Bij Jesaja 60,1-6, Psalm 72, Efeziërs 3,1-12 en Matteüs 2,1-12
Het tekstensemble voor deze zondag is boeiend en spreekt boekdelen: in Christus Jezus zijn de heidenen ‘mede-erfgenamen, medeleden en medegenoten van de belofte’ geworden in Jezus Christus. Dit citaat uit Efeziërs 3,6 kan gerust gelden als de uitleg van Matteüs 2 en daarbij mag ook het daaraan voorafgaande gedeelte vanaf Efeziërs 2,11 zeker meedoen. Voor Matteüs is de geboorte van Christus de opening van het Jodendom naar de volkeren. Het heil is uit de Joden, maar bestemd voor de wereld.
Matteüs 2 is een scherpe politieke tekst. De dynastie van het geslacht David, geboren in Betlehem, wordt hier gesteld tegenover de door de Romeinen als zetbaas aangestelde koning Herodes. Aan deze man was niks koninklijks. Hij was een despoot die over lijken ging. Hij was ziekelijk achterdochtig en vermoordde iedereen die hij ervan verdacht een oogje op zijn troon te hebben. Hij vermoordde zijn zwager, zijn vrouw, zijn schoonmoeder, drie van zijn eigen zonen en nog veel meer.
Opgaan naar uw licht
Maar ‘zie’ (Gr.: idou), daar komen ‘wijzen’ (Gr.: magoi) uit het oosten (2,1). Vreemden zijn het, heidenen, niet-Joden. Het zijn representanten van de heidenen waar Paulus over spreekt in Efeziërs en van de volkeren en de koningen die in Jesaja 60,1-3 ‘opgaan naar uw licht’. Daar komen ze aan, geleid door dat licht, door de ster, op zoek naar ‘de geboren koning der Joden (Gr.: ho techtheis basileus toon Ioudaioon, 2,2). Ze zoeken een geboren koning, niet een parvenu die weliswaar op de troon zit, maar die niet meer is dan een zetbaas van de keizer. Er staat niet: pasgeboren, of nieuwgeboren, maar geboren, dus niet gemaakt. Een koning uit het geslacht van David, een koning als een herder, een wijs bestuurder. Een koning zoals die bezongen wordt in Psalm 72 en niet een potentaat als Herodes. De magoi zijn niet op zoek naar het kindeke in de kribbe. Er is hier helemaal geen kribbe, ook geen stal overigens en evenmin een kindeke. Jezus en Maria bevinden zich in een huis (2,11), ‘waar het kind was’ (2,9). Het Griekse woord voor kind (paidion) kan gebruikt worden voor kinderen tot een jaar of zes. Alleen Lucas gebruikt het Griekse woord voor ‘baby’, brefos.
De ster en de koningen
O, wat is er veel geschreven over die ster. Het onvolprezen, maar helaas verdwenen tijdschrift Interpretatie wijdt er in het nummer van december 1996 een uitgebreid artikel aan.1 Het is allemaal legendevorming en het vindt geen enkele steun in enig evangelie. Matteüs 2 geeft geen historische informatie. Die ster is schriftuurlijk van aard en komt uit Numeri 24,17 en, iets indirecter, uit Jesaja 9,1 en uit Jesaja 60. Daarnaast kan een rol gespeeld hebben dat in het nabije oosten van toen koningen vaak een eigen ster kregen in hun eveneens legendarische geboorteverhalen. Zo kan het teken van de ster bij Matteüs ook worden opgevat als een onderstreping van de davidische en dus koninklijke afkomst van de geboren koning.
Het feest van Epifanie heet ook wel ‘Driekoningen’. Maar waren het wel koningen? Nee dus. De magoi waren wijzen, sterrenwichelaars of magiërs, in elk geval geen koningen. In de traditie van de vroege kerk werden ze al snel koningen genoemd en wel om twee redenen. De eerste is schriftuurlijk van aard: men zag een verband met Jesaja 60,3 en Psalm 72,10.11.15 waar sprake is van koningen. De tweede reden is van politieke aard. Terwijl de koning sowieso al een politiek-religieuze figuur is, wil hier door Matteüs gezegd zijn dat hier in dit huis en uit deze vrouw een echte koning is geboren, dat is een van God gegeven koning die Jezus, redder, zal heten en in wie God met zijn volk zal zijn: Immanuel. Mét zijn volk en niet tegen zijn volk. Een koning als een herder en niet als een mensen verslindende tiran. Ook de geschenken goud, wierook en mirre hebben een koninklijk aura. Het goud wordt in de kerkelijke traditie als koningsgeschenk gezien, de wierook wordt geassocieerd met de godheid van Christus en de mirre met zijn dood.
Ontsteltenis
Toen koning Herodes het hoorde was hij in paniek en heel Jeruzalem met hem. Het is boeiend dat er bij de groten der aarde paniek uitbreekt wanneer het woord van God gestalte krijgt en de profetie vervuld wordt. Want zó beschrijft Matteüs, onder aanroeping van Micha, Jesaja en de psalm, de geboorte van Jezus: als vervulling van de Schriften. Zou echt heel Jeruzalem in paniek zijn? Ook de kleinen en machtelozen? Ook de mensen die uitgebuit, leeggezogen en onderdrukt werden? Dat valt te betwijfelen, of misschien toch niet. Misschien waren ook zij in paniek, maar dan om een andere reden dan Herodes. Want wat gebeurt er wanneer een despotisch heerser in paniek raakt? Dan ben je je leven niet zeker. Dan kan er van alles gebeuren: bloedbestuur, rechtsverkrachting. Chaos is niet zelden erger dan onrecht.
Alles wat ook maar enigszins schriftuurlijk onderlegd is, wordt opgetrommeld. Waar zou de gezalfde geboren worden? In Betlehem natuurlijk, zoals ook Johannes weet (Joh. 7,24). In het broodhuis. En daar in Betlehem vindt uiteindelijk de ontknoping plaats van dit verhaal: de magoi zien het kind met Maria, vallen op hun knieën en aanbidden. In deze aanbidding wordt de gehoorzaamheid aan de machten van deze wereld opgezegd. De heidenen (de wereld) gaan op de knieën voor de redder van Godswege en worden deelgenoten van de belofte. Ze gaan langs een andere weg terug. Herodes heeft het nakijken.
1 Rob H. van Gent, ‘Het raadsel van de Ster van Betlehem. Oude en nieuwe sterrenkundige verklaringen’. Interpretatie 4:8 (1996), 4-7. Ook in Zenit 23:12 (1996), 510-514.