Bij Hebreeën 1,1-12 en Johannes 1,1-14
Kerst is het feest van Jezus’ geboorte. Niet voor niets noemen wij Lucas’ verhaal over de geboorte van Jezus ‘het kerstverhaal’: als wij aan Kerstmis denken, denken wij aan Maria en Jozef, Betlehem, de stal, de herders en de engelen. Met Johannes 1,1-18 en Hebreeën 1 krijgt deze Kerst echter een duidelijke christologische inkleuring. De nadruk verschuift hier naar reflecties op de goddelijke natuur van Christus en zijn plaats in de oorspronkelijke orde (Joh. 1). Ook worden de verschillende posities van Christus en de engelen binnen het goddelijke hof besproken (Hebr. 1).
Er bestaan veel verschillende visies op de oorsprong en de tekstuele ontwikkeling van de proloog van Johannes. Het is waarschijnlijk dat deze proloog teruggaat op een hymne van de Johannes-gemeenschap. Onbetwist is dat de focus van de hymne ligt op de vleeswording van het Woord. Breed gedeeld is de aanname dat de openingswoorden van vers 1, ‘In het begin’, de formulering van Genesis 1,1 uit de Septuaginta reflecteren. Deze visie wordt ondersteund door het voorkomen van andere woorden uit het scheppingsverhaal, zoals ‘scheppen’, ‘licht’ en ‘duisternis’ in de verzen die daarop volgen. Daniel Boyarin vat de proloog dan ook op als een midrasjische homilie over het scheppingsverhaal, waarbij hij Spreuken 8,22-31 als interpretatief kader gebruikt.1 Hier vertelt Wijsheid hoe zij sinds het begin der tijden aan Gods zijde is geweest als zijn geliefde kind.
Gepersonifieerde wijsheid
Het concept van een pre-existente hemelse wijsheid aan de zijde van God is verder terug te vinden in de gelijkenissen van Henoch (1 Hen. 42) en Sirach (Sir. 24,8-12). In het Boek der Wijsheid wordt de wijsheid beschreven als een emanatie van de glorie van God en een weerspiegeling van zijn eeuwige licht. Een soortgelijke synthese van wijsheidstradities en hellenistische filosofie is duidelijk zichtbaar in Philo’s identificatie van de Logos met de goddelijke orde van de schepping. Deze scheppingsorde stelt hij vervolgens met de Tora gelijk. Deze voor het Tweede Tempeljodendom karakteristieke versmelting van de concepten Tora en wijsheid vindt zijn oorsprong in Deuteronomium 4,5-6: Zoals de HEER, mijn God, mij heeft opgedragen, leer ik u wetten en regels waarnaar u moet handelen in het land dat u in bezit zult nemen. Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ (NBV21).
In de verbinding tussen wet en wijsheid vindt een verschuiving plaats binnen het concept van de Tora. Hoewel het zijn halachische aspect nooit helemaal verliest, worden wijsheidsaspecten steeds belangrijker. In het verlengde van deze ontwikkeling had Tora, in haar betekenis als de geopenbaarde wil van God, in de tijd van het Nieuwe Testament een sterk wijsheidskarakter. Het Hebreeuwse begrip ‘leer’ (Torah) en de Hebreeuwse/ Griekse begrippen voor ‘woord’ (davar/logos), ‘wijsheid’ (chochma/sophia), ‘wet’ (chock/nomos) en ‘instructie’ (musar/paideia) zijn uitwisselbaar geworden.
Het Woord is vlees geworden
Deze versmelting van de wijsheidstradities met de Tora komt tot uiting in de proloog van het Evangelie van Johannes. Het scheppingsverhaal wordt hier opnieuw verteld als de vleeswording van het oorspronkelijke goddelijke Woord (verzen 1-5, 9-14, 16-18). Deze hervertelling bevat een aantal verklarende invoegingen, waarmee Johannes de parafrase expliciet op Jezus richt. In Jezus daalde de geopenbaarde wil van God neer op aarde en werd mens. Daarmee plaatst de evangelist Jezus op hetzelfde niveau als de Tora. Aan het einde van deze wijsheidshymne over de schepping ontstaat er echter een nieuwe spanning tussen de wet van Mozes enerzijds en de genade en waarheid van Jezus anderzijds. De hierboven nog geschetste gelijkwaardigheid van wet (Nomos) en wijsheid (Logos) lijkt hier te worden opengebroken ten gunste van een polemiek tégen de wet. Met deze wending aan het eind van zijn proloog zet de evangelist de toon voor de rest van het evangelie, waarin deze spanning uitvoerig wordt behandeld.
Herschikking van stoelen in het goddelijke hof
Net als Johannes begint de auteur van de Hebreeënbrief met de identificatie van Christus als het oorspronkelijke goddelijke Woord waardoor God de wereld schiep. In tegenstelling tot Johannes gaat het hier echter om het aanstellen van de Zoon als erfgenaam van God. In combinatie met de woorden ‘glorie’, ‘majesteit in de hoogste’ en ‘zitten aan de rechterhand’ roept de auteur hier het beeld op van het goddelijke hof. Door de engelen te classificeren als ‘slechts’ dienaren met een aanzienlijk lagere rang dan de Zoon die als erfgenaam is aangesteld, zet de auteur deze analogie voort.
Aanleiding voor deze polemiek was het idee, wijdverbreid in de periode van de Tweede Tempel, dat engelen de hemelse heerscharen van God zouden zijn die aan het einde der tijden in een eschatologische strijd aan de zijde van (een aan God trouw gebleven deel van) Israël zouden strijden voordat God het oordeel over de goddelozen zou vellen. Ook het idee dat alleen de grote profeten uit vroegere tijden directe toegang tot God hadden, terwijl latere generaties afhankelijk waren van de bemiddeling van engelen, was wijdverbreid.
Hier gaat de auteur recht tegenin. In deze laatste dagen (vs. 2) heeft God immers gesproken door de Zoon. Met de incarnatie van de Zoon is het de oorspronkelijke wijsheid van God zelf die neerdaalt, die de reiniging van de zonden bewerkstelligt en die als middelaar wordt aangesteld. De rol van engelen als bemiddelaars of eschatologische assistenten wordt hierdoor overbodig. Gelovigen hebben nu immers door de Zoon rechtstreeks toegang tot God gekregen.
1 Daniel Boyarin, Border Lines: The Partition of Judaeo-Christianity (Phila-delphia: University of Pennsylvania Press, 2004), 95.