Gaudete! Verblijdt u in de Heer te allen tijde (Fil. 4,4)! Johannes stelt zijn vraag vanuit de gevangenis en dan klinkt zo’n vraag toch anders. Ben jij het wel? Of wachten wij een ander? Het antwoord doet een beroep op ons horen en zien, met profetische oren en ogen wel te verstaan: ‘het dorre land zal zich verblijden’ (Jes. 35) Op de vraag ‘ben jij het?’ klinkt een profetisch antwoord.
Ik kan het niet laten Willem Barnard te citeren: ‘Alleen profeten, dichters en kinderen hechten nog waarde aan het toeval. Toeval in de betekenis van dat wat je toevalt.’ De dichter weet: alles wat hij schrijft, is hem toegevallen. Het berust op een inval, het is een uitwerking van iets, dat aan je eigen controle is ontsnapt. Zoals alles wat leeft berust op toeval, de kiem van al wat leeft komt voort uit de toevallige ontmoeting. Of het nu stuifmeel is dat door de wind is aangevoerd of een oogopslag in het voorbijgaan, er komt een bloem van of een mensenkind, maar beiden zijn komen aanwaaien. Het ergste wat we kunnen bedenken is een heilsstaat waar het toeval is uitgebannen door beleid, want dan worden kinderen inderdaad gemaakt.
