Menu

Laden Evenementen

16 november 2025 Negende zondag van de herfst

16 november 2025

Negende zondag van de herfst

Bij deze dag

Is het mogelijk in de liturgie iets van de eschatologische vreugde te ervaren? We ‘denken’ niet aan Jezus, maar vieren Hem in het liturgische spel als de Levende en Aanwezige. De evangelielezing maakt ons deelgenoot van een discussie: ‘hoe dat zit als de doden opstaan’. Kan er een synoderapport worden geschreven over het land aan de overzijde, een land dat we niet kennen en niet zien? Jezus antwoordt met een geheimzinnige uitspraak: ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’. Jezus keert de blikrichting om. Het gaat er niet om vanuit de aarde naar de hemel te kijken, maar om vanuit de hemel naar de aarde te kijken.

Het gaat om het hier en nu, over de weg die de kinderen van de opstanding in het voetspoor van Jezus hebben te gaan. In de verte resoneert het verhaal over de schipbreuk van Paulus tijdens zijn zeereis naar Italië (alternatieve spoor). ‘Toch roep ik jullie op om moed te houden, want niemand van jullie zal omkomen, alleen het schip zal verloren gaan.’ Het bekende ‘Eens als de bazuinen klinken’ (LB 769) kan een plaats hebben in de liturgie. ‘Roep de doden tot getuigen, dat Gij van oudsher regeert…’

Jaar C | Groen
ot
Exodus 3:1-15
ap
Psalmen 98
ep
2 Tessalonicenzen 3:7-13
ev
Lukas 20:27-38
Alternatief
Handelingen 27:1-44
Liedsuggesties

Een God van leven die ons nabij is

Bij Exodus 3,1-15 en Lucas 20,27-38

Deze zondag is het overduidelijk dat de lezing uit Exodus bij de evangelielezing gezocht is, en voornamelijk dient om het citaat van Jezus in de juiste context te plaatsen. Dat is jammer, want er zal in de meeste preken geen ruimte zijn om beide perikopen de aandacht te geven die ze verdienen. Ook ik kies in dit geval ervoor om te focussen op het evangelie. Voor deze exegese ben ik erg geholpen door het commentaar op Lucas door Jos de Heer.[1]

Sadduceeën

In het Evangelie naar Matteüs worden de sadduceeën meermaals in één adem genoemd met de farizeeën. Bij Marcus en Lucas komen ze maar eenmaal voor, namelijk in deze perikoop en in de parallel van Marcus 12,18. Bij Johannes worden ze helemaal niet genoemd. De sadduceeën behoorden tot de joodse elite. Het was een groep die getalsmatig niet zo groot was, maar die wel een grote invloed had. De Hoge Raad werd namelijk voorgezeten door een sadduceeër. Ze hadden zo een belangrijke machtspositie. Mede daardoor waren ze niet geliefd bij het gewone volk, dit in tegenstelling tot de farizeeën.

Sadduceeën erkenden het gezag van de Tora, maar niet van de mondelinge overlevering. Daarom verschilden hun denkbeelden op allerlei vlakken van de andere joden. In Handelingen komen ze meermaals in conflict met Petrus en Paulus, en telkens gaat dit conflict dan over de opstanding. Zo ook hier. Ze dragen een casus aan die ervoor bedoeld lijkt om het idee van de opstanding belachelijk te maken. Het zogenaamde leviraatshuwelijk wordt gebruikt voor deze casus. Dit is een instelling uit de Tora, die bedoeld is om bij een kinderloos huwelijk de vrouw en het familiebezit minder kwetsbaar te maken. Als een man kinderloos sterft, mag een familielid de weduwe trouwen en in naam van de overledene een kind bij haar verwekken. Zo wordt de naam van de overledene veiliggesteld, blijft de weduwe beter verzorgd achter en blijft de erfenis binnen de familie. Maar ja, als er een opstanding uit de doden is, van wie is de weduwe dan de vrouw? Jezus neemt de casus niet serieus, maar ziet hierin wel een aanleiding om te vertellen wat opstanding betekent.

