Menu

Laden Evenementen

24 december 2025 Kerstnacht

24 december 2025

Kerstnacht

Bij deze dag

Bij deze nacht

Dixit Dominus. ‘De Heer sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt’ (Ps. 2,7). Kerstnacht is een nacht waarin engelen goed nieuws brengen! (Luc. 2,10) In zijn nog altijd zeer lezenswaardige Stille Omgang schrijft Willem Barnard: ‘Liever dan mij te verdiepen in de vraag wat ik mij moet voorstellen bij de zingende engelen uit het kerstverhaal, bedenk ik dat die boden van de ware toekomst (…) een nog altijd actuele en tegen de wereldharen instrijkende, tekst aan ons opgeven. Een hemelse tekst, maar daarom nog niet een onaardse tekst! Integendeel, een hemelse en dus nieuw aardse boodschap. Maar die boodschap, ik spreek eigenlijk liever van mare of tijding, wordt op hoge toon gegeven, op zo hoge toon dat het zingen wordt.

De liturgie van de hemel komt op aarde over als onredelijk, onaangepast, oninpasbaar, onzakelijk, kortom als poëzie. Het onrecht zegeviert, het gloria glorieert er tegen in, nieuw besef gloort als een dag in de nacht. Een stem zet het gloria in, volkomen onlogisch, volstrekt theologisch. Ere zij God.’ Beter kan ik het niet zeggen.

Jaar A | Wit
ot
Jesaja 8:22-9:7
ap
Psalmen 96
ep
Titus 2:11-14
ev
Lukas 2:1-20
Liedsuggesties

Eén van ons

Bij Jesaja 8,23b–9,7 en Lucas 2,1-20

Het Lucaanse geboorteverhaal valt te lezen als een midrasj. De profetie van Jesaja klinkt er in door. Jesaja verkondigt een hoopvolle boodschap: het zal licht worden ‘in het land van de schaduw des doods’ (9,1 – SV). Verlossing daagt! Jesaja geeft koning Achaz ook een teken dat die woorden bekrachtigt: de geboorte van een zoon, Immanuel (Jes. 7,14-16). Later worden deze profetieën toegepast op de geboorte van Jezus.

Matteüs citeert letterlijk uit deze profetieën (Jes. 7,14 in Mat. 1,23 en Jes. 8,23–9,1 in Mat. 4,15-16). Ook in Lucas 1–2 speelt Jesaja een rol. Zo hoort Maria dat God haar zoon ‘de troon van zijn vader David’ zal geven: ‘tot in de eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob’ (Luc. 1,32-33; vgl. Jes. 9,6-7). Zacharias jubelt dat ‘het stralende licht uit de hemel zich over ons zal ontfermen en schijnen over allen die in duisternis verkeren, in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede’ (1,78-79; vgl. Jes. 9,1.6). Heel de ouverture van het Lucasevangelie verklankt het overkoepelende thema van de Jesajaperikoop: de naderende verlossing van Godswege. Voor hen ‘die wonen in het land van de schaduw des doods’ wordt een redder geboren, een zoon, doordat ‘de kracht van de Allerhoogste’ de maagd Maria ‘als een schaduw zal overdekken’ (Luc. 1,35).

De volkstelling

In de aanvangshoofdstukken imiteert Lucas de stijl van de Septuaginta. Verhalen en thema’s uit de Tenach vormen de coulisse voor een nieuw verhaal.

Het geboorteverhaal begint met een ‘volkstelling’. Volgens historici vond die pas tien jaar na de dood van Herodes, dus lang na Jezus’ geboorte, plaats. Zij verwerpen ook het idee dat ‘iedereen op weg ging’ om zich in zijn geboorteplaats te laten inschrijven, want Romeinen hielden niet van chaos. Dat Lucas het heeft over een ‘zwangere vrouw’, een ‘volkstelling’ en ‘de stad van David’ zal bedoeld zijn om belezen joden te herinneren aan de twee kolossale misstappen die koning David ooit beging in Jeruzalem, want dát is de Davidsstad in de Tenach.

