Bij Jesaja 8,23b–9,7 en Lucas 2,1-20
Het Lucaanse geboorteverhaal valt te lezen als een midrasj. De profetie van Jesaja klinkt er in door. Jesaja verkondigt een hoopvolle boodschap: het zal licht worden ‘in het land van de schaduw des doods’ (9,1 – SV). Verlossing daagt! Jesaja geeft koning Achaz ook een teken dat die woorden bekrachtigt: de geboorte van een zoon, Immanuel (Jes. 7,14-16). Later worden deze profetieën toegepast op de geboorte van Jezus.
Matteüs citeert letterlijk uit deze profetieën (Jes. 7,14 in Mat. 1,23 en Jes. 8,23–9,1 in Mat. 4,15-16). Ook in Lucas 1–2 speelt Jesaja een rol. Zo hoort Maria dat God haar zoon ‘de troon van zijn vader David’ zal geven: ‘tot in de eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob’ (Luc. 1,32-33; vgl. Jes. 9,6-7). Zacharias jubelt dat ‘het stralende licht uit de hemel zich over ons zal ontfermen en schijnen over allen die in duisternis verkeren, in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede’ (1,78-79; vgl. Jes. 9,1.6). Heel de ouverture van het Lucasevangelie verklankt het overkoepelende thema van de Jesajaperikoop: de naderende verlossing van Godswege. Voor hen ‘die wonen in het land van de schaduw des doods’ wordt een redder geboren, een zoon, doordat ‘de kracht van de Allerhoogste’ de maagd Maria ‘als een schaduw zal overdekken’ (Luc. 1,35).
De volkstelling
In de aanvangshoofdstukken imiteert Lucas de stijl van de Septuaginta. Verhalen en thema’s uit de Tenach vormen de coulisse voor een nieuw verhaal.
Het geboorteverhaal begint met een ‘volkstelling’. Volgens historici vond die pas tien jaar na de dood van Herodes, dus lang na Jezus’ geboorte, plaats. Zij verwerpen ook het idee dat ‘iedereen op weg ging’ om zich in zijn geboorteplaats te laten inschrijven, want Romeinen hielden niet van chaos. Dat Lucas het heeft over een ‘zwangere vrouw’, een ‘volkstelling’ en ‘de stad van David’ zal bedoeld zijn om belezen joden te herinneren aan de twee kolossale misstappen die koning David ooit beging in Jeruzalem, want dát is de Davidsstad in de Tenach.
Over de eerste misstap lezen we in 1 Kronieken 21 (en 2 Sam. 24). David besluit om een volkstelling te houden in Israël, want hij wil weten hoe groot zijn leger is. Zijn opperbevelhebber Joab vraagt nog: ‘Waarom wilt u dat? Waarom zou u schuld op Israël laden?’ Als David ten slotte inziet dat hij dwaas heeft gehandeld – want die volkstelling ‘was slecht in Gods ogen’ – is het te laat. De Heer legt hem drie straffen voor, aan hem de keus: drie jaar hongersnood of drie maanden opgejaagd worden door zijn vijanden of een pestepidemie van drie dagen. David kiest de laatste. Waarop een engel van de Heer dood en verderf zaait, tot de Heer zelf het onheil gaat betreuren: ‘“Genoeg!” zei Hij tegen de engel. “Laat je hand zakken!” (…) en David zei tegen God: “Ik was het toch die opdracht heeft gegeven tot een volks- telling? Ik ben het die gezondigd heeft; ik ben het die verkeerd heeft gehandeld. Maar deze arme schapen, wat hebben zij misdaan? Heer, mijn God, hef uw hand toch op tegen mij en mijn familie, in plaats van uw volk met deze plaag te treffen!”’ (1 Kron. 21,15-17).
Dit verhaal klinkt mee bij Lucas, waar een ‘engel van de Heer’ optreedt, die het volk – de herders die wél goed voor hun kudde zorgen – aanzegt dat een redder is geboren. ‘En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger’, dat God prijst en het volk vrede aanzegt.
Ongewenst zwanger
Davids andere grote misstap staat beschreven in 2 Samuel 11–12. David pleegt overspel met Batseba, die getrouwd is met een van ‘Davids helden’: de Hethiet Uria. Als Batseba zwanger blijkt en David die misstap niet kan maskeren, zorgt hij ervoor dat Uria de dood vindt. Na de rouwtijd neemt David Batseba bij zich aan het hof. ‘Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. In de ogen van de Heer was het wel degelijk slecht wat David had gedaan. Hij stuurde de profeet Natan naar David toe om hem het volgende te vertellen: “Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. (…) Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor”’ (2 Sam. 11,27–12,4). De zoon die Batseba baart, sterft naamloos op de zevende dag.
Maria’s zoon wordt na zijn geboorte als een lammetje in een voederbak gelegd. Hij krijgt wel een naam, op de achtste dag.
Een midrasj
Het geboorteverhaal van Jezus lijkt geschreven te zijn als een midrasj, een joods commentaar op verhalen uit de Tenach, met als doel te laten zien dat Jezus weliswaar de troon van David erft, maar een heel ander type vorst zal zijn: een hemelvorst wiens koningschap eeuwig duren zal, een vredevorst, die onwankelbaar in dienst staat van ‘de Heer van de hemelse machten’ (Jes. 9,6). Een vorst zonder bloed aan zijn handen, zoals David (zie 1 Kron. 22,8). Jezus zal geen levens nemen, maar uiteindelijk in een Jeruzalems ‘gastenverblijf’ (Gr.: kataluma, vgl. Luc. 2,7 met Luc. 22,11) waar wél plek voor hem is, zichzelf als voedsel aanbieden: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt’ (Luc. 22,19). Deze vorst redt niet zichzelf, maar zijn schapen, zijn volk. In Lucas wordt Jezus, die via een niet-koninklijke bloedlijn afstamt van koning David, gedoopt als één uit het volk (3,21). Gewoon, één van ons. Gewoon, mens geworden!