Bij Jeremia 31,15-17, Openbaring 21,1-7 en Matteüs 2,13-18
De vreugde om de geboorte van Jezus is maar van korte duur. De werkelijkheid valt ons rauw op het dak met wat Matteüs ons vertelt. De gebeurtenis kan zomaar vertaald worden naar het heden. Schrijnend is het als het gaat om onschuldige kinderen die vermoord worden. Kun je dan nog troost bieden? Jeremia vindt van wel. Ook de auteur van Openbaring heeft weet van zware tijden, maar sluit zijn boek wel af met een overweldigende nieuwe realiteit.
Aan de profeet Jeremia is het woord ‘jeremiëren’ ontleend. Het wekt de indruk dat het boek alleen maar gaat over klagen. Klagen over het lijden van het volk Israël nadat het weggevoerd was in ballingschap en klagen over de verbroken relatie met God. Naast inderdaad onheilsprofetieën vinden we echter ook profetieën van heil. De hoofdstukken 30–33 worden wel omschreven als ‘een troostboekje’ en hoofdstuk 31 maakt daar dus deel van uit. Om de context van Jeremia 31,15-17 te begrijpen, is het goed om eerst het hele hoofdstuk te lezen. Dan blijkt dat kleine stukje tekst ingebed te zijn in woorden die een hoopvolle toekomst bieden: ‘De Heer heeft zijn volk gered, en wat er van Israël nog overbleef bevrijd’ (31,7). Met gejubel en gejuich en stralend van vreugde komen de mensen naar Sion. Zo komt de tekst over Rachel die haar zonen beweent in een ander daglicht te staan.
Voor Rachel is er hoop
Rachel rouwt als stammoeder van Jozef en Benjamin (het deel dat tot het Noordrijk behoorde) over haar afstammelingen die hetzij gesneuveld, hetzij weggevoerd zijn in ballingschap. Ballingschap en dood worden vaak gelijkgesteld (vgl. Ez. 37). Dat een stammoeder rouwt om de ondergang van de stam die veel later plaatsvindt dan het leven van die stamouder komen we ook in 1 Kronieken 7,22 tegen. Maar voor Rachel is er hoop. Jeremia profeteert dat de zonen, de kinderen van Rachel weer terug zullen keren naar het eigen land, weg uit de ballingschap. God betoont zich hier een God die begaan is met zijn volk en alles in het werk stelt om de relatie weer te bestendigen. Het is echter geen eenzijdig initiatief. Steeds gaat het om een samenspel tussen God en zijn volk.
Vermeldenswaardig is dat de ballingschap net als de uittocht uit Egypte een van de ‘grote verhalen’ is waaraan telkens weer gerefereerd wordt. Een blijvend markeringspunt voor generaties, net als de Tweede Wereldoorlog.
Christologische interpretatie van het profetenwoord
Ook Matteüs voert in 2,13-18 Rachel op die haar kinderen beweent. Het is bekend dat hij veelvuldig citeert uit het Eerste Testament. Vers 15 gaat terug op Hosea 1,11: ‘(…) en uit Egypte heb ik mijn Zoon geroepen.’ En in Egypte was er Farao die alle Hebreeuwse jongetjes wilde doden, omdat het volk hem te sterk en te groot werd. Baby Mozes overleefde in het ‘rieten mandje’. Mozes, die later, toen hij volwassen was, moest vluchten, vanwege doosbedreiging. Hij kwam terug als de verlosser van het Israëlitische volk.
Zo komen we meteen bij de typologische relatie met Exodus 2: aan de ene kant Herodes-Jezus, aan de andere kant Farao-Mozes. Vanaf zijn geboorte wordt Jezus gezien als degene die Israël zal verlossen van de onderdrukking door de Romeinen. Zoals Israël overleefde in Egypte tot God het volk riep, zo overleeft Jezus in Egypte totdat ook Hij groepen werd om naar zijn land terug te keren.
Matteüs is de enige evangelist die de kindermoord in Betlehem heeft opgenomen. De wijzen uit het oosten waren na hun bezoek aan Maria en het kind in een droom gewaarschuwd niet meer langs Herodes te gaan, maar een andere weg terug naar huis te nemen. Vanwege een droominzicht is de machtige koning voor de gek gehouden. Zo wordt zijn gemoedsstemming meestal vertaald, maar een betere vertaling is dat hij zich gekleineerd voelde. Dat komt nog harder binnen dan ‘zich misleid’ voelen. Een machtige koning, gekleineerd en in zijn macht bedreigd, heeft kennelijk geen ander antwoord daarop dan geweld gebruiken.
Matteüs beklemtoont dat Jezus de Messias is. De zogenaamde vervullingscitaten moeten in dit perspectief gezien worden (2,15.17-18). De term ‘vervullen’ wil zeggen dat in Hem de geschiedenis van Israël haar doel en voltooiing bereikt, al hadden de aangehaalde teksten meestal een heel andere betekenis dan Matteüs eraan geeft. Wel geldt tot aan de dag van vandaag: Rachel is iedere moeder die ontroostbaar huilt om haar weggevoerde en gedode kinderen.
De profetie van Openbaring
De schrijver van Openbaring noemt in de eerste en in de laatste zinnen (Op. 1,3; 22,19) zijn boek een ‘profetie’. Hij leunt inderdaad voortdurend aan tegen de taal en de beeldspraak van de profeten. Zo kan Openbaring 21,1-7 gelezen worden als het ultieme heil waarover de profeten spreken en waar Jezus over predikte. ‘Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.’ Alle dingen worden nieuw gemaakt: een nieuwe werkelijkheid is aangebroken. De taal roept gevoelens op bij de lezer, brengt een reactie teweeg. Voor ons is die taal nogal eens geheimtaal, maar de toenmalige lezers verstonden de beelden en de symbolen. Samengevat gaat het boek over de strijd van goed tegen kwaad en van kwaad tegen goed. De bedreigende werkelijkheid waarin de schrijver en de lezers toen verkeerden, mogen we niet zomaar vertalen naar onze tijd. Toch kan hoofdstuk 21 ons wel helpen onze gedachten te vormen. De werkelijkheid die wij beleven, kunnen we zien als een tijdelijke en onvolkomen werkelijkheid, maar voorbijgaand. Ooit zal een volmaakte wereld aanbreken waarin Gods bedoelingen leidraad zijn. Openbaring is het dramatische compendium van de Tenach en is een boek om te doen, om te handelen: trouw blijven aan God, zoals Jezus ook deed in zijn prediking.