Menu

Laden Evenementen

11 januari 2026 Eerste zondag na Epifanie Doop van de Heer

11 januari 2026

Eerste zondag na Epifanie Doop van de Heer

Bij deze dag

Deze tweede zondag van Epifanie is de sombere slotpsalm van het derde psalmboek, Psalm 89, de antwoordpsalm, zoals vorige week Psalm 72, slot van het tweede psalmboek. Tóen: de koning in majeur, nú: de koning die van alle kanten bedreigd wordt, kopje onder dreigt te gaan zelfs. De te lezen verzen laten die donkere kant wat buiten beeld, maar bij elke doop is de dood dichtbij. Deze koning kent de zelfkant van de samenleving, de geknakte rietstengels, de kwijnende lichtjes. Hij gaat hun weg, blijft niet ver van ‘ons volgekladderd leven’, zoals LB 524 dat zo plastisch bezingt.

Er valt veel te zien, deze dag. Dichters geven daar woorden aan: zo teder als een mens kan zijn staat de Zoon des mensen, (Luther, LB 522), waar de doodsnacht heerste wenkt en lacht het licht (Inge Lievaart, LB 523). In de taal van ikonen staat Jezus bovenop het water. De doop geeft perspectieven te zien die verrassen! Het is een uitdaging om in de liturgie die vergezichten, of dat dieperkijken, door te geven. In veel kerken zijn dopelingen schaars. Dit is zo’n zondag om zonder doop toch een dooplied te zingen.

Jaar A | Groen
ot
Jesaja 42:1-7.(9)
ap
Psalmen 89:20-28
ep
Handelingen 10:34-38
ev
Mattheüs 3:13-17
Liedsuggesties

Naar de volkeren

Bij Handelingen 10,34-38

Petrus vertelt het verhaal over Jezus en verkondigt de goede boodschap van vrede ten huize van Cornelius, een Romeinse legerofficier. Geen vanzelfsprekende stap voor Petrus, die zelf memoreert dat het verboden is voor Joden om met niet-Joden om te gaan. Petrus opent door de ontmoeting met Cornelius en al wat er dan plaatsvindt de verkondiging aan de volkeren.

Petrus wordt in de eerste hoofdstukken van Handelingen geschetst als de initiatiefnemer onder de leerlingen na Jezus’ hemelvaart. Hij zorgt dat de opengevallen plaats in de kring van de twaalf, ontstaan door de dood van Judas, wordt ingevuld. Met Pinksteren houdt hij een lange toespraak waarin hij vrome Joden (Hand. 2,5) uitlegt hoe Jezus op grond van de Schriften de Heer en Messias is (2,36). Zijn optreden met Johannes in Jeruzalem, zijn gevangenneming en vrijlating, genezingen, de aanstelling van de zeven en zijn optreden in Samaria tekenen Petrus’ autoriteit.

Nu de gemeente in Judea, Galilea en Samaria zich in vrede ontplooit (9,31), volgt een volgende stap: de verkondiging aan de volkeren. De hoofdstukken 9–15 van Handelingen beschrijven hoe de overgang van Petrus naar Paulus geleidelijk vorm krijgt. Gaande de groei van de gemeente wordt, naast Petrus, ook Paulus geïntroduceerd (7,58; 8,3; 9,1-30). In de tweede helft van Handelingen zal het over hem gaan, en niet over Petrus. Paulus wordt het gezicht van de verkondiging tot aan ‘de uiteinden van de aarde’ (1,8).

In Handelingen 10 blijkt dat de verkondiging aan de volkeren geworteld is in het gezag van Petrus.

Beelden uit de hemel

Petrus is in Joppe, het huidige Jaffa, ten noorden van Jeruzalem. Hij verblijft bij een man die Simon heet. ‘Simon’ is ook Petrus’ eigen Joodse naam. Deze Simon is leerlooier van beroep, wat voor een vrome Jood de nodige uitdagingen met zich meebrengt om niet onrein te raken in de nabijheid van dode dieren. Op subtiele wijze wordt daarmee overgegaan naar het thema van deze episode: de ontmoeting tussen de Joodse wereld en die van de volkeren. Petrus krijgt een verwarrend gezicht, een droom, waarin hij tot driemaal toe van een stem uit de hemel de opdracht krijgt te eten van dieren die hij uit de hemel ziet komen, ondanks zijn protesten dat hij geen onreine zaken zal eten. ‘Maak niet onrein wat God zuiver verklaard heeft,’ zegt de stem (10,15). Het gezag van de hemel wordt boven Petrus gesteld die, nog niet wetend wat te doen, bovendien door de Geest gemaand wordt met gezanten van Cornelius mee te gaan. Cornelius, met zijn huishouden, is al voorgesteld als een ‘godvrezende’, die veel goeds doet voor het (joodse) volk en bidt tot de Heer (10,1-2). Godvrezenden zijn sympathisanten van het jodendom: buitenlanders, vreemdelingen die de joodse godsdienst aanhangen maar zelf geen Joden zijn.