Geen overbrugbare tegenstelling

Jezus maakt in zijn antwoord een onderscheid tussen de kinderen (letterlijk: zonen) van deze tijd (Gr.: aioon) en de kinderen van díe tijd (Luc. 20,34-35). NBV21 interpreteert dit als ‘de kinderen van deze wereld’ en van ‘de komende wereld’. Anderen vertalen met ‘deze’ of ‘de komende eeuw’. Zoon of kind zijn van iets betekent dat je daartoe behoort. Je hoort bij een bepaalde wereld: deze of gene wereld. Het zijn twee verschillende werelden, waarin anders gedacht en geleefd wordt.

Toch bestaan hier geen onoverbrugbare tegenstellingen. Het zijn eerder twee denkwerelden. In de ene denkwereld (die van deze wereld) heerst de menselijke logica en ratio. Hier bestaat er geen opstanding, want dat kunnen wij ons niet voorstellen. God zelf kunnen wij ons ook niet voorstellen. In deze (denk-) wereld leven we dus zonder God en zonder opstanding. Maar er is ook een andere (denk-)wereld: Gods wereld. Daar kun je deel aan krijgen, als je door God bezield bent. Als je bezield leeft. Dat is: leven volgens de Tora. Leven in geloof, hoop en liefde, zouden christenen zeggen. Of: leven uit genade. In Lucas 6,35 staat dat je een kind van God bent door lief te hebben en goed te doen. Zo krijg je deel aan Gods wereld. In Gods wereld is er wel degelijk opstanding, want God is leven.

Een God van leven

Dan volgt er een argument dat een citaat bevat uit de Tora (20,37). De sadduceeën nemen de Tora zeer serieus, dus voor dit argument zouden ze gevoelig moeten zijn. Als JHWH zich vanuit de doornstruik (Hebr.: senè, een knipoog naar ‘Sinai’) openbaart aan Mozes, stelt Hij zich voor met de woorden: ‘Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jakob’ (Ex. 3,6). JHWH onderhoudt blijkbaar nog altijd een relatie met de aartsvaders. Dan kunnen die toch niet dood zijn? Op een of andere manier leven ze nog voort, in het perspectief van JHWH (Luc. 20,38).

De verschillende denkwerelden zijn zo vooral verschillend in het perspectief van waaruit ze kijken. Vanuit menselijk oogpunt zijn gestorvenen dood. Ze zijn onbereikbaar, want er is een grens tussen leven en dood die voor mensen niet te overbruggen is. Vanuit het perspectief van JHWH is dit heel anders. Dan vallen de grenzen weg tussen leven en dood. Wij kunnen het ons niet voorstellen, maar God wel. Opstanding is dus: behoren tot God, die leven is. Hoe dat er dan precies uitziet, kunnen wij als mensen niet bevatten. Maar dat hoeft ook niet.

Een God die bij ons is

Dat alles er anders uitziet vanuit Gods perspectief, zien we ook in de perikoop uit Exodus. Waar Mozes zich in allerlei bochten wringt omdat hij vanuit zijn perspectief een onmogelijke opdracht krijgt (Ex. 3,11.13), is het voor JHWH heel simpel. ‘Ik ben er toch bij,’ zegt Hij (3,12.14). ‘Bij jou, Mozes, en bij heel jouw volk.’ Alles gaat in dit stuk om het zien. God ziet het lijden van zijn volk (3,7.9), Mozes ziet ook iets, maar wat (3,2-3)? En zien (Hebr.: jara) gaat om ervaren, beseffen, meevoelen. Het draait om betrokkenheid. JHWH is betrokken op zijn volk, en als Mozes dat ook is, kan de redding gestalte krijgen. Vanuit God gezien is alles mogelijk, zelfs een leven na de dood.

[1] Jos de Heer, Commentaar op Lucas 14-24. Jezus’ passie, Vught 2013.

Anders gedaan

Bramen

Bij Exodus 3,1-15 en Lucas 20,5-19

De aarde zit boordevol hemel
en elke struik, hoe gewoon ook,
staat in lichterlaaie van God.
Maar enkel hij die het ziet doet zijn schoenen uit.
De rest zit eromheen en plukt bramen.

