Bij Jesaja 35,1-10, Jakobus 5,7-10 en Matteüs 11,2-11
De derde zondag van de Advent spoort ons aan: ‘Gaudete!’; ‘Verheugt u!’ De toon van de lezingen is vreugdevol. Over enkele weken vieren we de komst van het Kind van Betlehem. We kijken er ook naar uit dat de Heer eindelijk de aarde en de mensen komt verlossen. ‘Wees geduldig en standvastig,’ roept de apostel Jakobus ons toe, ‘Hij zal komen’ (Jak. 5,8). Het wit van het Koninkrijk kleurt het adventspaars al rozerood.
‘Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft’ (Ps. 146,5). Het onrecht dat mensen elkaar aandoen doet Hij weg; eeuwig is Hij te vertrouwen. Hij doet recht aan de verdrukten, geeft brood aan de hongerigen, bevrijdt gevangenen, opent de ogen van blinden, richt op wie zijn gebogen en doet recht aan vreemdelingen, wezen en weduwen. Maar pas op: ‘Goddelozen richt Hij te gronde.’
Een paradijselijke woestijn, een begaanbare weg
In Matteüs 11,2-11 laat Jezus zien dat Hij de levens van wie lijden onder beperkingen en armoede nieuw en goed maakt. Hij staat daarmee in de traditie van de profeten, zoals Jesaja 35,1-10. De profeet Jesaja bezingt de terugkeer van de ballingen uit Babel naar Jeruzalem. Als in een nieuwe Exodus leidt de weg dwars door de woestijn – een heel nieuwe woestijn, overvloedig in bloei, die je de luister van de Heer en de schoonheid van God toont. Ook mensen worden nieuw, gezond en sterk. Blinden kunnen zien wat er te zien valt en meer. Hun ogen worden ook geopend voor de trouw van God. Net zo kunnen de doven horen. God zal wraak nemen op wie het volk onderdrukken. In de context van Jesaja kunnen we dan denken aan Edom, Aram en Assur. In de loop der eeuwen heeft deze tekst de naam ‘Kleine Apocalyps’ gekregen, samen met Jesaja 34. Laat Jesaja 35 de bevrijdende kant van een Apocalyps zien, Jesaja 34 toont het gruwelijke oordeel dat ‘Edom’ moet ondergaan. Steden en huizen worden met pek verwoest (zie Sodom en Gomorra), het land wordt een woestijn, woonplaats van wilde en gevaarlijke dieren, echte dieren en fabeldieren.
In Jesaja 35 wordt de onbewoonbare woestijn een bloeiend paradijs, met waterstromen en beken waar riet en biezen groeien in overvloed. Daar kunnen mensen vrolijk en met vaste tred de weg naar Jeruzalem gaan, naar huis, een rechte en gebaande weg. God zelf heeft die gebaand, alleen voor de terugkerende ballingen. Onzeker en moedeloos knikkende knieën worden stevig, bevende handen ook – letterlijk en symbolisch. De reis is veilig: geen vijanden en gevaarlijke dieren. Dwazen dwalen er niet rond – lieden die in hun hart zeggen ‘Er is geen God’ hopen de bevrijde ballingen op weg naar Jeruzalem even dwaas te maken.
De Mensenzoon, de Messias
Na de Bergrede, Jezus’ verkondiging in de steden, genezingen en de roeping van de leerlingen volgen nu de reacties (Mat. 11,2-12). Eerst van Johannes de Doper, vanuit de gevangenis; is Jezus wel degene die komen zou? Die vraag is een bijna technische term in het kader van de toenmalige eindtijdverwachting: er zal een Gezalfde, een Messias opstaan die een einde zal maken aan alle onderdrukking, ziekte en leed. Is Jezus de ‘Elia’ die voor de Messias zou komen (Mal. 3,23)? Bij de Profeten lezen we wel van eindtijdverwachtingen, maar niet dat een bijzonder gezalfd mens of Messias de beloften van de eindtijd zal vervullen. ‘De Gezalfde’ zocht men altijd nog in het huis van David. Ten tijde van Jezus geloofde men over ‘de Messias, de Christus’ dat die zou komen, het oordeel zou vellen over de Romeinse keizer en de hemel en de aarde nieuw zou maken. In de tweeledige Kleine Apocalyps bij Jesaja (34 en 35) lezen we van oordeel én verlossing.
Johannes roept zijn toehoorders op de weg voor de Heer gereed te maken, tot inkeer te komen en zich te laten dopen (Mat. 3). Wie zichzelf beroemen op hun geloof en wetsbetrachting noemt hij ‘adderengebroed’. Ze kunnen alleen aan het oordeel ontkomen door anders te leven. Zo klinken ook de oordeelsprofeten, als Maleachi: de Dag des Heren komt als een oven (Mal. 3,19), alle goddelozen verbranden. Eerst zal ‘de profeet Elia’ komen, waarschuwen en oproepen tot inkeer (Mal. 3,24). Wie luistert, zal niet omkomen. Het oordeel komt in Jesaja 34 over de Edomieten, bij Maleachi treft het Israël zelf, de afvallige. Johannes vraagt Israëlieten: ‘Bekeer je!’
De prediking en de werken van Jezus brengen hem in verwarring. Geen adderengebroed, oordeel en bekering (vgl. Mat. 3,7-8), maar de woestijn die zal bloeien, mensen die verlost worden van alles wat hun leven bederft en van allen die hun onrecht doen. Bij Jezus’ doop in de Jordaan had de stem uit de hemel gezegd: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind ik vreugde’ (Mat. 3,17). Johannes in de gevangenis hoort van Jezus’ werk en prediking. Die zijn anders dan de zijne en dat is moeilijk.
‘Zijn jullie riet in de wind gaan bekijken?’ Riet, niet in de woestijn, maar aan de waterkant. Dat waait met alle winden mee. ‘Of hebben jullie mensen in fijne kleren gezocht?’ Die vind je bij Herodes, in paleizen, niet in de woestijn! Ironische vragen van Jezus en niet zonder humor. O, jullie zijn een profeet gaan zien, in zijn ruige kleren en zijn ascetische levensstijl: Johannes! Het is niet verrassend als Jezus zegt: ‘Hij is de bode die voor Mij uit gaat, de Elia die een weg voor Mij baant’ (Mat. 11,10.14, Mal. 3,24). Johannes is de grootste onder de mensen – maar in het Koninkrijk der hemelen is zelfs de kleinste groter dan hij (Mat. 11,11). BGT vertaalt hier prikkelend: ‘Maar in Gods nieuwe wereld zijn zelfs de gewoonste mensen nog belangrijker dan hij’ (Mat. 11,11-12).
