Menu

Laden Evenementen

30 november 2025 Eerste zondag van de Advent

30 november 2025

Eerste zondag van de Advent

Bij deze dag

Ad te, Domine, levavi…. Tot U, Heer, hef ik mijn ziel op; mijn God, op U vertrouw ik. (Ps. 25,1-2a) Wat de zondagen in deze periode van het jaar verbindt is de steeds indringender wordende verwachting van de komst. ‘Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken.’ Wij willen dat natuurlijk wel weten. Wij agenderen graag. Het evangelie bepaalt ons bij het niet weten. We worden uit het speelveld van de maakbaarheid gehaald en geplaatst in de ruimte van kwetsbaarheid. Hemel en aarde zullen verdwijnen… wees waakzaam, je weet het niet. Profeten zijn mensen met een scherpe blik. De profeet Jesaja is bekend en beroemd geworden om zijn profetische vredesspreuk: ‘zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen’ (Jes. 2,4, HSV). In het zwaard ziet hij ploegschaar schuilgaan. Leer de hand die wonden opent om een ploeg hanteren zodat de aarde zich opent voor het zaad. Dit krachtige beeld staat in een bronzen uitvoering naast het gebouw van de VN in New York. In 1959 geschonken door de Sovjet Unie. Het kan verkeren. Poetin is het waarschijnlijk vergeten. Tegelijk staat het er wel, als een profetisch appèl. Niet zozeer als een toch onbereikbare toekomst maar als een beeld van Adventus.

Jaar A | Paars
ot
Jesaja 2:1-5
ap
Psalmen 122
ep
Romeinen 13:8-14
ev
Mattheüs 24:32-44
Liedsuggesties

De tekenen van de tijd

Bij Jesaja 2,1-5, Psalm 122 en Matteüs 24,32-44

In woelige tijden vraagt men zich af bij wie uiteindelijk hoop en toekomst zijn te verwachten. Christenen stellen hun hoop op God, die zij in Jezus aan het werk ervaren. Zelfs de kruisdood of de vernietiging van Jeruzalem maakt daar geen einde aan. Jezus, de Mensenzoon, luidt een nieuwe tijd in: die van het rijk Gods. Hiervan kunnen de verschrikkingen van de tijd een teken zijn.

De evangelist Matteüs groepeert hier diverse beelden en uitspraken van Jezus in één grote redevoering (Mat. 24–25), zoals hij ook elders doet (bijvoorbeeld de Bergrede in Mat. 5–7, en de parabelrede in Mat. 13). Het narratieve kader dat hij voor deze redevoering ‘van de laatste dingen’ geeft, vertrekt van het ontzag voor de tempelgebouwen. Daarvan zal echter volgens Jezus geen steen boven de andere blijven staan (24,2). Dit weerspiegelt de gebeurtenis van 70 n.Chr.: de tempel wordt verwoest. Dit ingrijpende historische gegeven vraagt om duiding. Jeruzalem was immers zowel politiek en economisch, als religieus een belangrijk centrum en pelgrimsoord. Telkens opnieuw wensten pelgrims Jeruzalem vrede toe (Ps. 122). Zou de dag van Gods beslissende tussenkomst snel aanbreken, nu heel hun wereld op zijn kop staat?

Narratief vertaalt Matteüs dit in een vraag van de leerlingen aan Jezus naar het tijdstip en de tekenen die zijn komst en de voltooiing van de tijden zullen inleiden (24,3). De komst van de Mensenzoon wordt vervolgens met apocalyptische beelden beschreven, waarbij de verschrikkingen van de tijd worden voorgesteld als barensweeën die aan de komst voorafgaan.

Maar wanneer dan?

De vroege christengemeenschap verlangt naar de nieuwe tijd die ingeluid wordt door de komst van de Mensenzoon. Over de vraag wanneer dit zal plaatsvinden zijn de meningen verdeeld. Het matteaanse antwoord aan de leerlingen weerspiegelt deze verscheidenheid. Enerzijds is er het ondubbelzinnige ‘over dag en uur weet niemand iets behalve de Vader, zelfs niet de engelen of de Zoon’ (24,36). Anderzijds verwacht men die komst als dichtbij, want de actuele verschrikkingen lijken die komst aan te kondigen, zoals de vijgenboom reeds de zomer aankondigt. Er is zelfs de verwachting dat deze generatie het nog zal meemaken (24,34; vergelijk 16,28). Het uitblijven van Jezus’ komst duidt de evangelist vanuit het belang van Jezus en zijn boodschap over het rijk Gods voor de hele wereld. Pas als het rijk Gods verkondigd is aan alle volkeren, zal de voleinding komen (24,14). Liturgisch vertaalt men dit door deze evangelielezing te plaatsen in de context van Jesaja 2, een tekst met een universalistische tendens.

