Menu

Laden Evenementen

22 februari 2026 Eerste zondag van de Veertigdagentijd

22 februari 2026

Eerste zondag van de Veertigdagentijd

Bij deze dag

Deze zondag zou ik willen beginnen met LB 632. Het lied wordt in het register gekoppeld aan de epistellezing, waarin Paulus schrijft dat de rechtvaardigheid van een enkel mens ertoe zal leiden dat allen worden vrijgesproken. Hoewel een ingetogen periode begint hoeven we ook niet alleen klaagpsalmen te zingen. Antwoordpsalm 51 is ook verbonden met Aswoensdag. LB 51a laat de psalm in al zijn puurheid klinken: ‘God, herschep mijn hart. In het Engels klinkt het nog weer anders en ook lichter: ‘restore unto me the joy of thy salvation and renew a right spirit within me’ (LB51b). Geen zondag zonder vreugde dus, maar wel een om het kwaad onder ogen te zien: het sluwe gekonkel van de slang en de woorden van de Uiteenwerper, die listig allerlei bijbelteksten citeert. Toch mag de vraag klinken of wij ons nog herkennen in de mens die de opdracht kreeg de aarde te dienen en te bewaken (in plaats van deze te vernietigen). De encycliek Laudato Si’ van wijlen paus Fransiscus kan ons nog altijd inspireren. Lees het als een handleiding bij het vasten. Nederig – ja, ons klein makend en ons bewust van onze fouten mogen wij de opgang naar Pasen beginnen om met Pasen rechtop te mogen staan. Wat een uitdaging!

Jaar A | Paars
ot
Genesis 2:15-3:9
ap
Psalmen 51
ep
Romeinen 5:12-21
ev
Mattheüs 4:1-11
Liedsuggesties

Als je zoon van God bent…

Bij Matteüs 4,1-11

Van oudsher staan de veertig dagen in het teken van het dooponderwijs. Het is de leertijd van de catechumenen, die in de Paasnacht gedoopt worden. Ze leren wat het inhoudt om volgeling van Jezus te zijn. Als we in dat licht naar deze tekst kijken, zien we dat deze een heel goed begin vormt van die leertijd. De vraag die Matteüs hier stelt is namelijk: wat houdt het in om zoon van God te zijn? Zoals later blijkt: niet alleen voor Jezus, maar ook voor zijn volgelingen.

De Veertigdagentijd begint traditiegetrouw met het verhaal van de verzoeking in de woestijn. Het volgt op de scène bij de Jordaan, waar Jezus ervoor kiest om gedoopt te worden en zo de gerechtigheid geheel te vervullen. De heilige Geest daalt op Hem neer en uit de hemel klinkt een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’ Onmiddellijk wordt Hij door de Geest de woestijn in geleid om te worden beproefd. De parallel met het verhaal van het volk dat veertig jaar door de woestijn trok en daar door God beproefd werd, is duidelijk. Blijft het volk trouw aan Gods weg? Zo is hier de vraag: blijft Jezus trouw aan de weg van gerechtigheid?

De beproevingen

Hier is het niet God, maar de duivel die Jezus op de proef stelt. Hij wordt de diabolos genoemd, tweedrachtzaaier. Wat verwarring geeft, twijfel zaait en verleidt. Dat blijkt uit zijn woorden. Hij sluit listig aan bij het voorgaande: ‘Als je Gods Zoon bent…’ Tot tweemaal toe leidt de diabolos zo zijn verleidingspogingen in. De eerste poging speelt in op Jezus’ honger na het lange vasten. Stenen tot brood maken, dat kan een zoon van God toch wel? Maar Jezus trapt er niet in: het zou betekenen zijn macht ten eigen bate te gebruiken. Jezus wijst hem terecht met een bijbelcitaat (Deut. 8,3): een mens leeft niet van brood alleen. Uiteindelijk zal blijken dat Jezus zélf het brood wordt voor mensen. Hij wordt gebroken en uitgedeeld.

Dan komt de duivel met zijn tweede poging. Ook hij citeert een schrifttekst (Ps. 91,11-12). Als je Gods zoon bent, zal God zijn engelen sturen om je op te vangen als je je van de tempel stort. Maar ook dit doorziet Jezus en Hij pareert hem met een citaat uit Deut. 6,16: je mag God niet op de proef stellen. De religieuze (tempel-)macht wijst Hij af. Aan het eind van dit gedeelte zal precies dat gebeuren, waar de duivel op zinspeelt, maar niet op de manier waarop hij het bedoelt: engelen komen om Jezus te dienen.