Ook Cornelius heeft een droom gehad, een visioen, namelijk om Petrus uit te nodigen. Hij zag een engel die hem zei dat God zijn goede daden had opgemerkt en krijgt de opdracht Simon, die ook Petrus genoemd wordt, te laten halen. Hier wordt naast de joodse naam van Petrus ook de Griekse variant gegeven, net als later, als de gezanten bij Petrus aankomen (10,5.18), teken van welwillendheid naar de niet-joodse Cornelius, en een signaal dat hier twee culturen bij elkaar gebracht worden. Cornelius aarzelt niet en stuurt er mannen op uit. Anders is het met Petrus, die aarzelt, maar als de mannen vertellen waarom ze bij hem komen biedt hij hun onderdak en gaat de andere dag met hen mee.

Heer over allen

Als Cornelius hem ontvangt en diep neerbuigt, zegt Petrus: ‘Sta op, ik ben ook maar een mens.’ Dat is niet zozeer Petrus’ bescheidenheid. Het refereert aan de roeping van hemzelf, in het Lucasevangelie. Overweldigd door de grote visvangst knielt Petrus voor Jezus en onderkent zijn kleinheid, zijn mens-zijn. Jezus maant hem niet bang te zijn en geeft hem de taak voortaan mensen te vangen (Luc. 5,8). Nu, bij Cornelius, blijft Petrus zichzelf: hij is geen god, hij is mens. Vergelijkbaar zullen Paulus en Barnabas zich verderop geen goddelijke status laten aanleunen, maar zich ‘gewone mensen’ noemen (Hand. 15,11-15).

De hemel heeft de hand in het tot stand komen van de ontmoeting tussen Cornelius en Petrus. Petrus is zich daarvan bewust en zegt tegen Cornelius dat God hem heeft laten zien dat niemand onrein is. Als hij van Cornelius’ diens visioen gehoord heeft zegt hij daarom: God maakt geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood (vgl. Deut. 10,17 en Rom. 10,12). Anders dan bij zijn pinkstergetuigenis in Jeruzalem is Petrus’ boodschap vrij compact.

Hij hanteert summier de bekende beelden uit de joodse traditie, waarvan er een aantal geschetst wordt in de andere lezingen deze zondag. Duidelijk is dat Petrus bij de verkondiging zijn publiek goed voor ogen heeft. Geen lange uiteenzetting dat Jezus de door het Joodse volk lang verwachte Messias is, maar een beknopte samenvatting: Jezus is ‘Heer over allen’, die bij zijn doop door Johannes door God gezalfd is met heilige Geest en kracht. Hij gaat weldoende rond en geneest degenen die in de macht van de duivel zijn, want God is met Hem. Hij is gekruisigd en door God opgewekt op de derde dag en ieder die in Hem gelooft kan door zijn Naam vergeving van zonden ontvangen. Hij is ‘Heer over allen’, zo verkondigde Paulus Jezus al (Rom. 10,12). Ook het andere beeld dat Petrus schetst: Jezus als ‘rechter van levenden en doden’ komt van Paulus (2 Tim. 4,1) – Handelingen is decennia later geschreven dan de Paulusbrieven. Voordat Petrus uitgesproken is, daalt de heilige Geest neer over allen die naar Petrus luisteren – een teken uit de hemel – waarna Petrus opdracht geeft ook de niet-Joden te dopen. Opmerkelijk: eerst de gave van de Geest, daarna pas het doopsel.

Anders gedaan

Doop van Christus

Bij Matteus 3,13-17

Bij dit klassieke verhaal uit de epifanie zijn er in de geschiedenis van de beeldende kunst veel schilderijen gemaakt.

Het spreekt ook tot de verbeelding. Johannes die staat te verkondigen, de mensen die wachten op hun beurt. Jezus die aansluit in de rij en de duif die neerdaalt uit de hemel. Dat geeft veel aanknopingspunten voor kunstenaars. Een van de bekendere schilderijen is ‘Battesimo di Cristo’ van Piero della Francesca, gemakkelijk te vinden op internet.

Hij schildert Jezus als mens onder mensen. Maar tegelijk is zijn Christus een typische renaissance-held. Met een lichaam dat wel uit marmer gebeiteld lijkt. Er zijn verschillende elementen te zien in het schilderij. De bloeiende stam naast Jezus, waar links wat engelen staan te smoezen. De Jordaan als stroompje waarin Jezus maar nauwelijks natte voeten krijgt. De schelp waarmee Johannes doopt. De man achter hem, die zich alvast uitkleedt.

Voer naar aanleiding van dit beeld een gemeentegesprek, waarin je samen het beeld onderzoekt en ingang zoekt in het verhaal. Vier vragen zijn daarbij leidend:

  • Wat zie je allemaal? Hierbij noem je de beeldelementen, zonder te interpreteren.
  • Wat betekent het, wat je ziet? Zit er een symbolische betekenis in?
  • Wat roept het beeld bij je op? Moet je ergens aan denken, wie weet een herinnering aan je eigen doop of die van iemand die je kent? Wat zijn de overeenkomsten of verschillen? Wordt je door een bepaald personage op het beeld geraakt? Herken je iets uit de tijd, de samenleving waarin wij nu leven?
  • Kun je het beeld ook verbinden met iets van geloven? Komt er een gebed bij je op? Misschien denk je aan een regel uit een lied, of iets uit de belijdenis?

