Menu

Laden Evenementen

25 december 2025 Kerstdag

25 december 2025

Kerstdag

Bij deze dag

Puer natus est. Ons is een kind geboren, een Zoon is ons gegeven en Hij heet: Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jes. 9,5). ‘Er is een woord’, zo opent het evangelie van de kerstmorgen. Het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. In beginsel gebeurt een woord… Licht! En Licht gebeurt! Ja, het is hier onder ons ontstoken in een mens. Wij hebben het gezien en ons aan hem gewarmd.

Dat is het kerstverhaal van Johannes, de geboorte van het licht. We vieren de wending naar menslievendheid. We vieren de toewending van de Eeuwige in de schemer van ons bestaan. Dit verhaal van God-met-ons begint niet met een revolutionaire daad van een held, niet met de gedurfde ontdekking van een wetenschapper of met het vrome werk van een heilige. Het begint zo: een kind wordt in het middelpunt van de wereldgeschiedenis geplaatst. Zo klinkt het bij de profeet Jesaja: ‘Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de Heer troost zijn volk, Hij koopt Jeruzalem vrij. De Heer ontbloot zijn heilige arm ten overstaan van alle volken, en de einden der aarde zien hoe onze God redding brengt.’ In een ‘puer natus est’.

Jaar A | Wit
ot
Jesaja 52:7-10
ap
Psalmen 98
ep
Hebreeën 1:1-12
ev
Johannes 1:1-14
Liedsuggesties

Kerst

Bij Hebreeën 1,1-12 en Johannes 1,1-14

Kerst is het feest van Jezus’ geboorte. Niet voor niets noemen wij Lucas’ verhaal over de geboorte van Jezus ‘het kerstverhaal’: als wij aan Kerstmis denken, denken wij aan Maria en Jozef, Betlehem, de stal, de herders en de engelen. Met Johannes 1,1-18 en Hebreeën 1 krijgt deze Kerst echter een duidelijke christologische inkleuring. De nadruk verschuift hier naar reflecties op de goddelijke natuur van Christus en zijn plaats in de oorspronkelijke orde (Joh. 1). Ook worden de verschillende posities van Christus en de engelen binnen het goddelijke hof besproken (Hebr. 1).

Er bestaan veel verschillende visies op de oorsprong en de tekstuele ontwikkeling van de proloog van Johannes. Het is waarschijnlijk dat deze proloog teruggaat op een hymne van de Johannes-gemeenschap. Onbetwist is dat de focus van de hymne ligt op de vleeswording van het Woord. Breed gedeeld is de aanname dat de openingswoorden van vers 1, ‘In het begin’, de formulering van Genesis 1,1 uit de Septuaginta reflecteren. Deze visie wordt ondersteund door het voorkomen van andere woorden uit het scheppingsverhaal, zoals ‘scheppen’, ‘licht’ en ‘duisternis’ in de verzen die daarop volgen. Daniel Boyarin vat de proloog dan ook op als een midrasjische homilie over het scheppingsverhaal, waarbij hij Spreuken 8,22-31 als interpretatief kader gebruikt.1 Hier vertelt Wijsheid hoe zij sinds het begin der tijden aan Gods zijde is geweest als zijn geliefde kind.

Gepersonifieerde wijsheid

Het concept van een pre-existente hemelse wijsheid aan de zijde van God is verder terug te vinden in de gelijkenissen van Henoch (1 Hen. 42) en Sirach (Sir. 24,8-12). In het Boek der Wijsheid wordt de wijsheid beschreven als een emanatie van de glorie van God en een weerspiegeling van zijn eeuwige licht. Een soortgelijke synthese van wijsheidstradities en hellenistische filosofie is duidelijk zichtbaar in Philo’s identificatie van de Logos met de goddelijke orde van de schepping. Deze scheppingsorde stelt hij vervolgens met de Tora gelijk. Deze voor het Tweede Tempeljodendom karakteristieke versmelting van de concepten Tora en wijsheid vindt zijn oorsprong in Deuteronomium 4,5-6: Zoals de HEER, mijn God, mij heeft opgedragen, leer ik u wetten en regels waarnaar u moet handelen in het land dat u in bezit zult nemen. Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ (NBV21).

In de verbinding tussen wet en wijsheid vindt een verschuiving plaats binnen het concept van de Tora. Hoewel het zijn halachische aspect nooit helemaal verliest, worden wijsheidsaspecten steeds belangrijker. In het verlengde van deze ontwikkeling had Tora, in haar betekenis als de geopenbaarde wil van God, in de tijd van het Nieuwe Testament een sterk wijsheidskarakter. Het Hebreeuwse begrip ‘leer’ (Torah) en de Hebreeuwse/ Griekse begrippen voor ‘woord’ (davar/logos), ‘wijsheid’ (chochma/sophia), ‘wet’ (chock/nomos) en ‘instructie’ (musar/paideia) zijn uitwisselbaar geworden.