Dit gedicht, ‘Brandend braambos’ van Elizabeth B. Browning, past heel goed bij de lezingen van vandaag. In de eerste plaats omdat het zo mooi aansluit bij de eerste lezing, van de roeping van Mozes bij de brandende braamstruik; maar in de tweede plaats blijkt het ook te passen bij die raadselachtige lezing uit het evangelie. Want daar gebeurt eigenlijk precies wat Browning in haar gedicht beschrijft: de sadduceeën, die Jezus vragen bij wie de vrouw bij de opstanding zal horen als ze met maar liefst zeven broers is getrouwd, lijken de boodschap van Jezus niet te begrijpen en plukken misschien wel de bramen. Ze missen de boodschap van Jezus, dat God een God is van levenden, omdat iedereen leeft in God.

Drempelgebed

V:      Als we om ons heen kijken, zien we de wereld om ons heen, maar zien we uw vuur niet verschijnen.
A:      Wees hier aanwezig,
V:      wees onder ons vandaag, verzamel ons rond het vuur van uw liefde. Maak ons ontvankelijk voor uw aanwezigheid,
A:      vuur ons aan, o God van leven. Amen.

Zegenbede

Ga dan van hier,
met vuur in je hart,
aangestoken door de God van leven.
Met lichtjes in je ogen,
stralend van de vreugde dat God met je meegaat.
Met lichte tred
van je voeten, die de weg ten leven gaan.

Actueel

Verdwaald in vrijheid

Ze mocht alles van haar ouders: studeren of werken, trouwen met een man of met een vrouw, of misschien wel allebei. Ze mocht worden wat ze wilde en zijn wie ze al was. Het klinkt als een ideale opvoeding, met alle ruimte om jezelf te zijn. Maar zij is de weg kwijt geraakt. Want zonder route kun je niet verdwalen, maar je loopt eigenlijk ook nooit goed.

Tot ze in aanraking kwam met het christendom, en dat was raak. Eerst was haar geloof heel orthodox, ze genoot van de duidelijke grenzen, alle helderheid. Om later wat meer ruimte te ontdekken voor haar eigen verstand en haar eigen ziel.

Wat zou het goed zijn als verdwaalde mensen aanspoelen bij een eiland van geloof. Om daar wat zekerheid te vinden, het leven binnen grenzen te oefenen, die grenzen soms ook te overschrijden en zo volwassen te worden, en geheeld.

Durven wij als kerken zo’n eiland te zijn, waar verdwaalde zielen een thuis kunnen vinden? Niet door openheid te bieden en ‘alles kan en mag’, maar door aan te geven waar we ten diepste voor staan? Gebeden, liederen en preken mogen piketpaaltjes slaan langs een weg ten leven.

Invalshoek

Paulus – inmiddels gevangen – zet zijn reis naar Rome voort. Onderweg komt het schip in zwaar weer, en de schrijver zet heel nauwgezet uiteen hoe de reis in elkaar zit. Wat daarbij opvalt, is dat het veel over eten gaat. Zo wordt eerst gemeld dat de tijd van het vasten voorbij is. Vermoedelijk is dat het begin van de herfst, wat wordt versterkt door het noemen van de Euroclydon, een wind die in de herfst waait. Blijkbaar is iedereen zo in de weer, dat er voor eten geen tijd is. Als verderop wordt gemeld dat er veertien dagen later nog steeds niet gegeten is, grijpt Paulus in. Hij breekt en deelt het brood, waarna het licht wordt, er land in zicht komt en een perspectief op redding verschijnt.

Lied onder de loep

LB 324 – Wat vrolijk over U geschreven staat

Dit jaar hoopt Antoine Oomen tachtig jaar te worden. Naast Bernard Huijbers en Tom Löwenthal heeft hij een zeer groot aantal teksten van Huub Oosterhuis van muziek voorzien. Dat de teksten van Oosterhuis zich zo snel konden verspreiden is met name te danken aan de composities van dit drietal.

Uit het uitgebreide repertoire van Antoine Oomen is het lied ‘Wat vrolijk over U geschreven staat’ – gelukkig! – in het Liedboek terechtgekomen. Het heeft een plaats gekregen in het deel ‘Rond de Schriften’. Niet zo verwonderlijk, want Oosterhuis laat in de tekst duidelijk echo’s uit de Tora horen, met name uit Exodus (de ziel die vonkt of als een brand uitslaat). Het kan ook heel goed gezongen worden als slotlied, met name in de Voleindingstijd (‘Wat vurig staat geschreven: dat Gij komt’). Het lied laat zich zingen als een Bachkoraal; liefst vierstemmig en met de originele pianobegeleiding. De syncopen in de tweede en vierde regel lijken moeilijk, maar als de 2/2- maat strak wordt aangehouden, zul je merken dat het als vanzelf gaat, mits de aandacht gefocust blijft op de tekst.

