Bij Johannes 4,5-42
In Johannes 4 staat de spanning tussen ‘Joden’ (Judeeërs) en Samaritanen centraal zoals de Samaritaanse vrouw bij de bron tot uitdrukking brengt: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse’ (vs. 9). De evangelist voegt daar nog aan toe: ‘Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.’ Het is het begin van een dynamisch en gelaagd gesprek tussen Jezus en deze vrouw; dit heeft een groot effect op de vrouw die, hoewel ze naamloos zal blijven, verkondiger van het evangelie wordt (vgl. vs. 39).
In een eerste ronde gaat het gesprek over wie er wie nu water aan te bieden heeft – en vooral ook: welk water. Het is rond het middaguur (het zesde uur) en het zal dus behoorlijk warm geweest zijn; in ieder geval is Jezus moe en heeft Hij dorst (vgl. vs. 6). In reactie op het afwijzende antwoord van de vrouw biedt Jezus haar vervolgens ‘levend water’ aan – ‘leven’ is een theologisch kernbegrip in dit evangelie en gaat verder dan de betekenis ‘stromend water’ die de uitdrukking ook kan hebben. Hiermee begint een verbinding tussen het metaforische en het alledaagse zoals die ook vaak voorkomt in het vierde evangelie. De vrouw vat Jezus’ aanbod echter niet theologisch, maar praktisch op: ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen?’ (v. 11). Zij verbindt dit met de uitdaging: ‘U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee’ (vs. 12). Het ‘juiste antwoord’ is, voor wie het Johannesevangelie tot hiertoe gelezen heeft, natuurlijk ‘ja’.
Levend water
Tegelijkertijd is hiermee het centrale thema van deze perikoop ook gegeven: de vraag wie Jezus precies is en wat voor effect Hij op mensen heeft. Hierbij ontspint zich het gesprek op allerlei manieren via misverstanden en ambiguïteiten. Een mooi voorbeeld staat in vs. 12: de vrouw spreekt Jezus aan met het Griekse kyrie, ‘heer’ of ‘Heer’, waarmee zij ongetwijfeld iets als ‘meneer’ bedoelt, terwijl ze zo onbedoeld ook al wijst op Jezus’ identiteit als Heer (het begrip wordt vanaf het gebruik in hoofdstuk 4 steeds vaker voor Jezus gebruikt en daarbij met betekenis gevuld). Het kwalitatieve verschil tussen het water uit de put en het water dat Jezus biedt, is het thema van een volgende stap in het gesprek. Hierin wordt duidelijk dat het water van Jezus de dorst van een mens in eeuwigheid zal lessen, zelfs een bron van eeuwig leven zal zijn (vs. 13-14). Zowel gezien het vervolg van het gesprek als ook Johannes 7,37-39 zal hiermee de gave van de Geest bedoeld zijn en wel door Jezus als drager van de Geest. Vanzelfsprekend verlangt de vrouw naar dit hoogwaardige levende water dat water van het leven blijkt te zijn (vs. 15), met name omdat het haar zal verlossen van het (zware en vaak aan vrouwen toebedeelde) werk van water halen.
‘Dat ben Ik!’
Een tussenspel met een wat onduidelijke betekenis over de vele mannen die de vrouw gehad heeft en de man die ze nu heeft en die de hare niet is (vs. 17-18) – het kan zo zijn dat de vrouw een bedenkelijke reputatie heeft maar dat is hier geen uitgangspunt voor de interpretatie van de tekst – bevestigt voor de vrouw vervolgens dat Jezus een profeet is; Hij kent haar levensgeschiedenis en -omstandigheden op onverklaarbare wijze. Ze aarzelt echter nog wel: is het niet zo dat Joden (c.q. Judeeërs; het geografische is hier ook van belang) God in Jeruzalem aanbidden en Samaritanen op de berg Gerazim? (vs. 20). Deze (verdelende) binding aan plaatsen relativeert Jezus echter door een (verbindende) kwaliteit van aanbidding, namelijk ‘in’ geest en waarheid voorop te stellen, maar niet zonder te onderstrepen dat het heil uit ‘de Joden’ (c.q. de Judeeërs) komt. Op grond van dit alles benoemt de vrouw haar verwachting van een gezalfde (‘Messias’) en ‘out’ Jezus zich als zodanig: ‘Dat ben Ik, degene die met u spreekt’ (vs. 26).
‘We hebben Hem zelf gehoord’
De terugkeer van de leerlingen laat het gesprek vervolgens afbreken. De vrouw vertrekt naar de stad, waarbij ze haar kruik achterlaat: putten uit de bron van Jakob is niet meer nodig nu ze een bron van levend water ontmoet heeft. Terwijl de vrouw in de stad haar verhaal doet en haar vermoeden uit dat ze de Messias ontmoet heeft (‘Er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias zijn?’ – vs. 29), ontspint zich nog een verder gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen over het voedsel dat Jezus nodig heeft – het doen van de wil van de Vader. Weer wordt daarbij een vorm van voeding naar een symbolisch niveau getrokken, wat vervolgens ook gebeurt met het beeld van de oogst. Zodra de Samaritanen naar Jezus gekomen zijn en Jezus enige tijd bij hen verblijft, vinden velen geloof: ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben Hem zelf gehoord en we weten dat Hij werkelijk de redder van de wereld is’ (4,42).
De lezer die dit alles meekrijgt, ontdekt zo zowel wie Jezus meer formeel is: ‘Heer’, wellicht, en zeker ‘Messias’, of ook ‘redder van de wereld’ (vs. 41), alsook wat dit met iemand doet die Hem ontmoet. De vrouw komt namelijk duidelijk in een nieuwe vorm van leven terecht: haar waterhalen kan ze achter zich laten en ze wordt tot zelfbewuste verkondiger van het evangelie met een rol in de stad die ze wellicht daarvoor niet had. De ontmoeting met de gever van levend water laat, blijkbaar, ook werkelijk tot leven komen.