Het Woord is vlees geworden

Deze versmelting van de wijsheidstradities met de Tora komt tot uiting in de proloog van het Evangelie van Johannes. Het scheppingsverhaal wordt hier opnieuw verteld als de vleeswording van het oorspronkelijke goddelijke Woord (verzen 1-5, 9-14, 16-18). Deze hervertelling bevat een aantal verklarende invoegingen, waarmee Johannes de parafrase expliciet op Jezus richt. In Jezus daalde de geopenbaarde wil van God neer op aarde en werd mens. Daarmee plaatst de evangelist Jezus op hetzelfde niveau als de Tora. Aan het einde van deze wijsheidshymne over de schepping ontstaat er echter een nieuwe spanning tussen de wet van Mozes enerzijds en de genade en waarheid van Jezus anderzijds. De hierboven nog geschetste gelijkwaardigheid van wet (Nomos) en wijsheid (Logos) lijkt hier te worden opengebroken ten gunste van een polemiek tégen de wet. Met deze wending aan het eind van zijn proloog zet de evangelist de toon voor de rest van het evangelie, waarin deze spanning uitvoerig wordt behandeld.

Herschikking van stoelen in het goddelijke hof

Net als Johannes begint de auteur van de Hebreeënbrief met de identificatie van Christus als het oorspronkelijke goddelijke Woord waardoor God de wereld schiep. In tegenstelling tot Johannes gaat het hier echter om het aanstellen van de Zoon als erfgenaam van God. In combinatie met de woorden ‘glorie’, ‘majesteit in de hoogste’ en ‘zitten aan de rechterhand’ roept de auteur hier het beeld op van het goddelijke hof. Door de engelen te classificeren als ‘slechts’ dienaren met een aanzienlijk lagere rang dan de Zoon die als erfgenaam is aangesteld, zet de auteur deze analogie voort.

Aanleiding voor deze polemiek was het idee, wijdverbreid in de periode van de Tweede Tempel, dat engelen de hemelse heerscharen van God zouden zijn die aan het einde der tijden in een eschatologische strijd aan de zijde van (een aan God trouw gebleven deel van) Israël zouden strijden voordat God het oordeel over de goddelozen zou vellen. Ook het idee dat alleen de grote profeten uit vroegere tijden directe toegang tot God hadden, terwijl latere generaties afhankelijk waren van de bemiddeling van engelen, was wijdverbreid.

Hier gaat de auteur recht tegenin. In deze laatste dagen (vs. 2) heeft God immers gesproken door de Zoon. Met de incarnatie van de Zoon is het de oorspronkelijke wijsheid van God zelf die neerdaalt, die de reiniging van de zonden bewerkstelligt en die als middelaar wordt aangesteld. De rol van engelen als bemiddelaars of eschatologische assistenten wordt hierdoor overbodig. Gelovigen hebben nu immers door de Zoon rechtstreeks toegang tot God gekregen.

1 Daniel Boyarin, Border Lines: The Partition of Judaeo-Christianity (Phila-delphia: University of Pennsylvania Press, 2004), 95.

Anders gedaan

Licht voor iedereen

Bij Jesaja 52,7-10

Bij het begin

Jesaja zegt:

‘Dit is de dag
waar we naar uitkeken!

De vreugde zingt zich rond.
Hoor maar!
Er is goed nieuws:
vrede komt en redding.
Want, Jeruzalem, je God is koning!
Alle volken zien het,
heel de aarde,
we zijn gered.
Onze God, de Ware,
strekt zijn arm naar ons uit.’

Voorbeden

Op deze Eerste Kerstdag is de kerk vol van licht. Hier zijn we veilig, hier zijn we niet alleen.
Hier is plaats voor wie wij zijn en ook voor ons gemis, het verdriet in ons hart.
We dragen ze met ons mee, onze geliefden die gestorven zijn, herinneringen die we koesteren.
We dragen ze aan U op, wie niet meer met ons leven, omdat onze wegen in dit leven scheidden, maar met wie we blijvend verbonden zijn.
We leggen het voor U neer: de beschadiging die we opliepen door wie ons tekortdeden.
En wij bidden: word dan opnieuw in ons geboren. Dat wij vertrouwen dat wij niet toebehoren aan het duister dat ons beknelt, maar aan U. Dat wij van U zijn in lichte en zorgeloze dagen, maar niet minder in dagen van angst, onzekerheid en verdriet.
We bidden om licht voor iedereen die het gevoel heeft niet mee te tellen.
Voor wie merken dat ze door hun leeftijd, ziekte of hoe ze leven niet gezien worden.
Voor kinderen en grote mensen die hard schreeuwen of geweld gebruiken om aandacht te krijgen voor wat hen dwarszit.
Voor wie gevangen zitten, voor wie in deze dagen met verdriet ervaren hoe hun straf hen scheidt van wie hen dierbaar is, en die zich kwetsbaar weten.