Je kunt het gesprek afsluiten met het zingen van een van de doopliederen uit het liedboek.

Actueel

Troost tegen de hel

Heel af en toe kom ik iemand tegen in onze pastorale praktijk die het moeilijk heeft met een God die veel mensen naar de hel stuurt. Met de man tegenover me, die in elkaar kruipt van angst omdat hij er eigenlijk niet mag zijn, word ik ook heel klein. Want ik weet dat er zoveel collega’s zijn met veel meer pastorale kennis en ervaring met een strenge, oordelende God. Een diep verankerd Godsbeeld doe je niet even weg, weten mijn gesprekspartner en ik beiden. En bovendien, wie ben ik om die waarheid te ontkennen? Heel voorzichtig zoeken we samen toch naar verhalen en lezingen uit zijn geloofstraditie waarin we een barmhartige God horen. En ik zoek in zijn leven naar de geborgenheid die hij nodig heeft.

Dan komt er een grote huilbui over. Het maakt ons beiden nog kwetsbaarder. Ik denk dat hij ook mijn onmacht wel ziet. Vanwege de verhalen die al gepasseerd waren, herinner ik ons samen aan de woorden uit het Lucasevangelie die Jezus sprak tot de man die naast hem hing aan het kruis. ‘Vandaag zul je met Mij zijn in het paradijs.’ Het lijkt een beetje ‘grote stappen, snel thuis’, zo bij Jezus’ kruisdood aankomen. Maar er leeft in de kamer iets van gedeelde kwetsbaarheid, en die mag er zijn. Zo mogen wij er zijn. En dat troost. Een beetje.

Invalshoek

Ik houd heel veel van Hem (Mat. 3,13-17)

Een viering over ‘gekend worden’. Ik had bedacht om alle bewoners in de dienst bij naam te noemen. Je wordt immers bij naam gekend. Daarnaast had ik rode hart-stickers meegenomen ter grootte van een button. Terwijl de pianist zachtjes op de achtergrond speelde, trok ik de kerk in, probeerde met iedere bewoner oogcontact te maken, zijn of haar naam te noemen en te verbinden met God. Het plakken van de sticker (op het rolstoelblad, een hand of trui) rondde het ritueel als het ware af. Jeroen was de vijfde in de rij. Hij had alles goed gevolgd en leek te weten wat er komen ging. Hij ging er helemaal klaar voor zitten. Zijn rechterhand half in de lucht, achter zijn hoofd. Hij sprak een o-klank uit. ‘O.’ Hij bleef het herhalen, maar ik kon er niks van maken. Ik keek met een vragende blik naar de vrijwilliger naast hem, of zij het begreep. Maar nee. ‘O.’ Jeroen hield stug vol. ‘Ees.’ En toen viel het kwartje. Jezus! God! En ik ver-woordde voor hem: Jeroen kent God. ‘Ja!’ Een lach brak door op zijn gezicht. En God kent Jeroen! Stralend stak hij zijn borst vooruit om de sticker te ontvangen.

Lied onder de loep

LB 687 – Wij leven van de wind

De liederen in LB bij de lezing uit Matteüs hebben veelal een ingetogen karakter doordat de doop van Jezus in tekst en melodie al wordt verbonden aan zijn dood. Wie toch iets van de vreugde (in alle zondagslezingen vandaag) wil voelen en delen kan kiezen voor het lied ’Wij leven van de wind’ van Jaap Zijlstra (1933-2015). De drie coupletten vertolken: het gebed om de Geest, het ontvangen van de Geest en het getuigen door de Geest. Zijlstra licht zelf toe in Compendium bij het Liedboek: ‘Leven van de wind, van de geweldige, de gedrevene, de vuur aanjagende wind. Het is een stroomversnelling van leven, een gebed, een vleugelslag van de Geest, die wij kregen. Dat wilde ik maar zeggen, dat wilde ik maar zingen.’

En over poëzie:

‘Denken is graafwerk en dichten het vinden van een goudader.’ Het derde couplet vertolkt ook de universele, en niet particuliere, kracht van Gods Geest, prachtig omschreven door Petrus in Handelingen 10,34-38. De ervaring van de vreugde om wie Jezus in ons midden is delen wij opgetogen zingend met de ooggetuigen van zijn doop in de Jordaan en met allen die Hem als Verrezene herkennen.

Kansen voor gebed

Dank dat U ons kent, God. Als geen ander.
Help ons om samen te werken aan een sfeer van veiligheid en vertrouwen, ook in de kerk. Omdat dat iets zegt over U. We ons bij U geborgen mogen weten.