Bij Exodus 3,1-15 en Lucas 20,27-38
Deze zondag is het overduidelijk dat de lezing uit Exodus bij de evangelielezing gezocht is, en voornamelijk dient om het citaat van Jezus in de juiste context te plaatsen. Dat is jammer, want er zal in de meeste preken geen ruimte zijn om beide perikopen de aandacht te geven die ze verdienen. Ook ik kies in dit geval ervoor om te focussen op het evangelie. Voor deze exegese ben ik erg geholpen door het commentaar op Lucas door Jos de Heer.[1]
Sadduceeën
In het Evangelie naar Matteüs worden de sadduceeën meermaals in één adem genoemd met de farizeeën. Bij Marcus en Lucas komen ze maar eenmaal voor, namelijk in deze perikoop en in de parallel van Marcus 12,18. Bij Johannes worden ze helemaal niet genoemd. De sadduceeën behoorden tot de joodse elite. Het was een groep die getalsmatig niet zo groot was, maar die wel een grote invloed had. De Hoge Raad werd namelijk voorgezeten door een sadduceeër. Ze hadden zo een belangrijke machtspositie. Mede daardoor waren ze niet geliefd bij het gewone volk, dit in tegenstelling tot de farizeeën.
Sadduceeën erkenden het gezag van de Tora, maar niet van de mondelinge overlevering. Daarom verschilden hun denkbeelden op allerlei vlakken van de andere joden. In Handelingen komen ze meermaals in conflict met Petrus en Paulus, en telkens gaat dit conflict dan over de opstanding. Zo ook hier. Ze dragen een casus aan die ervoor bedoeld lijkt om het idee van de opstanding belachelijk te maken. Het zogenaamde leviraatshuwelijk wordt gebruikt voor deze casus. Dit is een instelling uit de Tora, die bedoeld is om bij een kinderloos huwelijk de vrouw en het familiebezit minder kwetsbaar te maken. Als een man kinderloos sterft, mag een familielid de weduwe trouwen en in naam van de overledene een kind bij haar verwekken. Zo wordt de naam van de overledene veiliggesteld, blijft de weduwe beter verzorgd achter en blijft de erfenis binnen de familie. Maar ja, als er een opstanding uit de doden is, van wie is de weduwe dan de vrouw? Jezus neemt de casus niet serieus, maar ziet hierin wel een aanleiding om te vertellen wat opstanding betekent.
Geen overbrugbare tegenstelling
Jezus maakt in zijn antwoord een onderscheid tussen de kinderen (letterlijk: zonen) van deze tijd (Gr.: aioon) en de kinderen van díe tijd (Luc. 20,34-35). NBV21 interpreteert dit als ‘de kinderen van deze wereld’ en van ‘de komende wereld’. Anderen vertalen met ‘deze’ of ‘de komende eeuw’. Zoon of kind zijn van iets betekent dat je daartoe behoort. Je hoort bij een bepaalde wereld: deze of gene wereld. Het zijn twee verschillende werelden, waarin anders gedacht en geleefd wordt.
Toch bestaan hier geen onoverbrugbare tegenstellingen. Het zijn eerder twee denkwerelden. In de ene denkwereld (die van deze wereld) heerst de menselijke logica en ratio. Hier bestaat er geen opstanding, want dat kunnen wij ons niet voorstellen. God zelf kunnen wij ons ook niet voorstellen. In deze (denk-) wereld leven we dus zonder God en zonder opstanding. Maar er is ook een andere (denk-)wereld: Gods wereld. Daar kun je deel aan krijgen, als je door God bezield bent. Als je bezield leeft. Dat is: leven volgens de Tora. Leven in geloof, hoop en liefde, zouden christenen zeggen. Of: leven uit genade. In Lucas 6,35 staat dat je een kind van God bent door lief te hebben en goed te doen. Zo krijg je deel aan Gods wereld. In Gods wereld is er wel degelijk opstanding, want God is leven.
Een God van leven
Dan volgt er een argument dat een citaat bevat uit de Tora (20,37). De sadduceeën nemen de Tora zeer serieus, dus voor dit argument zouden ze gevoelig moeten zijn. Als JHWH zich vanuit de doornstruik (Hebr.: senè, een knipoog naar ‘Sinai’) openbaart aan Mozes, stelt Hij zich voor met de woorden: ‘Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jakob’ (Ex. 3,6). JHWH onderhoudt blijkbaar nog altijd een relatie met de aartsvaders. Dan kunnen die toch niet dood zijn? Op een of andere manier leven ze nog voort, in het perspectief van JHWH (Luc. 20,38).
De verschillende denkwerelden zijn zo vooral verschillend in het perspectief van waaruit ze kijken. Vanuit menselijk oogpunt zijn gestorvenen dood. Ze zijn onbereikbaar, want er is een grens tussen leven en dood die voor mensen niet te overbruggen is. Vanuit het perspectief van JHWH is dit heel anders. Dan vallen de grenzen weg tussen leven en dood. Wij kunnen het ons niet voorstellen, maar God wel. Opstanding is dus: behoren tot God, die leven is. Hoe dat er dan precies uitziet, kunnen wij als mensen niet bevatten. Maar dat hoeft ook niet.
Een God die bij ons is
Dat alles er anders uitziet vanuit Gods perspectief, zien we ook in de perikoop uit Exodus. Waar Mozes zich in allerlei bochten wringt omdat hij vanuit zijn perspectief een onmogelijke opdracht krijgt (Ex. 3,11.13), is het voor JHWH heel simpel. ‘Ik ben er toch bij,’ zegt Hij (3,12.14). ‘Bij jou, Mozes, en bij heel jouw volk.’ Alles gaat in dit stuk om het zien. God ziet het lijden van zijn volk (3,7.9), Mozes ziet ook iets, maar wat (3,2-3)? En zien (Hebr.: jara) gaat om ervaren, beseffen, meevoelen. Het draait om betrokkenheid. JHWH is betrokken op zijn volk, en als Mozes dat ook is, kan de redding gestalte krijgen. Vanuit God gezien is alles mogelijk, zelfs een leven na de dood.
[1] Jos de Heer, Commentaar op Lucas 14-24. Jezus’ passie, Vught 2013.