Kansen voor gebed

Dank vandaag voor voedsel dat we mogen ontvangen, en voor mensen die samenkomen rond de tafel en daarbij niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gevoed mogen worden. Bid voor mensen op zee, mensen in zwaar weer en voor mensen die naar rustiger vaarwater verlangen.

Alternatief

Vertrouwen doet ertoe

Bij Handelingen 27,1-44

Deze lezing die het hele voorlaatste hoofdstuk van Handelingen beslaat, geeft de lezer een behoorlijk realistisch beeld van de zeevaart in de antieke wereld. In een groter kader gaat het over Paulus’ reis naar Rome. Nog groter kader is het vertrouwen op God dat je perspectief verandert.

In de antieke wereld varen schepen zoveel mogelijk langs de kust, of als dat niet kan van eiland tot eiland; dit is veiliger en maakt het navigeren eenvoudiger. Reizigers varen mee op handelsschepen. Het schip waarop Paulus zich nu bevindt, vervult de uiterst belangrijke taak Egyptisch graan naar Rome te brengen. Gezien het aantal scheepswrakken uit die tijd was varen allesbehalve veilig. Het is goed bij het lezen van Handelingen 27 de spanning mee te voelen: zou de reis wel goed gaan?

God aan wie ik toebehoor

Deze spanning is echter maar één laag in het verhaal. Er is nog een breder kader, waarin Paulus voor de keizer moet verschijnen. Hij had immers een beroep op de keizer gedaan nadat hij was aangeklaagd. Paulus reist als gevangene, niet alleen uitgeleverd aan de elementen maar ook aan de macht van de hem begeleidende officier en soldaten. Een nóg breder kader is wat aan het begin van Handelingen gesteld is, door Jezus zelf, dat de leerlingen zullen getuigen tot aan de einden van de aarde (Hand. 1,8). Wat die ‘einden’ precies zijn, wordt de loop van het verhaal ingevuld. Rome hoort daar bij, daar gaat Paulus heen. Het is wel de wereld op z’n kop, want het centrum van de wereld is niet Rome, zoals je verwachten zou, maar de plek, de gemeenschap, of zelfs de mens – bij uitstek ook: Christus – van wie het evangelie uitgaat.

Van zijn Romeinse bestemming ontvangt Paulus bevestiging van Godswege in een droom waarvan hij de inhoud aan de bemanning doorvertelt: ‘De afgelopen nacht werd ik bezocht door een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik dien. Hij zei: “Wees niet bang, Paulus, je moet voor de keizer verschijnen, en daarom heeft God je in zijn goedheid het leven van alle opvarenden geschonken”’ (27,23-24). Ook wanneer het lijkt dat Paulus een speelbal van de elementen is, is de reis onder Gods hoede en zelfs Gods bedoeling. Daardoor wordt de greep die zijn begeleiders op hem hebben, sterk gerelativeerd. Ze lijken te handelen in opdracht van de keizer, maar eigenlijk voeren ze Gods bedoelingen uit. Dit past bij de manier van formuleren die Paulus kiest wanneer hij de opvarenden toespreekt: ‘de God aan wie ik toebehoor’ bepaalt de loop der dingen. Dat is meer dan een wat plat ‘alles is in Gods hand’. Eerder is het een kleine theologie van de geschiedenis, waarin vertrouwen op God alle andere machten en krachten, of het nu de elementen of soldaten zijn, relativeert.

Maaltijd van gemeenschap

Paulus lijkt bijzonder beheerst en rustig op te treden, en zelfs leiding te geven aan soldaten en andere opvarenden. Hij lijkt geen angst te hebben, weet de situatie van de vluchtende bemanning te doorzien, en gaat zelfs rustig wat eten, waarbij hij wel de God aan wie hij toebehoort dankzegt. De vraag of Paulus hier nu de eucharistie aan het vieren is, is anachronistisch en mist het eigenlijke punt. Paulus’ maaltijd staat in het teken van iets dat wezenlijk is voor vroegchristelijke eucharistische maaltijden, namelijk van de gemeenschap met God. Het effect hiervan op Paulus is dat hij rustig blijft en ingrijpt wanneer de soldaten de gevangenen willen ombrengen zodat ze niet zwemmend zouden vluchten. De Romeinse officier wil wel dat Paulus in leven blijft (vs. 43), maar de lezer weet dat deze meewerkt aan iets wat de God aan wie Paulus toebehoort wil bewerkstelligen.

