Bij Jesaja 2,1-5, Psalm 122 en Matteüs 24,32-44
In woelige tijden vraagt men zich af bij wie uiteindelijk hoop en toekomst zijn te verwachten. Christenen stellen hun hoop op God, die zij in Jezus aan het werk ervaren. Zelfs de kruisdood of de vernietiging van Jeruzalem maakt daar geen einde aan. Jezus, de Mensenzoon, luidt een nieuwe tijd in: die van het rijk Gods. Hiervan kunnen de verschrikkingen van de tijd een teken zijn.
De evangelist Matteüs groepeert hier diverse beelden en uitspraken van Jezus in één grote redevoering (Mat. 24–25), zoals hij ook elders doet (bijvoorbeeld de Bergrede in Mat. 5–7, en de parabelrede in Mat. 13). Het narratieve kader dat hij voor deze redevoering ‘van de laatste dingen’ geeft, vertrekt van het ontzag voor de tempelgebouwen. Daarvan zal echter volgens Jezus geen steen boven de andere blijven staan (24,2). Dit weerspiegelt de gebeurtenis van 70 n.Chr.: de tempel wordt verwoest. Dit ingrijpende historische gegeven vraagt om duiding. Jeruzalem was immers zowel politiek en economisch, als religieus een belangrijk centrum en pelgrimsoord. Telkens opnieuw wensten pelgrims Jeruzalem vrede toe (Ps. 122). Zou de dag van Gods beslissende tussenkomst snel aanbreken, nu heel hun wereld op zijn kop staat?
Narratief vertaalt Matteüs dit in een vraag van de leerlingen aan Jezus naar het tijdstip en de tekenen die zijn komst en de voltooiing van de tijden zullen inleiden (24,3). De komst van de Mensenzoon wordt vervolgens met apocalyptische beelden beschreven, waarbij de verschrikkingen van de tijd worden voorgesteld als barensweeën die aan de komst voorafgaan.
Maar wanneer dan?
De vroege christengemeenschap verlangt naar de nieuwe tijd die ingeluid wordt door de komst van de Mensenzoon. Over de vraag wanneer dit zal plaatsvinden zijn de meningen verdeeld. Het matteaanse antwoord aan de leerlingen weerspiegelt deze verscheidenheid. Enerzijds is er het ondubbelzinnige ‘over dag en uur weet niemand iets behalve de Vader, zelfs niet de engelen of de Zoon’ (24,36). Anderzijds verwacht men die komst als dichtbij, want de actuele verschrikkingen lijken die komst aan te kondigen, zoals de vijgenboom reeds de zomer aankondigt. Er is zelfs de verwachting dat deze generatie het nog zal meemaken (24,34; vergelijk 16,28). Het uitblijven van Jezus’ komst duidt de evangelist vanuit het belang van Jezus en zijn boodschap over het rijk Gods voor de hele wereld. Pas als het rijk Gods verkondigd is aan alle volkeren, zal de voleinding komen (24,14). Liturgisch vertaalt men dit door deze evangelielezing te plaatsen in de context van Jesaja 2, een tekst met een universalistische tendens.
Jeruzalem, stad van vrede
De positie waarin de eerste christengemeenschap zich bevindt, en de positie van de auteur van Jesaja vertonen gelijkenissen. Beide gemeenschappen zien zich geconfronteerd met een wereldmacht, die zichzelf religieuze trekjes toemeet. Dan komt de vraag op: Wie heeft het beste voor met het volk? Bij wie krijgt men een hoopvolle toekomst? Of als het erop aankomt: Wie is echt God? JHWH of de goden van de wereldmacht? Waar joden en christenen ten tijde van Jezus te maken hebben met Rome, schetsen de evangelies tegenover de ‘pax Romana’ een andere vrede, die door en door geworteld is in JHWH, en naderbij komt in Jezus. In Jesaja spiegelt men namens de koning van Assur het volk onder diens hoede een vredig beeld voor: ieder kan in vrede van zijn eigen wijnstok en vijgenboom eten, totdat Assur hen naar een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden zal brengen (Jes. 36,16-17). Het is als het ware een alternatief voor het land van melk en honing dat JHWH het volk toezegt bij de bevrijding uit Egypte (Ex. 3,8). De profetische stroming gaat tegen dergelijke visies in. Toekomst wacht het volk wel degelijk bij JHWH. Jesaja 2,2-5 schetst hierbij een hoopvol beeld dat alle volkeren zullen toestromen naar de berg van God en Gods huis (de tempel te Jeruzalem) om Gods wegen te leren. Het goddelijk oordeel dat dan plaatsvindt, leidt tot vrede want oorlog is dan iets wat men niet meer leert (vs. 4).
Jezus’ boodschap gaat nooit voorbij
Wereldschokkende gebeurtenissen hebben ook impact op de persoonlijke schaal zoals voor de zwangere of zogende vrouw op de vlucht (Mat. 24,19). Hun hemel en aarde lijken te vergaan. Hiertegenover staat echter de hoopvolle boodschap dat ook als hemel en aarde vergaan, Jezus’ woorden nooit zullen vergaan (24,35). De verschrikkingen zijn als barensweeën, die een nieuwe geboorte aankondigen: die van het Rijk Gods. Zowel Johannes de Doper als Jezus (en later ook zijn leerlingen) verkondigen in Matteüs bij de aanvang van hun optreden immers het rijk der hemelen als iets dat naderbij komt (3,2; 4,17; 10,7).
Waakzaamheid is geboden
De aankondiging van een naderende heerschappij van God is niet vrijblijvend. Zowel Johannes als Jezus roepen op tot bekering (3,2; 4,17). Jezus waarschuwt dat de gerechtigheid van de leerlingen overvloedig moet zijn, om het rijk binnen te gaan (5,20). Gods wil moet daarvoor in praktijk gebracht worden (7,21). Al fuivend merkten de tijdgenoten van Noach geen van de tekenen van hun tijd op tot het te laat was en de vloed zich voltrok. Dit in tegenstelling tot Noach die zich erop voorbereidde door een ark te bouwen en te betrekken (24,37-39). Ook voor het naderende Rijk Gods is waakzame voorbereiding nodig: zo onverwacht als een dief in de nacht zal de Mensenzoon komen (24,43-44). Dan zal de ene mens meegenomen worden en de andere achtergelaten. Het is nog maar de vraag wie van hen er het beste aan toe is, maar het beeld is duidelijk: één op twee, dat is de verhouding. Wie de Mensenzoon waakzaam aantreft, die is het die het Rijk Gods binnen zal gaan.