Over de eerste misstap lezen we in 1 Kronieken 21 (en 2 Sam. 24). David besluit om een volkstelling te houden in Israël, want hij wil weten hoe groot zijn leger is. Zijn opperbevelhebber Joab vraagt nog: ‘Waarom wilt u dat? Waarom zou u schuld op Israël laden?’ Als David ten slotte inziet dat hij dwaas heeft gehandeld – want die volkstelling ‘was slecht in Gods ogen’ – is het te laat. De Heer legt hem drie straffen voor, aan hem de keus: drie jaar hongersnood of drie maanden opgejaagd worden door zijn vijanden of een pestepidemie van drie dagen. David kiest de laatste. Waarop een engel van de Heer dood en verderf zaait, tot de Heer zelf het onheil gaat betreuren: ‘“Genoeg!” zei Hij tegen de engel. “Laat je hand zakken!” (…) en David zei tegen God: “Ik was het toch die opdracht heeft gegeven tot een volks- telling? Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die verkeerd heeft gehandeld. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Heer, mijn God, hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie, in plaats van uw volk met deze plaag te treffen!”’ (1 Kron. 21,15-17).

Dit verhaal klinkt mee bij Lucas, waar een ‘engel van de Heer’ optreedt, die het volk – de herders die wél goed voor hun kudde zorgen – aanzegt dat een redder is geboren. ‘En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger’, dat God prijst en het volk vrede aanzegt.

Ongewenst zwanger

Davids andere grote misstap staat beschreven in 2 Samuel 11–12. David pleegt overspel met Batseba, die getrouwd is met een van ‘Davids helden’: de Hethiet Uria. Als Batseba zwanger blijkt en David die misstap niet kan maskeren, zorgt hij ervoor dat Uria de dood vindt. Na de rouwtijd neemt David Batseba bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. In de ogen van de Heer was het wel degelijk slecht wat David had gedaan. Hij stuurde de profeet Natan naar David toe om hem het volgende te vertellen: “Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. (…) Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor”’ (2 Sam. 11,27–12,4). De zoon die Batseba baart, sterft naamloos op de zevende dag.

Maria’s zoon wordt na zijn geboorte als een lammetje in een voederbak gelegd. Hij krijgt wel een naam, op de achtste dag.

Een midrasj

Het geboorteverhaal van Jezus lijkt geschreven te zijn als een midrasj, een joods commentaar op verhalen uit de Tenach, met als doel te laten zien dat Jezus weliswaar de troon van David erft, maar een heel ander type vorst zal zijn: een hemelvorst wiens koningschap eeuwig duren zal, een vredevorst, die onwankelbaar in dienst staat van ‘de Heer van de hemelse machten’ (Jes. 9,6). Een vorst zonder bloed aan zijn handen, zoals David (zie 1 Kron. 22,8). Jezus zal geen levens nemen, maar uiteindelijk in een Jeruzalems ‘gastenverblijf’ (Gr.: kataluma, vgl. Luc. 2,7 met Luc. 22,11) waar wél plek voor hem is, zichzelf als voedsel aanbieden: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt’ (Luc. 22,19). Deze vorst redt niet zichzelf, maar zijn schapen, zijn volk. In Lucas wordt Jezus, die via een niet-koninklijke bloedlijn afstamt van koning David, gedoopt als één uit het volk (3,21). Gewoon, één van ons. Gewoon, mens geworden!

Anders gedaan

Een van ons

Bij Jesaja 8,23b–9,7 en Lucas 2,1-20

Bij het begin

Dit zegt Jesaja:

‘Er komt een dag,
dan wordt het licht voor de mensen
die nu in het donker zitten.
Dan zíjn ze er weer,
tot hun vreugde.
Wég is de last op hun schouders.

Weet je welke schouders alle macht dragen?
Die van een kind, een zoon, van Naam.
Oneindig ver reikt zijn vrede.

De toekomst ligt bij de vredevorst,
de lieveling van God, de Ene.
Met recht kun je vrede bouwen
voor lange duur.
Hemelse liefde is het vuur.’

Beeld

In het boek Hij was een van ons van Rien Poortvliet staat een afbeelding met als titel ‘De herders vonden Maria, Jozef en het Kindeke’. (Het is moeilijk online te vinden, mail mij op jantine.heuvelink@pgbunnik.nl en ik stuur het toe.)

Bij deze kerstafbeelding komt het kind zelf amper in beeld. Mij ontroert het dat het licht niet valt op Hem, op de pasgeborene, maar op de mensen die gekomen zijn.

Bij Jesaja valt het licht op het volk dat in duisternis ronddoolt.

Bij Lucas valt het licht op de herders die de nacht doorbrengen op het veld.