Bij zijn laatste poging laat de diabolos de inleiding ‘Als je zoon van God bent’ weg, maar door zijn gebruik van Psalm 2 is het impliciet aanwezig. Daar staat: ‘Mijn zoon ben je, vandaag roep Ik je tot leven’ (2,7b). De duivel verdraait de psalm in zijn eigen voordeel. Hij biedt Jezus de wereldheerschappij aan, als Hij hem vereert. Maar in de psalm is het God die aan zijn zoon, de gezalfde koning, de belofte geeft: ‘Vraag het Mij en Ik geef je de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom’ (2,8). Ook hier antwoordt Jezus met een citaat uit Deuteronomium: Je mag alleen God vereren (6,13). Uiteindelijk zal Jezus inderdaad de wereldheerschappij ontvangen, maar dan uit handen van God (Mat. 11,27 en 28,16-20). Hij is de enige die deze volgens de psalm kan geven.

Een nieuwe verleiding

Jezus stuurt de duivel weg: ‘Ga weg van mij, satan.’ Hier wordt de verleider satan genoemd, de tegenstrever. Opvallend genoeg komen deze woorden nog een keer terug, maar dan zijn ze tegen Petrus gericht. Petrus belijdt dat Jezus de Messias is, ‘de zoon van de levende God’ (16,16). Als Jezus zijn leerlingen vervolgens uitlegt dat Hij naar Jeruzalem moet gaan en daar zal lijden en sterven, gaat Petrus daar fel tegenin. Dan wijst Jezus hem terecht met dezelfde woorden als tegen de tweedrachtzaaier in de woestijn: ‘Ga weg, satan, achter mij’ (16,23). Het ‘achter mij’ is hier toegevoegd, omdat het hier gaat om degenen die achter Jezus aan komen als zijn leerlingen en volgelingen. ‘Als iemand achter mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen en zó mij volgen’ (16,24). Nu zijn het de leerlingen die moeten begrijpen wat het inhoudt om zoon van God te zijn. Daarop volgt de scène van de transfiguratie, waar opnieuw de woorden klinken: ‘Dit is mijn geliefde Zoon’ (17,5).

De weg der gerechtigheid

In het Eerste Testament wordt de term zoon van God meestal gebruikt om het volk van God aan te duiden. Ook worden de koningen van Israël zo genoemd, waarbij ze worden opgeroepen om het volk te leiden op de weg die God heeft gewezen. Ook het zoonschap van Jezus is in die zin te verstaan. Bij Matteüs staat dat in teken van het vervullen van de gerechtigheid (3,15). Het is een kenmerkend thema in het Matteüsevangelie. Gods zoon is degene die de weg van het koninkrijk gaat, die dient en niet ten eigen bate leeft. Hij is solidair met de armen en gemarginaliseerden en roept zijn volgelingen op om ook zo te leven. Voorbeelden hiervan vinden we in de Bergrede, waar de vredestichters en degenen die zijn vijanden omarmt kinderen van God genoemd worden (5,9 en 44-45). In deze lange rede legt Jezus uit wat de weg van de gerechtigheid inhoudt. Als je die volgt, dán ben je een kind van God. Zoon van God zijn betekent de minste mensen toegewijd zijn. De zoon van God is ook de Mensenzoon. Zo spreekt Jezus bij Matteüs dan ook meestal over zichzelf en zo dienen volgelingen van Jezus te leven.

Anders gedaan

Waar ben je?

Bij Genesis 2,15–3,9

‘Waar ben je’ vraagt God aan de mens in Genesis. Ondanks ongehoorzaamheid, verlangt God naar relatie en herstel. Tot op de dag van vandaag een relevante vraag aan ons, mensen. De omgekeerde vraag klinkt vaker in tijden van verdriet of nood, in tijden van eenzaamheid: Waar bent U God! Het is eerder een kreet. Misschien fluistert God dan: ‘Daar waar jij je vinden laat’. In alle kwetsbaarheid en openheid van dat moment. En ook daar waar een ander mens zich aan een ander durft te laten zien. Waar ruimte en veiligheid is om te mogen verschijnen zoals iemand is, ‘naakt’. Zo wordt verbinding mogelijk en herstel van wat kapot is gegaan. Dat is goddelijke zorg, van God tot mens en van mens tot mens. Waar verhoudingen genezen, waar wonden worden erkend en mensen zich tot God en elkaar wenden, daar wordt leven mogelijk. Als de vragen gehoord worden: Waar ben je? Waar bent U?

Drempelgebed

V: Eeuwige,
U roept ons:
Waar ben je?