Jeruzalem, stad van vrede

De positie waarin de eerste christengemeenschap zich bevindt, en de positie van de auteur van Jesaja vertonen gelijkenissen. Beide gemeenschappen zien zich geconfronteerd met een wereldmacht, die zichzelf religieuze trekjes toemeet. Dan komt de vraag op: Wie heeft het beste voor met het volk? Bij wie krijgt men een hoopvolle toekomst? Of als het erop aankomt: Wie is echt God? JHWH of de goden van de wereldmacht? Waar joden en christenen ten tijde van Jezus te maken hebben met Rome, schetsen de evangelies tegenover de ‘pax Romana’ een andere vrede, die door en door geworteld is in JHWH, en naderbij komt in Jezus. In Jesaja spiegelt men namens de koning van Assur het volk onder diens hoede een vredig beeld voor: ieder kan in vrede van zijn eigen wijnstok en vijgenboom eten, totdat Assur hen naar een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden zal brengen (Jes. 36,16-17). Het is als het ware een alternatief voor het land van melk en honing dat JHWH het volk toezegt bij de bevrijding uit Egypte (Ex. 3,8). De profetische stroming gaat tegen dergelijke visies in. Toekomst wacht het volk wel degelijk bij JHWH. Jesaja 2,2-5 schetst hierbij een hoopvol beeld dat alle volkeren zullen toestromen naar de berg van God en Gods huis (de tempel te Jeruzalem) om Gods wegen te leren. Het goddelijk oordeel dat dan plaatsvindt, leidt tot vrede want oorlog is dan iets wat men niet meer leert (vs. 4).

Jezus’ boodschap gaat nooit voorbij

Wereldschokkende gebeurtenissen hebben ook impact op de persoonlijke schaal zoals voor de zwangere of zogende vrouw op de vlucht (Mat. 24,19). Hun hemel en aarde lijken te vergaan. Hiertegenover staat echter de hoopvolle boodschap dat ook als hemel en aarde vergaan, Jezus’ woorden nooit zullen vergaan (24,35). De verschrikkingen zijn als barensweeën, die een nieuwe geboorte aankondigen: die van het Rijk Gods. Zowel Johannes de Doper als Jezus (en later ook zijn leerlingen) verkondigen in Matteüs bij de aanvang van hun optreden immers het rijk der hemelen als iets dat naderbij komt (3,2; 4,17; 10,7).

Waakzaamheid is geboden

De aankondiging van een naderende heerschappij van God is niet vrijblijvend. Zowel Johannes als Jezus roepen op tot bekering (3,2; 4,17). Jezus waarschuwt dat de gerechtigheid van de leerlingen overvloedig moet zijn, om het rijk binnen te gaan (5,20). Gods wil moet daarvoor in praktijk gebracht worden (7,21). Al fuivend merkten de tijdgenoten van Noach geen van de tekenen van hun tijd op tot het te laat was en de vloed zich voltrok. Dit in tegenstelling tot Noach die zich erop voorbereidde door een ark te bouwen en te betrekken (24,37-39). Ook voor het naderende Rijk Gods is waakzame voorbereiding nodig: zo onverwacht als een dief in de nacht zal de Mensenzoon komen (24,43-44). Dan zal de ene mens meegenomen worden en de andere achtergelaten. Het is nog maar de vraag wie van hen er het beste aan toe is, maar het beeld is duidelijk: één op twee, dat is de verhouding. Wie de Mensenzoon waakzaam aantreft, die is het die het Rijk Gods binnen zal gaan.

Anders gedaan

Inleiding Advents-zondagen

Bij Jesaja 2,1-5

De lezingen uit de profetie van Jesaja krijgen deze weken van Advent en Kerst extra nadruk volgens het leesrooster. Graag neem ik ze als rode draad voor het begin van de vieringen waarin de adventskaarsen worden aangestoken. De tekst kan gelezen worden door een kind of volwassene, waarna de adventskaars van die zondag wordt ontstoken.

Aansteken eerste adventskaars

Dit zegt Jesaja:

‘Er komt een dag
dat alle mensen weten wie de God van Jakob is.
Dan luistert iedereen naar deze God, de Ware,
die ons de weg wijst die goed loopt
en waarlangs je goed doet aan alle mensen.

IJzerwerk is niet langer gemaakt voor bloedvergieten,
maar om te laten groeien en bloeien.
Niemand wil meer vechten met een ander,
ze weten niet eens meer hoe dat moet.

Kom, kom mee,
dan gaan we leven in het licht van die Ene, onze God.’