Het is een episode met verschillende lagen die elkaar versterken. Een schip is in nood, inclusief een vorm van muiterij en het plan de gevangenen om te brengen. Het is ook de reis van Paulus als gevangene naar een onzekere toekomst in Rome. En er is de laag van Paulus’ toebehoren aan zijn God, waardoor hij rustig kan blijven, kan ingrijpen en leiding kan geven, en kan eten, al is dat eten tevens een vorm van gemeenschap met God die hem staande houdt.

Verschillende visies

In de verkondiging kun je ingaan op het in elkaar grijpen van verschillende visies op dezelfde gebeurtenissen: de één ziet er de macht van de elementen in, de tweede de macht van de keizer, en de derde die van God. Het effect is veerkracht en handelingsbekwaamheid in een anders uitzichtloze situatie.

Zo’n andere kijk op de werkelijkheid geeft houvast. Je kunt hierbij denken aan Martin Luther King Jr.’s uitspraak over de loop van de geschiedenis die naar gerechtigheid toebuigt. Die uitspraak had eenzelfde effect: wie de macht leek te hebben, had hem eigenlijk niet, en een uitzichtloze situatie bleek alleen een stap op weg naar iets beters. Of denk aan de sekswerkers in Kopenhagen, die daar als slachtoffers van mensenhandel waren terechtgekomen. Hulpverleners kregen maar geen toegang tot hen. Wat bleek: ze zagen zichzelf ook helemaal niet als slachtoffers, maar als het volk Israël onder Gods hoede onderweg in de woestijn, waarbij het beloofde land voor hun kinderen zou zijn (in de vorm van Deens burgerschap of een permanente verblijfsvergunning). Natuurlijk kun je er je vraagtekens bij zetten, maar het gaf deze vrouwen een vorm van zelfvertrouwen en waardigheid in een anders uitzichtloze situatie.

Misschien kun je ook op kleiner niveau kijken of er ervaringen zijn die resoneren met dat wat Paulus in Handelingen 27 beleeft. Waar je op vertrouwt en in wie of wat je gelooft, doet ertoe: het vormt je leven en het speelt een belangrijke rol in onzekere situaties.

Alternatief

Lichter leven

Bij Handelingen 27,1-44

Paulus toont zich in dit lange hoofdstuk op verschillende momenten een ware volgeling van Jezus. Misschien wel het duidelijkst in vers 33-38. In bewoordingen die doen denken aan het wonder van het delen van brood en vis, vertelt Lucas hoe Paulus de radeloze bemanning sterkt door met hen het brood te breken zoals Jezus dat ook deed. Daarna gooien ze het graan overboord. Dat is een veelzeggend gebaar: ze zijn immers gevoed en gesterkt door het geloof.

Er gaat van alles de zee in – touwen, ankers, graan, ballast en ten slotte de mensen zelf. Behouden worden heeft te maken met loslaten. De overkant bereiken gaat beter door los te laten dan door vast te houden. Dat biedt kansen voor gebed, voor gemeentes die noodgedwongen lichter moeten reizen omdat ze in zwaar weer zitten, financieel, qua menskracht of levenskansen.

Op weg naar de overkant, op weg naar het vaste land,
op weg naar grond onder de voeten moet er van alles overboord.
Wij bidden om moed om los te laten.
Wij bidden om vertrouwen dat er genoeg zal zijn.
Wij bidden om kracht om het uit te houden.
Wij bidden om brood om op krachten te blijven.
Op weg naar de overkant, op weg naar het vaste land,
op weg naar grond onder de voeten mag er van alles overboord.
Om los te laten wat niet meer heilzaam is,
om op te ruimen wat in de weg staat en bezwaart,
om door te snijden wat tot stilstand brengt,
geef ons daartoe de moed, het vertrouwen, de kracht.
In Christus’ naam, amen.