Bij Matteüs 17,1-9 en Exodus 24,12-18
Op deze tweede zondag van de Veertigdagentijd wordt van oudsher (in ieder geval sinds het Missale Romanum van 1570) over de ontmoeting op de berg gelezen: Jezus in gesprek met Mozes en Elia, zijn ‘verheerlijking op de berg’. Vermoedelijk vanwege de overdekking door de wolk hebben latere roostermakers bedacht er de lezing uit Exodus 24 naast te zetten, waar Mozes de wolk binnenging: ‘de majesteit van de Heer rustte op de Sinaï (Ex. 24,15-16).
Matteüs 17 is in de traditie de ‘verheerlijking op de berg’ gaan heten. Het woord verheerlijking komt in de tekst niet voor, het woord berg wel. ‘Het Evangelie van Matteüs gaat van berg tot berg’, zei Frans Breukelman ooit. Eerst de berg van de verzoeking (Mat. 4), dan de berg van de Bergrede (5), daarna de berg waarop Jezus zich terugtrekt na de spijziging van de vijfduizend (14). Een hoofdstuk later is Hij met een massa mensen en zijn leerlingen weer op een berg (15). Ten slotte is er nog de Olijfberg, waar Jezus een laatste keer met zijn leerlingen in gesprek is (24). En dan is er nu de berg van Matteüs 17.
De vernedering uit!
Als het gaat over de ‘verheerlijking op de berg’ valt vaak in alle deftigheid het moeilijke woord transfiguratie: de Heer verandert van gedaante, tijdelijk. Volgens Willem Barnard is die gedaanteverandering maar een flits, want het ‘gaat niet om goddelijke glorie, maar om de transfiguratie van het menselijk bestaan, omzetting van tekort in volkomenheid’.1 Al die woorden zijn bedoeld om aan te geven en uit te leggen wat er gebeuren kán, van Godswege. Dat diep in het lijden glorie en vreugde verborgen gaan, dat de vernederde de verhoogde is. Met zulke woorden moet je buiten het zinsverband van de bijbelse theologie voorzichtig zijn. Ze hebben uitleg nodig. Je kunt er niet lukraak de vernederden mee te lijf: zij zijn niet zomaar de verhoogden. Al evenmin valt er het leed mee weg te praten: in leed schuilt immers meestal niet veel zichtbare en voelbare glorie. Tekort in een mensenleven is niet zomaar volkomenheid (en die tekorten zijn er veel, niet alleen bij wie zich tekortgedaan voelt). Intussen vraagt de Schrift van ons, ja, zij draagt ons op, niet bij de trieste pakken neer te zitten, te stranden in een mensbeeld dat van treurigheid en verlies aan elkaar hangt. De Schriften, het Evangelie duwen ons steeds weer de vrijheid in, de vernedering uit!
Tabor: Sinai opnieuw?
De traditie zegt dat het de berg Tabor was. Is Tabor de berg Sinai revisited? Van Mozes op de Sinaï wordt gezegd dat zijn gezicht straalde (Ex. 34,29-35) als een helder, onverdraaglijk licht, glanzend als goud. Op de Sinai was de wolk, die alles bedekt en die het heilige in nevelen hult, want het heilige is ten diepste verborgen (Ex. 24,15-18). Op de Sinai, ten slotte, klonk de stem uit een wolk (Ex. 24,16).
Petrus moet daar bij Jezus op de berg, met dat stralende licht, met de wolk en de stem wel spontaan aan het verhaal uit Exodus 24 gedacht hebben, waar Mozes de berg beklimt, op weg naar de Eeuwige, die verschijnt in een verterend vuur, de berg bedekt met een wolk. Wellicht dacht Petrus ook aan Exodus 25, waar de Eeuwige aan Mozes opdraagt een heiligdom te bouwen, een tabernakel, een heilige tent. Hij wil zelf in opperste opwinding meteen tenten bouwen om de heerlijkheid te huisvesten. Tenten om te overhuiven, net als de wolk die hen overschaduwt. Het Griekse woord voor tent, skènè, wordt in de Septuaginta gebruikt om de tabernakel weer te geven, de plaats van Gods aanwezigheid in de woestijn, te midden van zijn volk. Zó is God met hen als iemand die meegaat. God is niet statisch, niet onbeweeglijk, maar dynamisch. We vinden die tent ook in Johannes 1,14, waar staat dat het Woord ‘onder ons zijn tent heeft opgeslagen’.
Uit de wolk klinkt een stem. Wiens stem? Is het de Vader, de Eeuwige, God zelf? Matteüs suggereert het, want hij weet hoe dat met de hemel gaat, of met een wolk: daar klinken stemmen uit, soms. In wolk en vuur komen soms geheimen aan het licht, daar worden verbonden gesloten.
Horen om te doen
Die stem uit de hemel – ‘Deze is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde’ (17,5) – is een herhaling van de scène bij Jezus’ doop in de Jordaan (3,17). Maar hier staat er nog wat bij: ‘Hoort naar Hem’. Deze toevoeging is ook een toespeling op Mozes en vooral op Elia, dat archetype van een profeet. Daar moet je naar luisteren, nee, naar hóren. Horen is in de Schriften altijd horen om te doen. Hoort naar Hem, dat betekent zoveel als: leef Hem na, leef messiaans, profetisch. Maar de imperatief klinkt inmiddels bijna als een smeekbede: doe dat nu eens, leef eindelijk eens als Hij, ga de wegen die je zijn voorgehouden en voorgezegd. Niet voor niets zijn Mozes en Elia van de partij: de grote voorganger in de uittocht én Elia, die als de profeet beschouwd wordt waarin heel de profetie is vertegenwoordigd en samengevat. Mozes als man van de bevrijding, de profetie als mogelijkheid die bevrijding vol te houden en werkelijk te leven.
1 Willem Barnard, Binnen de tijd. Het zinsverband der liturgie. Voorburg, 19882, p. 68.