Wapentuig

‘Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen.’
Dat spreekt tot de verbeelding! Hoe kunnen we ons dat voorstellen met modern wapentuig?
‘Zij zullen hun drones omsmeden tot postbezorgers en hun bommenwerpers tot bollenplanters.’
En met figuurlijke wapens:
‘Zij zullen hun haatberichten omzetten tot bloemlezingen en hun korte lontjes tot waakvlammen.’

Wie weet is er in de kerk of in het dorp/de stad wel een voorbeeld te noemen van herbestemming/omvorming van oud wapentuig/oude panden/verdedigingswerken. Grijp de kans om dit aan te halen of als afbeelding te tonen.

Actueel

Troost – trouw?

Yassin komt aanwaaien en kijkt of ‘zijn zuster’ toevallig binnen is. Dat doet hij vaker, afspraken maken is moeilijk met hem. Hij is enthousiast, we maken een dansje waarbij hij zingt, leidt en dirigeert tegelijk, en hij informeert hoeveel tijd ik heb voor een wandeling.‘Een half uur?’ vraag ik, maar Yassin begint ‘Nee, dat is wegstu…’ , maakt zijn zin niet af en begint staande voor de deur, een verhaal.‘Weet je wat ik geleerd heb over mieren?’ In sneltreinvaart vertelt hij wat hij voor wonderlijks heeft ontdekt in de schepping, stapt op zijn fiets, mompelend dat ik hem wegstuur. En dan roept hij zijn afscheid: ‘Dag zuster! Tot een andere keer!’

Ik ben van nature een conflict vermijdend mens. Toch heb ik in 17 jaar straatpastoraat geleerd niet altijd alleen maar mee te bewegen. Dus soms prikkel of confronteer ik mensen of beter: benoem wat er mis is, of zoals nu, trek mijn eigen grens in de tijd. Yassin pikt het onder protest. We blijven broeder en zuster. Er zal een volgende keer zijn.

Invalshoek

Naamgevers

Al vanaf Adam zijn mensen naamgevers. Namen helpen om de wereld om je heen te ordenen. Wat je veel ziet en meemaakt, daar heb je woorden voor. Het is een veel gehoorde opvatting – waar overigens vanuit verschillende perspectieven kanttekeningen bij te plaatsen zijn – dat de Inuit vijfentwintig woorden hebben voor sneeuw. Blijkbaar speelt deze vorm van neerslag in onze samenleving zo’n kleine rol, dat wij het hier met één woord af kunnen. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld ons onderscheid in miezer, stortbui, harde en zachte regen en de bekende groeizame bui. Stel je voor dat er ooit mensen zijn die een taal spreken waarin het woord oorlog niet voorkomt. Omdat ze datgene wat wij oorlog noemen nooit meemaken. Zalig ben je wanneer je geen naam hoeft te geven aan wanhoop, onrecht en strijd.

Lied onder de loep

LB 455 – Het zal geschieden in de laatste dagen

Bij de advents- en kerstvieringen van dit A-jaar wordt gelezen uit de profetie van Jesaja. Eveneens is er via het alternatieve spoor de komende weken extra aandacht voor Jesaja. De tekst van LB 455 is door Neerlandicus en dichter Wim Pendrecht geschreven bij het rooms-katholieke leesrooster. Voor elke zondag of feestdag is er tot en met Kerst een strofe te zingen. In de eerste vijf strofen klinken vooral de woorden van de Jesajalezingen. In de vierde tot en met de zesde strofe horen we ook de evangelielezingen. De melodie van componist Wim Reussink oogt – door de combinatie van chromatiek en de grotere sprongen in toonhoogte – op het eerste gezicht ingewikkeld. Gelukkig zijn er ook muzikale elementen die juist houvast geven bij het zingen. Zo wordt het motief van de eerste regel in bijna elke regel hergebruikt. Soms op precies dezelfde wijze, soms iets hoger, dan weer met een kleine wijziging. Karakteristiek is ook de steeds terugkerende kwintsprong. In regel vijf komen deze kwintsprongen terug, nu dalend. Zing het lied in eerste instantie met de cantorij of een enkele zanger. Wellicht kan de hele gemeente in de loop van de adventsweken aanhaken!

Kansen voor gebed

Tot Jou, Ene, heffen wij onze zielloze woorden,
onze goede bedoelingen,
ons welgemeend advies,
de platgetreden paden.
Woorden van vrede en vrijheid die geen mens meer begrijpt,
platgeslagen door eigen gelijk,
materialistische visoenen,
woordbevlekking.
Vergeef ons en vul onze lege woorden
met beelden van jouw vrede.