en rauw worden gesproken over gemis. ‘Het is echt k*t dat Jan er niet meer bij is.’‘Ja, kl*te, ik had nog geld van hem tegoed.’ (Gegrinnik.) ‘Maar hij was goudeerlijk. Geen gedraai of wegduiken. En goed voor zijn zoon.’ (Instemmend gebrom.) Toen ik deze straatmensen leerde kennen, was ik regelmatig verlegen. Ik kwam niet uit hun wereld met gebruik, geweld, detentie, internaten, opvang, psychisch kwetsbaar zijn. Ik ging naar huis, daar wacht iemand op me, en in de zomer ging ik op vakantie. Wat kwam ik doen? Wat moest ik zeggen?

Toen ik Berend eenmaal een paar keer had ontmoet, hurkte hij neer bij mijn vraag hoe het ging. ‘Het is k*t. Alles is zwart. Ik weet het niet meer.’ Ik wist niet wat te zeggen en hurkte alleen maar naast hem. Verlegen bij deze zo doorgewinterde, straatwijze en ongelukkige man. Maar het was goed. Na een stille minuut, legde hij een hand op mijn schouder. ‘Kom. Dankjewel. Ik ga verder.’

Als ik niet weet wat te zeggen, kies ik nu meestal om niets te zeggen. Of om mijn verlegenheid te laten voelen. En dan durf ik om er wel heen te gaan. Niet wegblijven, niet doodzwijgen, maar weten van het verdriet. Misschien kun je het zo helpen dragen.

Invalshoek

Het komt bijna (Mat. 4,12-22)

Feestdagen kunnen voor veel mensen met een verstandelijke beperking ingewikkeld zijn. Omdat ze vaak geen tijdsbesef hebben, kunnen ze moeilijk overzien wanneer het zover is. Dat kan veel spanning oproepen: er gaat iets gebeuren, maar ik weet niet wanneer. Die spanning kan zich uiten in veel onrust en probleemgedrag. Dat wil je het liefst voorkomen, dus de algemene regel is: er niet te vroeg over beginnen. Dat wordt wel een steeds grotere uitdaging nu de pepernoten, kerstballen en paaseieren steeds vroeger in de winkel komen te liggen. Als een bewoner er zelf over begint, remmen we dat bijna automatisch af: ‘Dat duurt nog even, hè? We gaan eerst dit doen…’ Zo ook bij Mustafa. Hij is erg enthousiast en een grage prater. Vooral over zijn verjaardag. Sjonge, wat ziet hij daar naar uit! Bij doorvragen blijkt hij pas jarig in juni, maar in januari is hij er al vol van. ‘Ik ben bijna jarig! Ik ben bijna jarig!’ Met een grote grijns staat hij te springen in de deuropening. ‘Nou’, probeerde mijn collega hem af te remmen: ‘dat duurt nog wel even’. ‘Jaha’, bevestigde Mustafa meteen, om heel wijs te vervolgen: ‘maar het komt wel steeds dichterbij!’

Lied onder de loep

VL 424 – Ballade over Jezus

Een lied dat helaas in de vergetelheid is geraakt en daarom weinig bekend is, maar dat zo toepasselijk is voor deze eerste zondag van de ‘groene tijd’ tussen de kerstkring en de paaskring. Na zijn doop en zijn retraite in de woestijn, begint Jezus aan zijn openbare leven. Hij roept zijn leerlingen en zijn verkondiging van het goede nieuws neemt een aanvang. In de vorm van een ballade met tien coupletten, bezingt Oosterhuis de man van Nazaret, waarvoor hij met name put uit teksten van het Matteüsevangelie, o.a. uit de zaligsprekingen. De laatste twee coupletten kunnen de gemeente in de mond gelegd worden. Wij gaan met dichte ogen verder, als vreemdelingen, met vragen, maar hoopvol naar de voltooiing. Bernard Huijbers componeerde de melodie naar de wijze van de oude troubadours, maar waarschijnlijk ook met een knipoog naar de diverse balladen die Bertolt Brecht schreef. Zijn werken waren in de jaren zestig van de vorige eeuw heel populair. Het lied kan door ‘troubadour’ gezongen worden, in afwisseling met de gemeente. Voeg daar dan de nodige instrumenten bij en het vertellied is compleet.

Kansen voor gebed

God, wat kunnen we verlangen en uitzien. Maar wat kan dat ook spannend zijn. Niet goed weten wanneer. Afwachten. Verduren. Wilt U ons helpen, ons rust geven. Dat we ons vertrouwen stellen op U. En mogen ervaren dat U dichtbij bent.