A: U zoekt ons,
ook als wij ons verbergen,
ons niet durven tonen aan U of aan elkaar

V: In onze gebrokenheid,
vragen wij U, schreeuwen uit:
Waar bent U?

A: Laat U toch aan ons zien
tussen de brokstukken van deze wereld
toon ons Uw gelaat

V: Roep ons tot leven
A: roep ons tot relatie met U en met elkaar
V: want U toont zich
waar liefde herstelt
en verbinding ontstaat
A: Amen

Actueel

Quiet quitting

‘Quiet quitting’ (stilzwijgend ontslag nemen) is een term, die verwijst naar werknemers die hun betrokkenheid en motivatie voor hun werk verminderen, zonder daadwerkelijk ontslag te nemen. Ze doen alleen nog het minimum dat van hen vereist wordt en stoppen met het leveren van extra inspanningen. Ze nemen ook niet meer deel aan sociale activiteiten op het werk of vertrekken al snel onopgemerkt na het eerste drankje. De energie om je in te zetten en je talenten te geven aan het doel van het werk is verdwenen.

In veel gevallen ligt er een teleurstelling aan deze houding ten grondslag. Misschien was er onverschilligheid en gebrek aan waardering door de leidinggevende en collega’s voor iemands inzet. Of werd de inbreng tijdens overleg niet serieus genomen. Werk leveren is nooit vanzelfsprekend. Iedereen heeft behoefte aan erkenning en waardering ook als het niet eens om heel lastige uitdagingen of moeilijke tegenslagen gaat. Troost ervaar je als mensen oog hebben voor de inspanningen die je doet, als je gezien wordt en als er belangstelling is voor wat jouw drijfveren zijn. Kortom: als je het gevoel krijgt dat het ertoe doet wat jij inbrengt. Dat geldt niet alleen in betaald werk, maar zeker ook voor vrijwilligers in de kerk.

Invalshoek

Steeds van mijn zonden bewust (Psalm 51,5a)

Militairen dragen de last van hun verleden soms al jaren met zich mee. De schaamte is vaak groot. Soms is er ook sprake van (morele) verwonding. De angst voor afwijzing van dierbaren wanneer ze hun ervaringen zouden vertellen drukt op hen. Regelmatig is de geestelijk verzorger bij defensie de eerste bij wie ze hun verhaal delen. De opluchting die op zulke gesprekken volgt is vaak groot. Door het delen ontstaat er ruimte om (Gods) licht op de verhalen te laten schijnen. Dat lost niet alles in één keer op, maar is wel de eerste stap richting reflectie, verbinding en heling.

Lied onder de loep

LLvO – ‘De Geest heeft Hem ertoe gebracht’

Dit lied schreef Sytze de Vries bij Matteüs 4,1-11, over de verzoeking van Jezus door de duivel in de woestijn. Het accent ligt in het lied niet zozeer op die verzoeking, maar op de Geest die Jezus ertoe bracht om de woestijn in te gaan en kracht te zoeken in wat er staat geschreven. In de tekst uit het evangelie is het de duivel die de engelen uit Psalm 91 noemt bij wijze van verleiding. In het lied krijgt de psalm een grotere rol, door ook het schuilen bij en de redding van God te noemen. Het lied nodigt ons uit om veertig dagen op de weg van Jezus te gaan, zijn strijd tegen verleiding en kwaad door vasten en gezang, en vanzelfsprekend ook met lezen uit de Bijbel, mee te strijden, waarna het licht van Pasen kan doorbreken. Voorbij aan alle vragen, weg van de verleiding, mogen we dan zelf schuilen bij God. De melodie in As majeur, met de titel ‘Jacob’s Well’, van Barry Rose (1934) klinkt als een typisch Engelse hymne. Niet verwonderlijk, want Rose was als cantor-organist verbonden aan diverse Engelse kathedralen en gedurende twintig jaar was hij verbonden aan de BBC.

Kansen voor gebed

Als je alles van me wist…
Zou je van me houden als je alles van me weet?
Het was een andere wereld,
Een andere moraal,
Een andere ik.
Ik heb dingen gedaan die het daglicht niet verdragen,
Dingen die ik het liefste vergeet,
die telkens weer in mijn herinnering opdagen.
Ik koos onder de druk van dat moment,
Ik kon toen niet anders, dacht ik,
Maar later sloeg de twijfel toe.
Ik voel me zo alleen. Kun jij het aan?
Blijf je bij me, of zal je gaan?
Zou je van me houden, ook als je alles van me weet?