Bij Psalm 72, Jesaja 11,1-10 en Matteüs 3,1-12
‘Goede leiders worden niet geboren, maar gemaakt,’ zegt onze maatschappij. Het omgekeerde geldt net zo goed. Opvoeding, omstandigheden, allerlei soorten invloeden bepalen de ontwikkeling van iemand. Ook als leider. En toch gaat het in de Adventstijd juist ook over goede leiders die worden geboren. Die van meet af aan uit het goede en betere hout gesneden zullen zijn.
Jesaja profeteert in het eerste deel van het boek dat zijn naam draagt vooral voor koning Achaz. Waarschijnlijk hoort hij de profetie van Jesaja 11,1-10 op het moment dat zijn vrouw Abi zwanger is. De verwachtingen rond het kind (de latere koning Hizkia) zijn hooggespannen. Als het een jongen is, zal hij de nieuwe koning zijn. En die moet het beter doen dan zijn vader (Jes. 7,10-17; 9,5-6). Want (aanstaande) vader Achaz weet van de dreiging van de ballingschap, weet van de dreiging van Assur, maar doet er te weinig tegen. Jesaja profeteert hoe het juk van Assur zal komen en weer afgenomen zal worden (Jes. 10). Dan zal de hele Libanon geveld worden: een bos hoge bomen wordt neergemaaid. In die context begint dan Jesaja 11. Een kaal veld, vol omgehakte bomen. Een land dat neergehaald en kaal geroofd is door de bezetter, waar God mensen gestraft heeft voor hun ongehoorzaamheid. Dáár komt de hoop voor een nieuwe leider naar boven: als een telgje uit een eeuwenoude tronk.
Waarom de tronk van Isaï en niet van David? Wellicht omdat zo niet een andere leider als voorbeeld wordt gesteld, maar het teruggaat op de stam, de bron. En tegelijk zou het ook de hoop op een tweede David, op opnieuw een koning als David kunnen zijn. Het telgje moet een droom/boom van een koning worden.
Koning voor heel de aarde
Zes ‘soorten’ geest (11,2) leggen nader uit wat de Geest van de Heer is die op hem rust (vgl. Op. 4,5) als zes kaarsen die de zevende kaars op de menora meer licht geven. Met die Geest begiftigd, geeft deze koning leiding op een manier die recht en gerechtigheid brengt: met een rechtvaardig oordeel, recht voor de zwakken en een einde aan onrecht. Jesaja omschrijft beeldend hoe deze koning zal zijn. In weerwil van leiders die regeren als beesten (beer: Spr. 28,15, adder/slang: Ps. 58,4-5, leeuw: Ez. 19,3, wolf: Ez. 22,27) regeert deze koning, deze leider als een lam (vgl. Op. 13,2). Hij zoekt geen strijd maar wil vreedzaam samenleven. Psalm 72 beschrijft voor deze ‘boom van een koning’ nog verder hoe hij omgaat met de hem gegeven macht, en deze toepast zodat iedereen recht gedaan wordt. Deze koning is er dus voor veel meer dan voor het kleine Juda waar koning Achaz, die Jesaja hier in eerste instantie lijkt toe te spreken, koning van was. De profetie reikt veel verder. Dat blijkt ook uit vers 9, waar de ‘hele aarde’ vervuld wordt van de (goede) kennis van de Heer. De koning die als een twijgje (Hebr.: netser) begint, zal staan als een banier (Hebr.: nes) voor de volken.
Bomen omgehakt
Maar voordat die banier zichtbaar is, moet er eerst nog heel wat gebeuren. Koningszoon Hizkia maakt het niet waar, en vele koningen na hem evenmin. Eeuwen ná Jesaja spreekt Johannes in het evangelie van Matteüs opnieuw over de komst van Hem op wie gewacht wordt (3,2-3.11-12). Johannes zelf wordt zeer beperkt geïntroduceerd. Zijn boodschap is belangrijker dan zijn persoon. Matteüs 3,3 is een rechtstreeks citaat uit Jesaja 40,3, uit dat deel van Jesaja dat gesitueerd wordt als de ballingschap al realiteit is. En als dit citaat klinkt in Johannes, wordt er in zekere zin nog steeds gewacht op die ‘boom van een koning’ uit Jesaja 11: de Zoon van de Koning die zal komen om recht en gerechtigheid te brengen. Johannes is slechts de boodschapper, maar wel met een duidelijke boodschap. De komst van de ‘telg uit de tronk van Isaï’ betekent dat er bomen zullen worden omgehakt (3,10; vgl. Jes. 10,33-34). Daarna zal ‘iemand komen die machtiger is dan ik’ (3,11), die het kwaad niet ongestraft zal laten zoals in Jesaja 11,4 en Psalm 72,4 al aangekondigd.
Zij zijn het niet
Johannes richt zich vanaf vers 7 rechtstreeks tot de farizeeën en sadduceeën. Zij worden hier als één groep aangesproken, waar er inhoudelijk echt verschillen zijn. Maar hier zijn ze de representanten van een ideologisch leiderschap dat niet het gewenste leiderschap is. Zoals in Jesaja Achaz als slechte koning tegenover de goede koning stond, worden hier de farizeeën en sadduceeën met hun manier van leidinggeven, rechtspreken en leven deze eerste keer dat ze ter sprake komen in het Evangelie van Matteüs scherp gezet tegenover hoe Jezus dit zal gaan vormgeven. In de beeldspraak van vers 8 en 10 zijn de farizeeën en sadduceeën de bomen die niet de juiste vruchten voortbrengen, en komen dus te staan tegenover de ‘telg van Isaï’, de stronk die een goede, de beste, vrucht zal voorbrengen. Vers 9 is waarschijnlijk tussen dit beeld gevoegd, en verwijst naar Matteüs 1,2 waar Jezus een zoon van Abraham genoemd wordt.
Dit alles gebeurt aan de oever van de Jordaan, de scheidingsrivier bij uitstek, de rivier die zo vaak de overgang van een oude naar een nieuwe situatie markeert in de Bijbel. En tegelijk is een rivier een plek waar bomen groeien en tot bloei komen (Ps. 1). Daar wordt de komst van de telg van Isaï aangekondigd, daar wordt de kaalslag aangekondigd die er ook zal zijn, de ruimte die gemaakt moet worden om deze boom te kunnen laten groeien en bloeien zodat deze telg de koning kan zijn van Godswege.