De afbeelding legt de focus op wat gezegd is over dit kind en daarmee over God. Hoe Hij voor kleine mensen bereikbaar is. Hoe Hij een licht is voor de volken. Een woord van vrede, van mens tot mens (LB 72a).

Actueel

Als troost... Aus tiefer Not

In 1524 schreef Martin Luther zijn eerste kerklied, een bewerking van Psalm 130. Het ‘De profundis’ werd ‘Aus tiefer Not schrei ich zu dir’, met de kenmerkende begintonen, die met een kwintsprong de roep uit de diepte illustreren. Het lutherse liederfgoed heeft al vele componisten geïnspireerd, maar ter gelegenheid van het 500-jarig bestaan van dit lied heeft Johan van der Linden een motet voor koor, orgel en saxofoon gemaakt op een nieuwe tekst van Lydia Vroegindeweij, waarin de essentie van Luthers troostboodschap opnieuw is verwoord. De Duitse beginregel vormt tevens een acrostichon op de beginletters van de Nederlandse tekstregels. De muziek is hier te beluisteren.

Als troost voor mij onvindbaar lijkt
Uitweg uit verdriet verdween
Stel dat ik
Ten onder ga
Is er iemand die mij redt?
Een toekomst voor mijn ziel, dat is geen
Fantasie maar perspectief
Een steun bij zware tegenslag, dat is
Rond mijn schouder Jouw arm
Nooit is diepste diep te diep
Onder mijn voeten vind ik vaste grond
Troost is geloof is troost is geloof is troost geworden.

Invalshoek

Geboorte

Nacht van donker duister
geen licht – alles lijkt ingeslapen
stilte, vredige rust.
Onderhuids geladen stilte… omwenteling op til?
Schepping, ontwaak, wees alert op een komend iets,
iemand in de nacht.
Hoop die de Dag in zich draagt,
van oudsher bevrijding aangekondigd,
levende herinnering.
Een Naam die is,
altijd met de zijnen in verdrukking,
om vrijheid te schenken, Sjaloom voluit –
handtekening van Zijn Liefde,
gegoten in barmhartigheid:
een hulpeloos Kind,
in de marge voor wie geen plek is
in het drukke alledaagse,
van controlerende cijfers en macht.
En toch, dit Kind is de beloofde Belofte
die de ondergang keert tot leven in volheid
voor wie dit laat geschieden.
Als pelgrim van Hoop, samen met anderen voorbij vijandschap,
herboren onder de geopende zingende hemel
en het Kind laat zich vinden:
Jezus, de Redder is zelf hun ware Weg tot het Leven geworden.

Lied onder de loep

LB 449 – In de duisternis verwachten wij

In en rond de kerstdiensten klinken vaak bekende kerstliederen. Voor wie eens iets anders wil dan de gangbare kerstmuziek, zetten we vandaag LB 449 in de schijnwerper. De tekst van Jan Willem Schulte Nordholt is gebaseerd op Jesaja 9,1-6, de oudtestamentische lezing van deze Kerstnacht. In de strofen 5 en 6 komt dit het meest duidelijk naar voren. Het is een lied van verlangend wachten in de duisternis, op het Licht dat komt.

De muziek van Wim Ruessink kent twee melodieën. Melodie A, voor strofe 1, 3 en 5, heeft een kleine omvang met lagere tonen en beweegt zich veelal in secundeschreden. Bij de strofen 2 en 6 wordt melodie B gezongen. Hier zien we grotere sprongen en een grotere ambitus. De tonen bewegen zich binnen het octaaf, dat aan het begin van de melodie zichtbaar is met de grote sprong naar boven. Beide melodieën hebben aan het begin van regel drie een syncope. In strofe 1 komt er daardoor mooi een accent op ‘Hem’. De beide melodieën worden door elkaar gezongen in de strofen 4 en 7. In de begeleidingsbundel staan drie zettingen van de componist zelf, te gebruiken bij de twee afzonderlijke melodieën en bij de strofen waar de melodieën bij elkaar komen.

Kansen voor gebed

Algoede Vader, mogen er in iedere nacht tekens van hoop zijn, die mensen in beweging zetten omdat hun hemels levenslicht is aangezegd. Als een kwetsbaar kind neergelegd aan de rand van ons bestaan, die genoemd wordt God met ons. Dat wij Hem ontvangen, ook vandaag.