Actueel

Licht

In het Johannesevangelie speelt het thema van licht een grote rol. Troostend vind ik hoe het evangelie begint. Het beroemde begin dat traditioneel op Kerstochtend wordt gelezen. In de NBV21-vertaling: ‘In het begin was het woord...’ en dan vers 5: ‘Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ De Willibrordvertaling vertaalt het zo: ‘Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan.’ Het licht is sterker. Daar mogen we troost uit putten. Je zou ervoor kunnen kiezen om deze tekst terug te laten komen in de vorm van een drempelgebed. Om zondag aan zondag mensen deze woorden uit te laten spreken.

V: In het begin was het woord,
A: en het woord was bij God.
V: Alles is door God ontstaan.
A: Niets bestaat zonder God.
V: Het licht schijnt in de duisternis,
A: en de duisternis kon het niet aan.
V: God, wees bij onze angst, en ons verdriet,
A: wees bij ons hier aanwezig.
Amen.

Invalshoek

Ja, Hij is!

Ja, het Woord zelf is mens geworden.
Vannacht is weer gekomen het aardse paradijs,
zingt een aloud kerstlied.
Licht in de duisternis, een hulpeloos Kind,
Gods belofte door de tijden heen,
betrouwbaar ondanks onze ontrouw.
Het Woord dat schept, zonder ophouden,
is enkel Lichtend Leven, bevrijdend
uit slavenbestaan onder mensen.
Hoe schept dat Woord?
Het wordt zelf mens, de Schepper wordt schepsel:
de mens, naar Gods beeld en gelijkenis.
O Mensenzoon, zo lang verhoopt, zo lang verbeid,
ga uw weg, herstel ons tot uw Vredesstad,
’t Jeruzalem voor allen die U zoeken.
Hoe onvoorstelbaar groot uw liefde!
Maak ons tot mensen, stralend van die Liefde,
mensen, aanstekelijk door wie ze zijn,
aantrekken die berooid en arm,
toch verlangen naar hun eigen grond.
U onze hoop, ons behoud.
Een gemeenschap verzameld rond U,
open stad waar redding te vinden is:
de Redder is daar geboren.
Zo laat God zien voor altijd zijn Nieuw Verbond.
Ja, Hij is!

Lied onder de loep

LB 477 – Komt allen tezamen

Eén van de bekendste kerstliederen is ‘Komt allen tezamen’, LB 477. Aan dit lied ligt het Latijnse ‘Adeste Fidelis’ ten grondslag, dat wordt toegeschreven aan John Francis Wade (1711-1786). Mogelijk zijn (ook) anderen bij de totstandkoming van het lied betrokken geweest. In elk geval zijn er later door Jean-François-Étienne Borderies (1764-1832) strofen toegevoegd aan ‘Adeste fidelis’. De Nederlandse tekst, zoals die in het Liedboek staat, komt op naam van een drietal dichters. De eerste, tweede en vierde strofe zijn vertaald door Casparus Bernardus Burger, hij deed dat voor de Hervormde Bundel van 1938. De derde strofe is van Jan Willem Schulte Nordholt en de vijfde strofe, als opdracht van de Liedboekredactie, is gedicht door Gert Landman. De gedachte achter de opdracht aan Landman was een compositie van de Engelse organist en dirigent David Willcocks (1919-2015). In dat vermaarde arrangement is een overweldigende descant (tegenstem) te zingen bij het couplet ‘Sing choirs of angels…’ De toevoeging van de meer uitbundige slotstrofe van Landman, maakt het mogelijk om deze tegenstem ook bij de Nederlandse tekst te zingen en/of te spelen. De muziek daarvan is te vinden in de koorbundel en de begeleidingsbundel bij het Liedboek.

Kansen voor gebed

Heer van barmhartige Liefde, als een Licht bent U afgedaald in onze werkelijkheid. Laat uw leven-gevend woord ons bevrijden uit onze cocon en openen voor verbondenheid in zuster- en broederschap in uw Naam. Tot uw stad van vrede, wereldwijd.