Bij Handelingen 10,34-38
Petrus vertelt het verhaal over Jezus en verkondigt de goede boodschap van vrede ten huize van Cornelius, een Romeinse legerofficier. Geen vanzelfsprekende stap voor Petrus, die zelf memoreert dat het verboden is voor Joden om met niet-Joden om te gaan. Petrus opent door de ontmoeting met Cornelius en al wat er dan plaatsvindt de verkondiging aan de volkeren.
Petrus wordt in de eerste hoofdstukken van Handelingen geschetst als de initiatiefnemer onder de leerlingen na Jezus’ hemelvaart. Hij zorgt dat de opengevallen plaats in de kring van de twaalf, ontstaan door de dood van Judas, wordt ingevuld. Met Pinksteren houdt hij een lange toespraak waarin hij vrome Joden (Hand. 2,5) uitlegt hoe Jezus op grond van de Schriften de Heer en Messias is (2,36). Zijn optreden met Johannes in Jeruzalem, zijn gevangenneming en vrijlating, genezingen, de aanstelling van de zeven en zijn optreden in Samaria tekenen Petrus’ autoriteit.
Nu de gemeente in Judea, Galilea en Samaria zich in vrede ontplooit (9,31), volgt een volgende stap: de verkondiging aan de volkeren. De hoofdstukken 9–15 van Handelingen beschrijven hoe de overgang van Petrus naar Paulus geleidelijk vorm krijgt. Gaande de groei van de gemeente wordt, naast Petrus, ook Paulus geïntroduceerd (7,58; 8,3; 9,1-30). In de tweede helft van Handelingen zal het over hem gaan, en niet over Petrus. Paulus wordt het gezicht van de verkondiging tot aan ‘de uiteinden van de aarde’ (1,8).
In Handelingen 10 blijkt dat de verkondiging aan de volkeren geworteld is in het gezag van Petrus.
Beelden uit de hemel
Petrus is in Joppe, het huidige Jaffa, ten noorden van Jeruzalem. Hij verblijft bij een man die Simon heet. ‘Simon’ is ook Petrus’ eigen Joodse naam. Deze Simon is leerlooier van beroep, wat voor een vrome Jood de nodige uitdagingen met zich meebrengt om niet onrein te raken in de nabijheid van dode dieren. Op subtiele wijze wordt daarmee overgegaan naar het thema van deze episode: de ontmoeting tussen de Joodse wereld en die van de volkeren. Petrus krijgt een verwarrend gezicht, een droom, waarin hij tot driemaal toe van een stem uit de hemel de opdracht krijgt te eten van dieren die hij uit de hemel ziet komen, ondanks zijn protesten dat hij geen onreine zaken zal eten. ‘Maak niet onrein wat God zuiver verklaard heeft,’ zegt de stem (10,15). Het gezag van de hemel wordt boven Petrus gesteld die, nog niet wetend wat te doen, bovendien door de Geest gemaand wordt met gezanten van Cornelius mee te gaan. Cornelius, met zijn huishouden, is al voorgesteld als een ‘godvrezende’, die veel goeds doet voor het (joodse) volk en bidt tot de Heer (10,1-2). Godvrezenden zijn sympathisanten van het jodendom: buitenlanders, vreemdelingen die de joodse godsdienst aanhangen maar zelf geen Joden zijn.
Ook Cornelius heeft een droom gehad, een visioen, namelijk om Petrus uit te nodigen. Hij zag een engel die hem zei dat God zijn goede daden had opgemerkt en krijgt de opdracht Simon, die ook Petrus genoemd wordt, te laten halen. Hier wordt naast de joodse naam van Petrus ook de Griekse variant gegeven, net als later, als de gezanten bij Petrus aankomen (10,5.18), teken van welwillendheid naar de niet-joodse Cornelius, en een signaal dat hier twee culturen bij elkaar gebracht worden. Cornelius aarzelt niet en stuurt er mannen op uit. Anders is het met Petrus, die aarzelt, maar als de mannen vertellen waarom ze bij hem komen biedt hij hun onderdak en gaat de andere dag met hen mee.
Heer over allen
Als Cornelius hem ontvangt en diep neerbuigt, zegt Petrus: ‘Sta op, ik ben ook maar een mens.’ Dat is niet zozeer Petrus’ bescheidenheid. Het refereert aan de roeping van hemzelf, in het Lucasevangelie. Overweldigd door de grote visvangst knielt Petrus voor Jezus en onderkent zijn kleinheid, zijn mens-zijn. Jezus maant hem niet bang te zijn en geeft hem de taak voortaan mensen te vangen (Luc. 5,8). Nu, bij Cornelius, blijft Petrus zichzelf: hij is geen god, hij is mens. Vergelijkbaar zullen Paulus en Barnabas zich verderop geen goddelijke status laten aanleunen, maar zich ‘gewone mensen’ noemen (Hand. 15,11-15).
De hemel heeft de hand in het tot stand komen van de ontmoeting tussen Cornelius en Petrus. Petrus is zich daarvan bewust en zegt tegen Cornelius dat God hem heeft laten zien dat niemand onrein is. Als hij van Cornelius’ diens visioen gehoord heeft zegt hij daarom: God maakt geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood (vgl. Deut. 10,17 en Rom. 10,12). Anders dan bij zijn pinkstergetuigenis in Jeruzalem is Petrus’ boodschap vrij compact.
Hij hanteert summier de bekende beelden uit de joodse traditie, waarvan er een aantal geschetst wordt in de andere lezingen deze zondag. Duidelijk is dat Petrus bij de verkondiging zijn publiek goed voor ogen heeft. Geen lange uiteenzetting dat Jezus de door het Joodse volk lang verwachte Messias is, maar een beknopte samenvatting: Jezus is ‘Heer over allen’, die bij zijn doop door Johannes door God gezalfd is met heilige Geest en kracht. Hij gaat weldoende rond en geneest degenen die in de macht van de duivel zijn, want God is met Hem. Hij is gekruisigd en door God opgewekt op de derde dag en ieder die in Hem gelooft kan door zijn Naam vergeving van zonden ontvangen. Hij is ‘Heer over allen’, zo verkondigde Paulus Jezus al (Rom. 10,12). Ook het andere beeld dat Petrus schetst: Jezus als ‘rechter van levenden en doden’ komt van Paulus (2 Tim. 4,1) – Handelingen is decennia later geschreven dan de Paulusbrieven. Voordat Petrus uitgesproken is, daalt de heilige Geest neer over allen die naar Petrus luisteren – een teken uit de hemel – waarna Petrus opdracht geeft ook de niet-Joden te dopen. Opmerkelijk: eerst de gave van de Geest, daarna pas het doopsel.